Vader, langstlevende erfgenaam, vordert in kort geding gedeeltelijke opheffing van een escrow-overeenkomst waarin een bedrag van €876.242,- is gestort vanwege beslaglegging door zijn kinderen op een onroerende zaak uit de nalatenschap van moeder. De kinderen stellen dat vader geen spoedeisend belang heeft en dat hun vorderingen, waaronder geldleningen, wel opeisbaar zijn.
De rechtbank oordeelt dat vader wel een spoedeisend belang heeft vanwege zijn levensstandaard en kosten. Er is vastgesteld dat een deel van de vorderingen van de kinderen niet opeisbaar is, waaronder de erfdelen zoals bepaald in een eerdere uitspraak. De belangenafweging leidt ertoe dat het belang van vader zwaarder weegt, waardoor een bedrag van €350.000,- uit escrow wordt vrijgegeven.
De vorderingen van vader om het vonnis in de plaats van de handtekening van de kinderen te stellen, de escrow-overeenkomst te wijzigen, en een verbod op nieuw beslag worden afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd, ieder draagt zijn eigen kosten.