De rechtbank Gelderland behandelde een kort geding waarin de moeder vervangende toestemming vorderde om met haar minderjarige kind naar Algerije te reizen tijdens de kerstvakantie 2024/2025. Tijdens de mondelinge behandeling trok zij deze vordering in nadat de vader een week daarvoor de gevraagde toestemming had gegeven. De moeder handhaafde haar vordering tot proceskostenveroordeling van de vader.
De vader voerde aan dat de vertraging in het verlenen van toestemming te wijten was aan de afwezigheid van zijn advocaat en begeleider, en stelde dat sprake was van overmacht. De voorzieningenrechter stelde vast dat de hoofdvordering niet meer aan de orde was en dat alleen de proceskostenveroordeling ter beoordeling stond.
De voorzieningenrechter overwoog dat in procedures tussen familieleden het uitgangspunt is dat iedere partij haar eigen kosten draagt. Hoewel de moeder meerdere kort gedingen heeft gevoerd, zag de rechter geen reden om hiervan af te wijken. De vader had tijdig toestemming gegeven en het griffierecht dat de moeder moest betalen kon hem niet worden verweten. De vordering tot proceskostenveroordeling werd daarom afgewezen.