ECLI:NL:RBGEL:2024:9690

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 december 2024
Publicatiedatum
23 januari 2025
Zaaknummer
C/05/444240 / ZJ RK 24-862
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265a BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige tijdens ondertoezichtstelling toegewezen

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die onder toezicht is gesteld. De moeder, belast met het ouderlijk gezag, was aanvankelijk tegen het verzoek, maar stemde in met de wijziging naar een pleegzorgvoorziening. De moeder gaf aan voor twaalf weken klinisch opgenomen te worden, waardoor de minderjarige niet door haar verzorgd kon worden.

De kinderrechter constateerde dat een vrijwillige uithuisplaatsing tijdens ondertoezichtstelling niet is toegestaan volgens artikel 1:265a BW, en dat het eerdere plan van de GI in strijd met de wet was. Wel werd erkend dat uithuisplaatsing in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.

De machtiging werd daarom voor de volledige gevraagde duur van zes maanden toegekend, met de nadruk op intensieve hulpverlening en een geleidelijke opbouw van het verblijf bij de moeder na haar opname. Tevens werd het belang van regelmatig contact tussen moeder en kind benadrukt, met begeleiding van de contactmomenten.

De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de mogelijkheid tot hoger beroep werd toegelicht.

Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een pleeggezin wordt voor zes maanden toegekend en uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zutphen
Zaaknummer: C/05/444240 / ZJ RK 24-862
Datum uitspraak: 9 december 2024
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. F. Pool te Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 november 2024;
- het verweerschrift van de moeder met bijlagen van 3 december 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 december 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door mr. J. Brouwer die waarnam voor mr. Pool;
- twee vertegenwoordigers van de GI.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 10 september 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 10 september 2024 tot 10 september 2025.
2.3.
Bij dezelfde beschikking heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 10 september 2024 tot 10 november 2025. Bij herstelbeschikking van 4 oktober 2024 is de machtiging uithuisplaatsing verleend met ingang van 10 september 2024 tot 10 november 2024.
2.4.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin in [plaats] .

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzocht in eerste instantie een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Op de zitting heeft de GI dit verzoek gewijzigd in een verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg.

4.Het verweer

4.1.
De moeder vroeg de kinderrechter in eerst instantie het verzoek van de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een pleeggezin, voor de duur van zes maanden af te wijzen. Op de zitting heeft zij ingestemd met de wijziging van het verzoek door de GI. Ook heeft zij verteld dat zij op donderdag 12 december 2024 voor 12 weken wordt opgenomen in [plaats] , voor een klinische opname bij Tactus. Zij kan dan niet voor [minderjarige] zorgen. Wel kan hij in het weekend op bezoek komen. De moeder heeft op de zitting aangegeven dat zij nu wil dat [minderjarige] die 12 weken in het pleeggezin blijft waar hij nu woont. Daarna zou hij dan eerst in het weekend (van zaterdagochtend tot zondagmiddag) naar de moeder kunnen komen, waarbij rustig wordt opgebouwd naar uiteindelijk een thuisplaatsing bij de moeder. De moeder wil wel dat de machtiging tot uithuisplaatsing in duur wordt bekort, alsmede dat in deze periode door middel van intensieve hulpverlening wordt gewerkt aan de thuisplaatsing van [minderjarige] . Zij vraagt de kinderrechter het verzoek voor vier maanden toe te wijzen, het verzoek met betrekking tot de overige twee maanden aan te houden en in april weer een zitting te plannen.

5.De beoordeling

5.1.
Allereerst merkt de kinderrechter op dat een kind dat onder toezicht is gesteld uitsluitend met een machtiging tot uithuisplaatsing uit huis kan worden geplaatst (voor dag en nacht). Dit staat in artikel 1:265a van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het plan van de GI om [minderjarige] na 10 november 2024 weer twee dagen en nachten per week bij [naam accommodatie] onder te brengen, was dus in strijd met de wet. Dit geldt al helemaal voor het onderbrengen van [minderjarige] in het pleeggezin in [plaats] . De GI heeft gezegd dat dit in samenwerking met de moeder is gedaan, maar de moeder voelde zich onder druk gezet. De afhankelijkheidspositie die de moeder bij een ondertoezichtstelling ten opzichte van de GI heeft, is ook precies de reden dat een ‘vrijwillige’ uithuisplaatsing tijdens een ondertoezichtstelling verboden is.
5.2.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter wel van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [1] Daar is iedereen het ook over eens. De GI heeft opgemerkt dat het verblijf van de moeder in [plaats] kan uitlopen tot maximaal vier maanden. Nadat de moeder uit [plaats] is teruggekeerd naar huis moet door middel van intensieve hulpverlening worden gewerkt aan de thuisplaatsing van [minderjarige] . Het verblijf van [minderjarige] bij de moeder moet echter rustig worden opgebouwd, zoals de moeder zelf ook aangeeft. Omdat [minderjarige] dan nog het grootste deel van de tijd in het pleeggezin zal verblijven, is het nodig dat er ook voor de periode dat de moeder weer thuis is, een machtiging tot uithuisplaatsing is (zie 5.1.). De kinderrechter wijst het verzoek van de GI daarom voor de volledige duur toe.
5.3.
Op de zitting is besproken dat het van belang is dat [minderjarige] in de periode dat de moeder is opgenomen in [plaats] regelmatig contact heeft met de moeder. De GI heeft gezegd dat Curess deze contactmomenten zou kunnen begeleiden. De GI heeft de moeder verzocht haar hoofdbehandelaar te vragen hierover contact op te nemen met de GI.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin met ingang van 9 december 2024 tot 9 juni 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2024 door
mr. A.E. Grosscurt, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. T.A. Rutgers als griffier, en op schrift gesteld op 13 december 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.