ECLI:NL:RBGEL:2024:9663

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
24 december 2024
Publicatiedatum
15 januari 2025
Zaaknummer
11215533 \ EZ VERZ 24-361 \ MvL \ mk
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:190 lid 4 BWArt. 4:194a lid 1 BWArt. 3:11 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot machtiging beneficiaire aanvaarding nalatenschap wegens schending onderzoeksplicht

Op 24 december 2024 heeft de Rechtbank Gelderland een beschikking gewezen in een verzoekschriftprocedure betreffende het erfrecht. Verzoekers, erfgenamen van een overleden erflaatster zonder testament, hadden de nalatenschap zuiver aanvaard. Later bleek uit bodemonderzoek dat de bij de nalatenschap behorende percelen mogelijk verontreinigd waren, wat kan leiden tot saneringskosten en aansprakelijkheid.

Verzoekers verzochten om machtiging om alsnog beneficiair te aanvaarden op grond van artikel 4:194a BW, omdat zij de verontreiniging en de daarmee samenhangende schulden niet kenden bij zuivere aanvaarding. De kantonrechter stelde vast dat het verzoek binnen de wettelijke termijn was ingediend en verzoekers ontvankelijk waren.

Echter, de kantonrechter oordeelde dat verzoekers hun onderzoeksplicht hadden geschonden door voorafgaand aan zuivere aanvaarding geen onderzoek te doen naar de nalatenschap, ondanks dat meerdere rapporten over bodemverontreiniging van de percelen bestonden. Dit leidde tot het oordeel dat verzoekers niet te goeder trouw waren. Daarom werd het verzoek afgewezen en werd geen machtiging verleend om alsnog beneficiair te aanvaarden.

Uitkomst: Verzoek tot machtiging tot het alsnog beneficiair aanvaarden van de nalatenschap wordt afgewezen wegens schending van de onderzoeksplicht.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zutphen
zaakgegevens 11215533 \ EZ VERZ 24-361 \ MvL\mk
uitspraak van 24 december 2024
beschikking
in de zaak van

1.[verzoeker 1]

wonende te [woonplaats]
2.
[verzoeker 2]
wonende te [woonplaats]
3.
[verzoeker 3]
wonende te [woonplaats]
4.
[verzoeker 4]
wonende te [woonplaats]
5.
[verzoeker 5]
wonende te [woonplaats]
verzoekende partijen
gemachtigde mr. M.X. van den Brink

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift van 16 juli 2024 met bijlagen;
  • de aantekeningen van de mondelinge behandeling van 19 september 2024;
  • de brief van 24 oktober 2024 met bijlagen van verzoekers.

2.De feiten

2.1.
Op [datum] is te [plaats] overleden [erflaatster] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] (hierna: erflaatster). De laatste woonplaats van erflaatster was [woonplaats] .
2.2.
Erflaatster heeft niet bij testament over haar nalatenschap beschikt. Op haar nalatenschap is het wettelijk versterferfrecht van toepassing. Ten tijde van haar overlijden was erflaatster niet gehuwd of geregistreerd als partner.
2.3.
Verzoekende partijen hebben de nalatenschap van erflaatster zuiver aanvaard.
2.4.
Tot de nalatenschap behoren twee percelen (hierna: de Percelen), te weten:
  • [kadastrale aanduiding 1] en
  • [kadastrale aanduiding 2] .
2.5.
Uit een drietal rapporten blijkt dat de Percelen verontreinigd zijn. Het oudste rapport betreft het ‘Verslag van onderzoek naar bodemverontreiniging te [plaats] in de gemeente [plaats] ’ door [bedrijf 1] dat uit september 1987 dateert. Over ‘Verkennend Onderzoek Stortplaatsen Gelderland, [nabij adres 1] ’ uitgevoerd door [bedrijf 2] is op 23 maart 2000 verslag gedaan. Op 5 juli 2024 is nog opgemaakt de ‘Onderzoeksrapportage bodemverontreiniging percelen cultuurgrond [nabij adres 1] ’ uitgevoerd door [bedrijf 3] Uit dit laatste rapport volgt dat er een chemisch onderzoeksrapport uit 1989 en een rapport uit 2011 bestaan met de Percelen als onderwerp. Deze twee rapporten zijn niet (meer) beschikbaar.

3.Het verzoek

3.1.
Verzoekers wenden zich tot de kantonrechter met het verzoek machtiging te verlenen tot het alsnog beneficiair aanvaarden van de nalatenschap van erflaatster.
3.2.
Verzoekers onderbouwen hun verzoek als volgt. Verzoekers waren aanvankelijk in de veronderstelling dat de nalatenschap van erflaatster positief was en bestond uit de Percelen en enig banktegoed. Verzoekers hebben de nalatenschap daarom zuiver aanvaard.
3.3.
Op 18 april 2024 heeft een schoondochter van erflaatster,
[schoondochter van erflaatster] , geopperd dat de Percelen mogelijk verontreinigd zijn. Dit is vervolgens bevestigd door het hiervoor vermelde onderzoek van [bedrijf 3] Uit dat rapport blijkt dat mogelijk ook aangrenzende percelen ‘besmet’ zijn met de verontreiniging.
3.4.
Indien blijkt dat er een saneringsplicht ten aanzien van de Percelen bestaat, zullen de kosten van de sanering vermoedelijk hoger zijn dan de waarde (in schone staat). Bovendien bestaat het risico dat eigenaren van de buurpercelen de erfgenamen aansprakelijk zullen stellen voor schade als gevolg van de verontreiniging van de buurpercelen.

4.De beoordeling

Juridisch kader
4.1.
Op grond van artikel 4:190 lid 4 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is het uitgangspunt dat een eenmaal gemaakte keuze onherroepelijk is en terugwerkt tot het ogenblik van openvallen van de nalatenschap. Op grond van artikel 4:194a lid 1 BW wordt een erfgenaam die na zuivere aanvaarding bekend wordt met een schuld van de nalatenschap die hij niet kende en ook niet behoorde te kennen, gemachtigd om alsnog beneficiair te aanvaarden, indien hij binnen drie maanden na die ontdekking het verzoek doet.
Ontvankelijkheid
4.2.
Verzoekers zijn als kind en kleinkinderen van erflaatster haar erfgenamen en om die reden bevoegd tot het indienen van dit verzoek.
4.3.
Het verzoek dient binnen drie maanden na ontdekking van de ‘schuld’ te worden ingediend. In het onderhavige geval zijn de kosten van sanering en de mogelijke schade voortvloeiende uit de verontreiniging de ‘schuld’ van de nalatenschap die de grond vormt voor het verzoek.
4.4.
De kantonrechter zal daarom eerst beoordelen wanneer verzoekers op de hoogte zijn geraakt van de ‘schuld’ van de nalatenschap. Door het bericht van [schoondochter van erflaatster] op
18 april 2024 dat de Percelen mogelijk verontreinigd zouden zijn, werden verzoekers bekend met de schuld. Het verzoek is ingediend op 16 juli 2024, zodat het verzoek binnen drie maanden na ontdekking is ingediend. Verzoekers zijn dan ook ontvankelijk in hun verzoek.
Is sprake van een onverwachte schuld?
4.5.
De kantonrechter overweegt dat de bescherming van artikel 4:194a BW alleen kan worden ingeroepen voor een onverwachte schuld. Een onverwachte schuld is een schuld die een erfgenaam niet kende en evenmin behoorde te kennen op het moment dat hij de nalatenschap zuiver aanvaardde. Met de woorden ‘kende of behoorde te kennen’ wordt aangesloten bij het begrip goede trouw uit artikel 3:11 BW Pro. De goede trouw ontbreekt als de erfgenaam wist van het bestaan van de schuld op het moment van aanvaarding van de nalatenschap.
4.6.
Uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 34 224, nr. 3, p. 13) bij de totstandkoming van artikel 4:194a BW volgt dat een erfgenaam, ook als hij weliswaar een juiste voorstelling van zaken miste met betrekking tot de aanwezige schulden, maar onder de gegeven omstandigheden (rekening houdend met zijn eventuele deskundigheid) beter behoorde te weten of twijfelde of had moeten twijfelen over (de afwezigheid van) een schuld en heeft nagelaten hier nader onderzoek naar te doen, niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt.
4.7.
De vraag of sprake is van een onverwachte schuld moet worden beoordeeld naar het moment waarop verzoekers de nalatenschap zuiver aanvaardden. Uit de stukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling is aannemelijk geworden dat de schuld niet bekend was bij verzoekers op het moment dat zij de nalatenschap zuiver aanvaardden. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat verzoekers de schuld ten tijde van de zuivere aanvaarding niet kenden.
4.8.
De volgende vraag is of verzoekers de schuld niet behoorden te kennen. In algemene zin zullen de meeste schulden van een erflater niet als een onverwachte schuld kunnen worden aangemerkt. Op verzoekers rust een onderzoeksplicht ten aanzien van de bestanddelen van de nalatenschap om een goede inschatting van de omvang van de nalatenschap te kunnen maken. Verzoekers hebben zowel tijdens de mondelinge behandeling als bij brief van 24 oktober 2024 verklaard dat zij in zijn geheel geen onderzoek hebben gedaan naar de omvang en samenstelling van de nalatenschap alvorens zij de verklaring tot zuivere aanvaarding van de nalatenschap hebben ondertekend. Deze schending van de onderzoeksplicht, zoals door verzoekers erkend, leidt tot het oordeel dat van goede trouw zoals bedoeld in artikel 4:194a BW geen sprake is.
4.9.
Dat verzoekers zijn afgegaan op de mededeling van de notaris dat geen aanleiding bestond aan te nemen dat de nalatenschap negatief zou zijn, maakt het voorgaande niet anders. Verzoekers hebben geen enkel onderzoek gedaan, terwijl zij daartoe een eigen verantwoordelijkheid hebben.
4.10.
Verzoekers hebben bovendien verklaard dat zij op het moment van zuivere aanvaarding weliswaar wisten dat de Percelen tot de nalatenschap behoorden, maar dat zij met het blote oog niet konden zien dat de Percelen verontreinigd zijn. De kantonrechter is van oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is dat niet met het blote oog zichtbaar is of grond verontreinigd is. Om die reden ligt het eens te meer voor de hand dat bij het verkrijgen van een perceel grond nader onderzoek naar de staat van de grond wordt gedaan. Gelet op het feit dat sinds 1987 meerdere onderzoeksrapporten zijn verschenen die specifiek gericht zijn op de Percelen, maakt aannemelijk dat enig onderzoek al snel tot bekendheid met de verontreiniging van de Percelen had geleid.
4.11.
De kantonrechter zal gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen machtiging verlenen aan verzoekers om de nalatenschap alsnog beneficiair te aanvaarden. De kantonrechter zal het verzoek dan ook afwijzen.

5.De beslissing

De kantonrechter,
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. M.J. van Lee en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2024.