De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die onder toezicht is gesteld. De moeder, belast met het ouderlijk gezag, was aanvankelijk tegen het verzoek, maar stemde in met de wijziging naar een pleegzorgvoorziening. De moeder gaf aan voor twaalf weken klinisch opgenomen te worden, waardoor de minderjarige niet door haar verzorgd kon worden.
De kinderrechter constateerde dat een vrijwillige uithuisplaatsing tijdens ondertoezichtstelling niet is toegestaan volgens artikel 1:265a BW, en dat het eerdere plan van de GI in strijd met de wet was. Wel werd erkend dat uithuisplaatsing in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
De machtiging werd daarom voor de volledige gevraagde duur van zes maanden toegekend, met de nadruk op intensieve hulpverlening en een geleidelijke opbouw van het verblijf bij de moeder na haar opname. Tevens werd het belang van regelmatig contact tussen moeder en kind benadrukt, met begeleiding van de contactmomenten.
De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de mogelijkheid tot hoger beroep werd toegelicht.