ECLI:NL:RBGEL:2025:10007
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering voorwaardelijke invrijheidstelling wegens procedurele fouten en nieuwe verdenking
Betrokkene werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 38 maanden, waarna het OM op 7 april 2025 een voorwaardelijke invrijheidstelling (VI) verleende, die echter nooit werd betekend vanwege ernstige fouten bij de betekening. Hierdoor is de VI niet van start gegaan, terwijl betrokkene feitelijk vanaf 4 augustus 2025 in vrijheid was gesteld.
Later ontstond een verdenking van een nieuw strafbaar feit (huiselijk geweld en XTC-bezit) waarop de rechter-commissaris betrokkene in bewaring stelde, maar deze bewaring direct schorste. Het OM besloot vervolgens op 29 september 2025 de VI te weigeren, gebaseerd op deze nieuwe verdenking en een strafrestant van 195 dagen.
De verdediging voerde aan dat de straf reeds was uitgezeten en dat de nieuwe verdenking buiten de wettelijke proeftijd viel. De rechtbank oordeelt dat het OM ernstig heeft verzuimd door de VI niet correct te betekenen en dat het weigeren van VI op basis van de nieuwe strafzaak niet redelijk is, zeker gezien het ontbreken van hoger beroep tegen de schorsing van de bewaring en het niet toepassen van strafvorderlijke maatregelen in die zaak.
De rechtbank vernietigt het besluit van 29 september 2025 en bepaalt dat betrokkene op 12 november 2025 voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld onder voorwaarden die het OM nog moet formuleren. Dit voorkomt onnodige detentie en waarborgt een zorgvuldige afweging van belangen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit van het OM om de voorwaardelijke invrijheidstelling te weigeren wordt gegrond verklaard en betrokkene wordt voorwaardelijk in vrijheid gesteld.