ECLI:NL:RBGEL:2025:10068

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
14 november 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
11820495
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen verstekvonnis inzake zorgverzekeringsovereenkomst en betalingsregeling

In deze zaak gaat het om een verzetprocedure van [eiser 1] tegen een verstekvonnis dat op 28 maart 2025 is gewezen. [eiser 1] had een zorgverzekeringsovereenkomst met VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V. en werd door VGZ gedagvaard wegens het niet betalen van de premie. Na het verstekvonnis heeft [eiser 1] verzet aangetekend, waarin hij vernietiging van het verstekvonnis vorderde en de afwijzing van de vorderingen van VGZ. De kantonrechter heeft de argumenten van [eiser 1] beoordeeld en geconcludeerd dat het verzet niet slaagt. De kantonrechter oordeelt dat [eiser 1] tijdig in verzet is gekomen, maar dat hij de betalingsregeling ten onrechte niet is nagekomen. De kantonrechter stelt vast dat [eiser 1] zijn stellingen niet voldoende heeft onderbouwd en dat VGZ nog een bedrag van € 306,76 te vorderen heeft. Het verzet van [eiser 1] wordt ongegrond verklaard en het verstekvonnis blijft in stand. Tevens wordt [eiser 1] veroordeeld in de proceskosten van de verzetprocedure, die zijn begroot op € 82,00.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11820495 \ CV EXPL 25-2178
Vonnis van 14 november 2025
in de zaak van
[eiser 1],
te [woonplaats] ,
eisende partij in verzet,
hierna te noemen: [eiser 1] ,
gemachtigde: mr. B.J.F. Hofmans,
toevoegingsnummer 2GZ9492,
tegen
de naamloze vennootschap
VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,
te Arnhem,
gedaagde partij in verzet,
hierna te noemen: VGZ.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de verzetdagvaarding van 30 juni 2025;
- de conclusie van antwoord in verzet met producties;
- de conclusie van repliek in verzet met een productie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Waar de zaak over gaat

2.1.
[eiser 1] heeft met VGZ een zorgverzekeringsovereenkomst gesloten. Volgens VGZ heeft [eiser 1] niet altijd de premie betaald. Daarom heeft zij [eiser 1] gedagvaard tot betaling van een bedrag van € 377,34 inclusief rente en kosten en verder de proceskosten.
2.2.
[eiser 1] is in de procedure niet verschenen, zodat hij bij verstekvonnis van
28 maart 2025 (zaaknummer 11612581/25-985) is veroordeeld tot betaling van de vorderingen van VGZ. [eiser 1] komt nu in verzet tegen dit vonnis en vordert vernietiging van het verstekvonnis en dat de vorderingen van VGZ alsnog worden afgewezen. VGZ stelt dat het verstekvonnis op goede gronden is gewezen.
2.3.
De kantonrechter beoordeelt hierna de argumenten van [eiser 1] en komt tot het oordeel dat het verzet niet slaagt en het verstekvonnis in stand blijft.

3.De beoordeling

[eiser 1] is tijdig in verzet gekomen
3.1.
Het verstekvonnis is op 2 juni 2025 door de deurwaarder bij [eiser 1] in de brievenbus gedaan. [eiser 1] is vervolgens op 30 juni 2025 in verzet gekomen. Dit is binnen vier weken [1] nadat hij kon weten van het verstekvonnis en dus tijdig. VGZ erkent dit ook.
[eiser 1] is de betalingsregeling ten onrechte niet nagekomen
3.2.
[eiser 1] erkent dat hij een betalingsachterstand had bij VGZ. Hij heeft daarvoor een betalingsregeling gesloten. Uit de stukken van VGZ blijkt dat de achterstand € 909,94 was en de regeling inhield dat [eiser 1] vanaf februari 2024 € 90,99 per maand moest betalen. Hij moest dit negen keer doen en daarna eenmaal € 91,03. Daarmee zou zijn schuld afbetaald zijn. Uit de stukken blijkt verder dat [eiser 1] zes keer het bedrag van € 90,99 heeft betaald en één keer een bedrag van € 57,24.
3.3.
Volgens [eiser 1] betaalde hij de regeling via betalingsverzoeken van VGZ. Vervolgens ontving hij in mei 2024 een bedrag van € 293,90 van VGZ. In juni 2024 ontving hij weer een betalingsverzoek. In juli 2024 hoefde [eiser 1] nog maar een bedrag van € 57,24 te betalen, aldus [eiser 1] . Daarna ontving hij geen betalingsverzoeken meer en ook geen aanmaningen, zo stelt [eiser 1] .
3.4.
De kantonrechter stelt vast dat [eiser 1] zijn stellingen niet heeft onderbouwd. Het gestelde ontvangen bedrag van € 293,90 blijkt nergens uit en is ook niet in het door VGZ overgelegde overzicht terug te vinden. [eiser 1] heeft ook niet uitgelegd wat hij bedoelt met deze stelling, in het bijzonder waarom dit volgens hem maakt dat moet worden aangenomen dat hij niets meer hoefde te betalen. Ook de stelling dat hij in juli 2024 nog maar € 57,24 hoefde te betalen, is niet toegelicht door [eiser 1] . De kantonrechter ziet wel dat hij dit bedrag feitelijk heeft betaald, maar waarom is onduidelijk. [eiser 1] had immers met VGZ afgesproken dat hij negen keer € 90,99 zou betalen en één keer € 91,03. Waarom hij heeft aangenomen dat hij maar zes keer hoefde te betalen en één keer een veel lager bedrag, is door [eiser 1] niet gesteld.
3.5.
[eiser 1] is vervolgens ook wel degelijk aangemaand door VGZ. Dit heeft hij niet voldoende gemotiveerd betwist. VGZ heeft nog een restant, na verwerking van de betalingen van [eiser 1] , van € 306,76 te vorderen. Dit bedrag is, anders dan [eiser 1] stelt, opeisbaar.
Het verzet van [eiser 1] is ongegrond
3.6.
[eiser 1] heeft niets gesteld dat maakt dat anders moet worden geoordeeld dan in het verstekvonnis is gedaan. Het verzet is ongegrond en het verstekvonnis blijft in stand.
[eiser 1] moet de proceskosten van het verzet betalen
3.7.
[eiser 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van de verzetprocedure betalen. De proceskosten van VGZ worden begroot op:
- salaris gemachtigde
82,00
(1 punt × € 82,00)
Totaal
82,00

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
bekrachtigt het op 28 maart 2025 gewezen verstekvonnis onder zaaknummer 1161258 CV EXPL 25-985 / 806-IT,
4.2.
veroordeelt [eiser 1] in de kosten van de verzetprocedure, tot deze uitspraak aan de kant van VGZ begroot op € 82,00 aan salaris voor de gemachtigde,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2025.
560

Voetnoten

1.Artikel 143 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering