ECLI:NL:RBGEL:2025:10065

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
11822411
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:668 lid 1 BWArt. 7:673 BWArt. 7:673 lid 1 sub 1 onder 3 BWArt. 18 Wetboek van Koophandel
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing aanzegvergoeding, transitievergoeding en vergoedingen openstaande uren na niet-aanzegging einde arbeidsovereenkomst

Verzoekster was in dienst bij verweerder op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die op 31 mei 2025 eindigde. Volgens de wet en de arbeidsovereenkomst had verweerder de verplichting om uiterlijk een maand voor het einde schriftelijk aan te zeggen of de overeenkomst zou worden voortgezet. Dit is niet gebeurd.

Verzoekster vorderde onder meer de aanzegvergoeding, transitievergoeding, vergoeding voor openstaande verlofuren en overuren. Verweerder voerde verweer dat er mondeling over verlenging was gesproken en dat verzoekster zelf zou zijn vertrokken, maar kon dit niet onderbouwen.

De kantonrechter oordeelde dat de schriftelijke aanzegplicht niet was nageleefd en dat verzoekster niet zelf de arbeidsovereenkomst had beëindigd. Daarom werd de aanzegvergoeding en transitievergoeding toegewezen. Ook de vergoedingen voor openstaande verlof- en overuren werden toegewezen, omdat verweerder geen onderbouwd verweer voerde tegen de door verzoekster gestelde uren.

Verweerder werd tevens veroordeeld in de proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad gegeven.

Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van aanzegvergoeding, transitievergoeding en vergoedingen voor openstaande verlof- en overuren.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer / rekestnummer: 11822411 \ HA VERZ 25-55
Beschikking van 5 november 2025
in de zaak van
[verzoekster],
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. W.P. Ganzeboom,
toevoegingsnummer [nummer 1]
tegen
[verweerder] V.O.F.,
te [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties, ingekomen op 1 augustus 2025;
- het aanvullend verzoekschrift, tevens vermeerdering van eis en akte overlegging producties;
- het door [verzoekster] aan [verweerder] uitgebrachte exploit van 12 september 2025;
- het verweerschrift;
- de mondelinge behandeling van 23 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoekster] is per 1 juni 2024 voor 40 uur per week in dienst getreden bij [verweerder] in de functie van horecamedewerker tegen een salaris van laatstelijk € 2.695,00 bruto per maand inclusief vakantietoeslag en exclusief overuren. De horeca CAO is van toepassing op de arbeidsverhouding.
2.2.
In de arbeidsovereenkomst is in artikel 1.2 opgenomen:
De werknemer is aangenomen voor bepaalde tijd. De arbeidsovereenkomst eindigt op 31-05-2025 van rechtswege, zonder dat opzegging of een andere handeling is vereist.
Hieraan is als voetnoot toegevoegd:
De overeenkomst eindigt zonder opzeggen. Maar: de wet vereist dat uiterlijk een maand voor het einde van een bepaalde tijd van 6 maanden of langer schriftelijk wordt “aangezegd” of de overeenkomst wel of niet wordt voortgezet, en zo ja, onder welke voorwaarden. Als dat niet gebeurt, kan de werknemer maximaal een maandloon vergoeding eisen. In dat geval eindigt de overeenkomst wel degelijk.
2.3.
De arbeidsovereenkomst van [verzoekster] bij [verweerder] is na 31 mei 2025 niet voortgezet.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoekster] verzoekt bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] en haar vennoten te veroordelen om aan [verzoekster] te betalen, onder gelijktijdige overlegging van deugdelijke salarisstroken:
de aanzegvergoeding van € 3.129,08 bruto;
de transitievergoeding van € 1.043,03 bruto;
de vergoeding voor de openstaande verlofuren ad € 2.167,60 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf 1 juli 2025;
de vergoeding voor de overwerkuren, zijnde een bedrag van € 2.836,34 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf 1 juli 2025;
en voorts om aan [verzoekster] te betalen de proceskosten en de nakosten.
3.2.
Aan het verzoek heeft [verzoekster] het volgende ten grondslag gelegd. Aan [verzoekster] is niet aangezegd dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden voortgezet. Ook is geen deugdelijke eindafrekening opgemaakt.
3.3.
[verweerder] voert gemotiveerd verweer en concludeert tot het niet-ontvankelijk verklaren van [verzoekster] in haar vorderingen dan wel deze af te wijzen en haar te veroordelen in de proceskosten.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Hierna worden de verzoeken van [verzoekster] beoordeeld. Deze beoordeling leidt ertoe dat [verweerder] de gevorderde bedragen aan [verzoekster] moet betalen en ook de proceskosten. Omdat [verweerder] wordt veroordeeld, wordt de vordering ook tegen haar vennoten toegewezen, zoals [verzoekster] heeft verzocht [1] .
De aanzegvergoeding wordt toegewezen
4.2.
Zoals in de arbeidsovereenkomst terecht is aangegeven, had [verweerder] jegens [verzoekster] een ‘aanzegplicht’. Dit volgt uit de wet [2] . [verweerder] stelt dat er met [verzoekster] is gesproken over mogelijke verlenging van de arbeidsovereenkomst. Volgens [verweerder] is duidelijk verteld dat niet op dezelfde voorwaarden kon worden doorgegaan wegens bedrijfseconomische omstandigheden.
4.3.
De kantonrechter stelt vast dat geen sprake is geweest van een schriftelijke aanzegging als voorgeschreven in de wet en de arbeidsovereenkomst. Er is door [verweerder] dus niet voldaan aan de op haar rustende verplichting in deze. Dat voor [verzoekster] duidelijk was dat niet zou worden verlengd, doet niet ter zake nu de wet een schriftelijke aanzegging vereist. Overigens is de mondelinge aanzegging, voor zover [verweerder] dat bedoelt, door [verzoekster] gemotiveerd betwist.
4.4.
[verweerder] moet daarom de aanzegvergoeding betalen, waarvan zij de hoogte niet heeft betwist. Dus wordt het verzochte bedrag van € 3.129,08 toegewezen. Over dit bedrag is geen rente gevorderd.
De transitievergoeding wordt toegewezen
4.5.
[verweerder] stelt dat [verzoekster] zelf is vertrokken en dat zij dus zelf de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd. Daarom is geen transitievergoeding verschuldigd, aldus [verweerder] .
4.6.
Op grond van de wet [3] is geen transitievergoeding verschuldigd wanneer de werknemer zelf het dienstverband beëindigt. Dat kan hier naar het oordeel van de kantonrechter echter niet worden aangenomen. [verweerder] stelt dat zij aan [verzoekster] verlenging van de arbeidsovereenkomst heeft aangeboden, maar [verzoekster] zelf is weggegaan. [verzoekster] heeft dit gemotiveerd betwist en [verweerder] heeft dit verweer niet onderbouwd. Beide partijen zeggen dat er een woordenwisseling is geweest tussen [verzoekster] en één van de vennoten, de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ). [verzoekster] stelt dat zij toen de facto is weggestuurd door [naam 1] , [verweerder] stelt dat [verzoekster] zelf de sleutels heeft neergegooid en is vertrokken. Uit de stellingen van partijen kan de kantonrechter niet eenduidig opmaken dat [verzoekster] de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd. Dit strekt te nadele van [verweerder] , omdat zij dit aanvoert als verweer. Van een aanbod tot voortzetting als bedoeld in de wet [4] , blijkt niet.
4.7.
De kantonrechter gaat er dus vanuit dat beëindiging van de arbeidsovereenkomst op initiatief van [verweerder] heeft plaatsgevonden. Daarom moet zij de transitievergoeding aan [verzoekster] betalen. Dit is onweersproken een bedrag van € 1.043,03 bruto. Vermeerdering met rente is niet gevorderd.
De vergoeding voor verlofuren wordt toegewezen
4.8.
[verweerder] erkent dat er nog niet genoten verlofuren aan [verzoekster] moeten worden vergoed. Zij wil samen met [verzoekster] reconstrueren om hoeveel uren het gaat. In deze procedure is dit door [verzoekster] echter gemotiveerd gesteld nu zij uiteen heeft gezet hoeveel uren haar toekomen op grond van de Horeca CAO (200 uren) en hoeveel zij er heeft genoten (72 uren). [verweerder] heeft hiertegen geen onderbouwd verweer gevoerd. Dit lag wel op haar weg, omdat van haar als werkgever verwacht mag worden dat zij bijhoudt hoeveel verlof toegekend en genoten is.
4.9.
Bij gebrek aan een gemotiveerd verweer gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de stellingen van [verzoekster] en wordt het bedrag van € 2.167,60 bruto toegewezen. Omdat [verweerder] dit niet tijdig heeft betaald terwijl zij zelf ook stelt dat er een bedrag verschuldigd was, wordt de gevorderde wettelijke verhoging toegewezen. Ook de rente wordt toegewezen.
De vergoeding voor overuren wordt toegewezen
4.10.
[verzoekster] heeft met een productie onderbouwd dat zij de nodige overuren heeft gemaakt. [verweerder] betwist niet dat er overuren werden gemaakt, maar stelt dat deze gecompenseerd konden worden in tijd en niet werden uitbetaald. Dit laatste is door [verzoekster] echter betwist en door [verweerder] niet onderbouwd. Van [verweerder] mocht worden verwacht dat zij een administratie bijhield van de bedoelde uren, zodat onderbouwd kon worden wanneer er meer en minder is gewerkt door [verzoekster] . Een dergelijke administratie is echter niet overgelegd.
4.11.
De onderbouwde opgave van [verzoekster] is dus niet gemotiveerd betwist. De kantonrechter gaat daarom van de juistheid van die opgave uit en wijst het verder onweersproken bedrag van € 2.836,34 toe. Ook hierover wordt de maximale wettelijke verhoging en de wettelijke rente toegewezen.
[verweerder] moet de proceskosten betalen
4.12.
[verweerder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. De kantonrechter zal deze begroten op € 90,00 aan griffierecht, € 543,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten, dus € 768,00 in totaal.

5.De beslissing

5.1.
veroordeelt [verweerder] en haar vennoten, [naam 2] en [naam 1] , hoofdelijk, om aan [verzoekster] te betalen, onder overlegging van deugdelijke salarisstroken:
- de aanzegvergoeding van € 3.129,08 bruto;
- de transitievergoeding van € 1.043,03 bruto;
- de vergoeding voor de openstaande verlofuren ad € 2.167,60 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf 1 juli 2025;
- de vergoeding voor de overwerkuren, zijnde een bedrag van € 2.836,34 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf 1 juli 2025,
5.2.
veroordeelt [verweerder] en haar vennoten, [naam 2] en [naam 1] , hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van [verzoekster] begroot op € 768,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] en haar vennoten niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en de beschikking daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [5] ,
5.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025.
560

Voetnoten

1.Artikel 18 Wetboek Pro van Koophandel
2.Artikel 7:668 lid 1 BW Pro.
3.Artikel 7:673 BW Pro
4.Artikel 7:673 lid Pro 1, sub 1 onder 3 BW
5.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.