ECLI:NL:RBGEL:2024:9558

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 december 2024
Publicatiedatum
30 december 2024
Zaaknummer
10885137 CV EXPL 24-180
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling redelijke buitengerechtelijke incassokosten na verkeersongeval

Op 25 juli 2019 vond een verkeersongeval plaats waarbij een verzekerde van TVM betrokken was. [Eiseres] kreeg opdracht om de schade te verhalen en bracht buitengerechtelijke incassokosten en expertisekosten in rekening bij TVM. Hoewel TVM aansprakelijkheid erkende en een deel van de schade en kosten betaalde, bleef een bedrag van €725 openstaan.

TVM voerde verweer tegen de hoogte van de incassokosten en stelde dat het om een eenvoudige zaak ging waarvoor een vergoeding van €80 voldoende was. De rechtbank oordeelde dat het forfaitaire systeem uit het Besluit buitengerechtelijke incassokosten niet van toepassing is op vorderingen uit onrechtmatige daad en dat de omvang van de kosten in deze zaak voldoende nauwkeurig kan worden vastgesteld op basis van een urenoverzicht.

De rechtbank vond het gehanteerde uurtarief van €80 redelijk en stelde vast dat de verrichte werkzaamheden tot 12 september 2019 redelijk waren. Op basis hiervan werd een vergoeding van €394,37 aan buitengerechtelijke incassokosten toegewezen, verminderd met reeds betaalde bedragen, zodat TVM veroordeeld werd tot betaling van €314,37 plus wettelijke rente. De proceskosten werden gecompenseerd.

Uitkomst: TVM wordt veroordeeld tot betaling van €314,37 aan buitengerechtelijke incassokosten plus wettelijke rente.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 10885137 \ CV EXPL 24-180
Vonnis van 13 december 2024
in de zaak van
[eiseres],
wonende en kantoorhoudende te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: [gemachtigde]
tegen
TVM VERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Hoogeveen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: TVM,
gemachtigde: mr. H.N. Kuiper.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in het incident van 24 mei 2024
- de conclusie van antwoord met producties
- de conclusie van repliek met producties
- de conclusie van dupliek met een productie.

2.De feiten

2.1.
Op 25 juli 2019 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden, waarbij een verzekerde van TVM en [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ) betrokken waren.
2.2.
[betrokkene] heeft [eiseres] opdracht gegeven om de door het verkeersongeval geleden schade te verhalen. In punt vier van de opdracht tot dienstverlening staat:

De opdrachtgever heeft overeenkomstig artikel 6:96 BW Pro het recht de kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid te verhalen op de aansprakelijke partij. Opdrachtgever draagt het verhaalsrecht van deze vordering ex. artikel 6:96 BW Pro over aan [eiseres] .
2.3.
[eiseres] heeft bij factuur van 9 augustus 2019 een bedrag van € 1.324,95 in rekening gebracht bij TVM, bestaande uit € 995,00 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 100,00 aan expertisekosten, alsmede € 229,95 aan btw.
2.4.
TVM heeft de aansprakelijkheid van haar verzekerde erkend. Op 12 september 2019 heeft zij de totale schade van € 8.946,48 (bestaande uit zaakschade, kosten uit-/inbouw BCT en bedrijfsschade), alsmede een bedrag van € 80,00 aan incassokosten/administratiekosten betaald aan [eiseres] . Op 16 oktober 2020 heeft TVM een aanvullende betaling gedaan van € 100,00 ter zake van de expertisekosten.
2.5.
Op 27 januari 2023 heeft [eiseres] een betalingsherinnering gestuurd naar TVM, waarbij zij haar vordering heeft bijgesteld naar € 905,00, bestaande uit € 805,00 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 100,00 aan expertisekosten. Bij de specificatie van de vordering heeft [eiseres] vermeld:
“Onze buitengerechtelijke kosten volgens WIK-staffel zoals rechtens als redelijk vastgesteld.”

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] heeft een bedrag van € 905,00 gevorderd van TVM. Hierop heeft TVM in totaal € 180,00 in mindering voldaan (€ 80,00 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 100,00 aan expertisekosten), zodat nog een vordering resteert van € 725,00.
3.2.
TVM voert verweer en concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vordering, subsidiair tot matiging van de vordering, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure, alsmede de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na aanzegging tot aan de dag van volledige betaling.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Volgens vaste rechtspraak is voor vergoeding van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en ter verkrijging van voldoening buiten rechte, als bedoeld in artikel 6:96 lid Pro 2, aanhef en onder b en c BW, van belang of de verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren en, zo ja, of de gemaakte kosten naar hun omvang redelijk zijn (de dubbele redelijkheidstoets).
4.2.
TVM heeft niet expliciet betwist dat [eiseres] noodzakelijke buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht. Bovendien heeft zij ter zake van die werkzaamheden een bedrag van € 80,00 betaald. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft TVM daarmee de noodzakelijkheid van (een deel van) de door [eiseres] verrichte werkzaamheden erkend.
4.3.
TVM heeft wel verweer gevoerd tegen de hoogte van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. Omdat er geen inhoudelijke discussie heeft plaatsgevonden over de aansprakelijkheid van haar verzekerde en omdat het schadebedrag prompt is betaald, is volgens haar sprake van een eenvoudige zaak waarvoor een betaling van € 80,00 meer dan voldoende is.
4.4.
In geschil is of de hoogte van de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten moet worden bepaald aan de hand van de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit), aangezien het Besluit niet van toepassing is op een vordering uit onrechtmatige daad, zoals in deze kwestie, maar op een uit overeenkomst voortvloeiende verbintenis tot betaling van een geldsom.
4.5.
[eiseres] stelt haar vordering te baseren op de tarieven uit het Besluit en zij verwijst in dit verband onder meer naar het arrest ‘Amev/Staat’ van de Hoge Raad [1] en uitspraken van rechtbank Gelderland. De kantonrechter is, anders dan [eiseres] , allereerst van oordeel dat hier sprake is van een ‘eenvoudige zaak’ in de zin van het arrest ‘Amev/Staat’. Volgens [eiseres] heeft erkenning van aansprakelijkheid pas plaatsgevonden na debat daarover. Dat TVM, alvorens over te gaan tot erkenning, heeft gevraagd om toezending van de door [betrokkene] ingevulde achterzijde van het schadeformulier en het politierapport heeft opgevraagd, maakt naar het oordeel van de kantonrechter echter nog niet dat sprake is van een debat. Ook als sprake is van een eenvoudige zaak, zullen er immers werkzaamheden verricht moeten worden, zoals het opvragen van gegevens, het beoordelen van het schadeformulier en het inschakelen van een schade-expert.
4.6.
De kantonrechter kan [eiseres] in beginsel volgen in haar betoog dat aansluiting gezocht kan worden bij het hanteren van de forfaitaire bedragen conform het Besluit. De Hoge Raad heeft in ro. 3.7 van het voormelde arrest overwogen dat het Hof de omvang van de kosten heeft geschat, omdat deze niet nauwkeurig kon worden vastgesteld.
[eiseres] heeft echter bij de vierde betalingsherinnering een specificatie van de door haar verrichte werkzaamheden gevoegd (productie 4 bij conclusie van antwoord). Volgens die specificatie heeft [eiseres] 10:04 uur besteed à € 80,00 per uur, zijnde een bedrag van € 805,35. Zij heeft de door haar gevorderde buitengerechtelijke kosten bijgesteld tot dat bedrag. Anders dan zij in haar vierde betalingsherinnering schrijft (zie ro. 2.5) baseert [eiseres] haar vordering aldus op concrete gegevens en niet op de tarieven conform het Besluit. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat in deze kwestie de omvang van de buitengerechtelijke kosten voldoende nauwkeurig kan worden vastgesteld, zodat toepassing van het forfaitaire systeem niet aan de orde is.
4.7.
De kantonrechter is van oordeel dat in een overzichtelijke aanrijdingszaak als deze het door [eiseres] gehanteerde uurtarief van € 80,00 redelijk is. Ook de duur van de verrichte werkzaamheden als vermeld op het urenoverzicht komt de kantonrechter redelijk voor, althans tot en met 12 september 2019, zijnde de datum van ontvangst van de betaling van het schadebedrag door TVM, en het daaropvolgende “contact relatie” op 16 september 2019, ervan uitgaande dat [eiseres] haar cliënt toen heeft meegedeeld dat de betaling is ontvangen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, gaat de kantonrechter ervan uit dat daaropvolgende werkzaamheden geen betrekking hebben de vaststelling van schade en aansprakelijkheid en verkrijging van voldoening buiten rechte (van de schade geleden door de opdrachtgever van [eiseres] ), als bedoeld in artikel 6:96 lid Pro 2, aanhef en onder b en c BW. De kantonrechter is daarom van oordeel dat redelijkerwijs een bedrag van € 394,37 (4:56 uur à € 80,00) aan buitengerechtelijke (incasso)kosten dient te worden vergoed door TVM. Omdat TVM daarvan al € 80,00 heeft betaald, naast € 100,00 aan expertisekosten, wordt zij veroordeeld tot betaling van € 314,37.
4.8.
Tegen de gevorderde wettelijke rente is geen verweer gevoerd, zodat deze wordt toegewezen.
4.9.
Omdat beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

5.1.
veroordeelt TVM om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 314,37, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 2 januari 2024 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
5.3.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2024.
560 \ 858

Voetnoten

1.HR 16-10-1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2740