ECLI:NL:RBGEL:2024:9758

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
6 mei 2024
Publicatiedatum
31 maart 2025
Zaaknummer
10884975 AZ VERZ 24-3
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:37 BWArt. 5:121 BWArt. 33 reglement VvEArt. 41 reglement VvE
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot ontslag bestuurder VvE afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid

Verzoekster, eigenaar van een appartement binnen een VvE, verzoekt de rechtbank om de bestuurder uit te schrijven uit het handelsregister, de bankpas in te leveren en een schadevergoeding van €25.000 te betalen. De bestuurder voert verweer en betwist de ontvankelijkheid van het verzoek.

De rechtbank overweegt dat het ontslag van een bestuurder alleen kan worden uitgesproken door het orgaan dat hem heeft benoemd, namelijk de vergadering van eigenaars. Het verzoek van verzoekster is onjuist gericht op de bestuurder zelf en niet op de VvE. Bovendien is niet gesteld dat de vergadering zonder redelijke grond heeft geweigerd mee te werken aan het ontslag, noch dat een vergadering is aangevraagd om hierover te stemmen.

Ook het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen omdat verzoekster als individuele eigenaar niet bevoegd is deze vordering in te stellen en onvoldoende aansprakelijkheid is onderbouwd. Verzoekster wordt veroordeeld in de proceskosten van de bestuurder.

Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot ontslag bestuurder en afgewezen in haar schadevergoedingsvordering.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: 10884975 \ AZ VERZ 24-3
Beschikking van 6 mei 2024
in de zaak van
[verzoekster],
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
procederend in persoon,
tegen
[verweerder],
te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. N.J.H. Leferink.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- de producties van [verzoekster]
- de mondelinge behandeling van 12 maart. Beide partijen hebben spreekaantekeningen voorgedragen en van het overige verhandelde is aantekening gehouden door de griffier.
1.2.
Hierna is de uitspraak eerst bepaald op 26 maart 2024 en na de beslissing van de wrakingskamer d.d. 29 april 2024, nader op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoekster] bewoont een appartement in het gebouw [naam gebouw] . In het gebouw bevinden zich negen appartementen.
2.2.
Het bestuur van de Vereniging van Eigenaars (hierna: de VvE) van [naam gebouw] bestaat uit [naam 1] , voorzitter sinds 23 maart 2022 en [verweerder] , secretaris/penningmeester sinds 23 mei 2023.

3.Het geschil

3.1.
[verzoekster] heeft verzocht [verweerder] uit te schrijven uit het handelsregister en hem te veroordelen tot het inleveren van de bankpas en hem voorts te veroordelen tot betaling van
€ 25.000,00.
[verweerder] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [verzoekster] dan wel tot afwijzing van het verzoek.
3.2.
Op de stellingen van partijen zal hieronder waar nodig nader worden ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het verzoek om [verweerder] uit te schrijven uit het handelsregister zal worden verstaan als een verzoek tot ontslag van [verweerder] als bestuurder. [verzoekster] maakt [verweerder] diverse verwijten met betrekking tot zijn handelen in die hoedanigheid.
4.2.
In artikel 2:37 BW Pro en in artikel 41 van Pro het van toepassing zijnde reglement is bepaald dat bestuurders worden benoemd door de vergadering van eigenaars en te allen tijde kunnen worden ontslagen. Uit het bepaalde in artikel 2:37 lid 6 BW Pro volgt, dat een bestuurslid kan worden ontslagen door het orgaan dat hem heeft benoemd. De vergadering van eigenaars benoemt de bestuurders en kan dus ook de bestuurders ontslaan.
4.3.
Het verzoek van [verzoekster] is gebaseerd op het bepaalde in artikel 5:121 lid 1 BW Pro.
Dit artikel biedt de mogelijkheid de verlangde medewerking van de vergadering van eigenaars aan het ontslag van [verweerder] als bestuurder, te vervangen door een rechterlijke machtiging (zie gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1126). In dit artikel(-lid) is verder bepaald dat de machtiging kan worden verleend, als de medewerking of toestemming zonder redelijke grond wordt geweigerd.
4.4.
[verzoekster] had haar verzoek dus moeten richten tot de VvE en niet tot [verweerder] . [verzoekster] zal dus niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek.
Ten overvloede wordt het volgende overwogen.
Bij een beoordeling of de medewerking moet worden vervangen door een machtiging, moet worden nagegaan of de vergadering van eigenaren zonder redelijke grond heeft geweigerd mee te werken aan het ontslag van [verweerder] als bestuurder. Desgevraagd heeft [verzoekster] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling aangegeven dat het ontslag van [verweerder] nimmer als besluit geagendeerd is geweest en dat hier dus ook nooit over is gestemd. Ook is niet gesteld of gebleken dat tevergeefs is geprobeerd op de voet van het bepaalde in artikel 33 van Pro het reglement een vergadering waarin een dergelijk besluit zou kunnen worden genomen, te houden.
Dit betekent dat al niet kan worden vastgesteld dat de vergadering van eigenaars de medewerking of toestemming heeft geweigerd, laat staan dat kan worden beoordeeld of dit al dan niet zonder redelijke grond is gebeurd (zie ook gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
5 april 2024, ECLI:NL:GHARL:2023:2954).
4.5.
[verzoekster] heeft voorts verzocht [verweerder] te veroordelen tot betaling van € 25.000,00. Dit verzoek zal reeds worden afgewezen omdat [verzoekster] als individuele eigenaar niet bevoegd is een dergelijke vordering in te stellen. Overigens is ook niet onderbouwd waarom [verweerder] als individueel bestuurslid aansprakelijk zou zijn.
4.6.
[verzoekster] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar verzoek;
5.2.
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van [verweerder] , tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 543,00 aan salaris gemachtigde.
Deze beslissing is gegeven door mr. I.C.J.I.M. van Dorp en in het openbaar uitgesproken op
6 mei 2024.
(IvD)