ECLI:NL:RBGEL:2025:10072

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
456131
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:258 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing gedeeltelijke escrow en belangenafweging bij niet opeisbare erfdelen

Vader, langstlevende erfgenaam, vordert in kort geding gedeeltelijke opheffing van een escrow-overeenkomst waarin een bedrag van €876.242,- is gestort vanwege beslaglegging door zijn kinderen op een onroerende zaak uit de nalatenschap van moeder. De kinderen stellen dat vader geen spoedeisend belang heeft en dat hun vorderingen, waaronder geldleningen, wel opeisbaar zijn.

De rechtbank oordeelt dat vader wel een spoedeisend belang heeft vanwege zijn levensstandaard en kosten. Er is vastgesteld dat een deel van de vorderingen van de kinderen niet opeisbaar is, waaronder de erfdelen zoals bepaald in een eerdere uitspraak. De belangenafweging leidt ertoe dat het belang van vader zwaarder weegt, waardoor een bedrag van €350.000,- uit escrow wordt vrijgegeven.

De vorderingen van vader om het vonnis in de plaats van de handtekening van de kinderen te stellen, de escrow-overeenkomst te wijzigen, en een verbod op nieuw beslag worden afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd, ieder draagt zijn eigen kosten.

Uitkomst: De rechtbank beveelt gedeeltelijke opheffing van escrow en vrijgave van €350.000 aan vader.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/456131 / KZ ZA 25-142
Vonnis in kort geding van 24 november 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: ‘vader’,
advocaat: mr. N. Nijenhuis-Kloosterboer,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
3.
[gedaagde 3],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: ‘de kinderen’,
advocaat: mr. R. Teerink.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding inclusies 7 producties
- de producties 8 tot en met 12 van vader
- de akte wijziging van eis
- de conclusie van antwoord inclusief 14 producties
- de mondelinge behandeling van 10 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van vader
- de pleitnota van de kinderen.

2.De feiten

2.1.
Bij de beoordeling van dit kort geding zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
2.2.
Vader is gehuwd geweest met mevrouw [naam 1] (hierna: moeder). Uit dit huwelijk zijn de kinderen geboren.
2.3.
Moeder is overleden op [datum] . Zij had een testament opgesteld en daarin heeft zij – voor zover hier van belang – vader en de kinderen benoemd tot erfgenamen, ieder voor 1/4 gedeelte van haar nalatenschap. Aan vader heeft zij het vruchtgebruik van de aan de kinderen toekomende erfdelen gelegateerd. Daarnaast heeft moeder alle goederen van haar nalatenschap toegedeeld aan vader en aan de kinderen en heeft zij ten laste van vader een vordering wegens overbedeling toegekend, ieder voor het bedrag van het aan hem óf haar toekomende erfdeel in het saldo van de nalatenschap. Tot de nalatenschap behoorde onder meer de onroerende zaak die is gelegen aan [adres en plaats] , ook wel genaamd het landgoed [naam 2] .
2.4.
Moeder en vader woonden hun laatste gezamenlijke jaren op het landgoed [naam 2] . Vader heeft dit landgoed in 2012 te koop gezet omdat hij de kosten van dit landgoed niet kon dragen van zijn pensioen. In 2024 is een koopovereenkomst gesloten voor de woning die op maandag 20 januari 2025 zou worden geleverd. Op dinsdag 14 januari 2025 is verlof tot beslag verleend en is door de kinderen beslag gelegd op de woning. Vader heeft daarvan kennisgenomen op donderdag 16 januari 2025.
2.5.
Omdat nog maar twee werkdagen resteerden tot de leverdatum en een boete dreigde te worden verbeurd is op 18 januari 2025 een zogeheten escrow-overeenkomst opgesteld waarbij een bedrag van € 876.242,- bij de notaris in bewaring is gebleven. Dit is het bedrag waarvoor het beslagverlof was verleend.
2.6.
In de escrow-overeenkomst is opgenomen dat het bedrag of een gedeelte daarvan wordt uitbetaald in het geval de notaris van alle partijen schriftelijk een gelijkluidende opdracht hiertoe ontvangt of indien de claim van de kinderen is afgewikkeld. Dat laatste is het geval indien er een in kracht van gewijsde gegane uitspraak is, waaruit blijkt wat aan partijen toekomt.
2.7.
In de afgelopen vijf jaar voorafgaand aan het gelegde beslag hebben partijen een procedure gevoerd over vaststelling van de erfdelen van de kinderen. Op 18 februari 2025 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Tilburg uitspraak gedaan. Daarin is de geldvordering van de kinderen op vader, uit hoofde van het testament van hun moeder, vastgesteld op € 141.394,22 per kind. Tegen deze beschikking is geen hoger beroep ingesteld.
2.8.
Naast de procedure over de vastlegging van de erfdelen hebben de kinderen een procedure aanhangig gemaakt bij deze rechtbank omdat zij van mening zijn dat tussen hen en vader geldleningsovereenkomsten hebben bestaan op grond waarvan vader hen terugbetaling en rente verschuldigd is. In die zaak heeft op 29 oktober 2025 een mondelinge behandeling plaatsgevonden.
2.9.
Partijen hebben geprobeerd tot overeenstemming te komen over het vrijgeven van (een gedeelte van) het bedrag in escrow, maar dat is tot op heden niet gelukt.

3.Het geschil

3.1.
Vader vordert na wijziging van eis – samengevat – om bij vonnis in kort geding:
3.1.1.
de kinderen te veroordelen om de door hen ten laste van vader opgestelde escrow geheel of gedeeltelijk, althans voor het bedrag van de niet opeisbare erfdelen en schulderkenning, op te heffen, waardoor de notaris gerechtigd is het door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag aan vader uit te keren en het vonnis in de plaats treedt van de handtekening van de kinderen, dan wel de escrow-overeenkomst dienovereenkomstig aan te passen;
3.1.2.
aan de kinderen een verbod op te leggen om opnieuw beslag te leggen onder vader voor een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag;
3.1.3.
de kinderen te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.
3.2.
Vader legt aan de vordering – verkort weergegeven – het volgende ten grondslag. Het door de kinderen gelegde beslag ontbeert deugdelijk onderzoek en is in strijd met het testament van moeder. Vader heeft een veel lager bedrag aan vermogen ontvangen. Vader heeft een spoedeisend belang bij zijn vorderingen gelet op zijn leeftijd en omdat hij van zijn huidige inkomen niet al zijn lasten kan voldoen. Daarom moet hij kunnen beschikken over het bedrag in escrow. Vader kan niet wachten tot de bodemprocedure over de geldleningen is afgerond. Daarnaast hebben de kinderen geen opeisbare vordering voor wat betreft hun erfdelen en zal daarvoor ook geen executoriale titel komen, zodat het geld moet worden vrijgegeven. Met de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 februari 2025 is sprake van een in kracht van gewijsde gegane uitspraak waaruit blijkt wat de kinderen toekomt. Omdat deze vordering niet opeisbaar is, dient (in ieder geval) het bedrag van driemaal € 141.394,22 aan vader te worden uitgekeerd. Ten aanzien van de schulderkenning staat ook duidelijk in de akte dat deze niet opeisbaar is tot het overlijden van de langstlevende ouder. Volgens vader ligt aan de vermeende geldleningen geen overeenkomst ten grondslag, dan wel is een deel verjaard en verteerd en is de berekening niet juist. Een belangenafweging dient in het voordeel van vader uit te vallen. Gelet op het voorgaande bestaan meerdere gronden op basis waarvan het bedrag in escrow moet worden verlaagd of opgeheven. De kinderen hebben geen opeisbare vorderingen voor wat betreft hun erfdelen en vader heeft het recht om als langstlevende ongestoord verder te leven. Door het bedrag van de verkoopopbrengst in escrow te plaatsen, wordt vader belemmerd in de kern van zijn bevoegdheden als vruchtgebruiker over de hele nalatenschap van moeder en zijn eigen vermogen en dat maakt inbreuk op de wens van moeder om hem verzorgd achter te laten.
3.3.
De kinderen voeren verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van vader, dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van vader in de kosten van deze procedure.
3.4.
De kinderen voeren – verkort weergegeven – het volgende aan. Zij betwisten dat vader een spoedeisend belang heeft. Vader heeft in januari 2025 nog een bedrag van € 121.000,- ontvangen, hij heeft een goed pensioen en hij ontvangt AOW. Hij heeft dus geen spoedeisend belang om over het bedrag in escrow te beschikken. Verder stellen de kinderen dat vader en moeder op 20 december 1996 een bedrag van (omgerekend) € 17.751 aan ieder van de kinderen hebben geschonken, onder bepaling dat deze bedragen in bepaalde gevallen opeisbaar zijn en de verplichting om jaarlijks een rente van zes procent te vergoeden aan ieder van de kinderen, te voldoen op 31 december. Vader en moeder hebben jaarlijks rente betaald, maar vanaf 2009 respectievelijk 2010 hebben de kinderen geen rente meer ontvangen. Ook hebben vader en moeder enkele malen een schenking gedaan aan ieder van de kinderen waarna de kinderen die bedragen vervolgens in lening hebben verstrekt aan vader en moeder. Omdat vader naliet de verschuldigde rente te voldoen, hebben de kinderen op 9 januari 2025 de ontbinding ingeroepen van de overeenkomsten van geldlening. De voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland West-Brabant heeft op 14 januari 2025 verlof verleend om beslag te leggen op het landgoed [naam 2] . Vader wenste opheffing van dat beslag en overleg tussen partijen heeft ertoe geleid dat zij met notaris [naam 3] een escrow-overeenkomst hebben gesloten. Hierdoor heeft levering van het landgoed kunnen plaatsvinden en is een bedrag van € 874.242,- in depot gebleven. Vader heeft een bedrag ontvangen van ruim € 121.000,- en de huidige echtgenote van vader een bedrag van bijna € 375.000,- ontvangen. De afspraken die partijen hebben gemaakt, brengen met zich dat vader in kort geding geen opheffing van de escrow kan vorderen. Partijen hebben immers geen overeenstemming bereikt en vader heeft laten weten dat hij niet bereid is tot overleg. Daarnaast is er geen in kracht van gewijsde gegane uitspraak waaruit volgt dat de claim van de kinderen geheel of gedeeltelijk is toegewezen of afgewezen. Het belang van de kinderen bij handhaving van het depot moet zwaarder wegen. De kinderen hebben gegronde vrees dat vrijgave van het depot met zich zal brengen dat het vermogen van vader zal verdwijnen en de verplichtingen jegens de kinderen niet nagekomen kunnen worden.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
Spoedeisend belang
4.2.
Ten aanzien van het spoedeisend belang is gedurende de procedure duidelijk geworden dat vader een bepaalde levensstandaard heeft die kosten met zich brengt en dat hij daarnaast nog andere (hoge) kosten heeft zoals gezondheidskosten en de aanslagen van de belastingdienst. Dat brengt met zich dat vader op korte termijn over meer geld dan zijn huidige inkomen moet kunnen beschikken waarmee het spoedeisend belang van vader in voldoende mate is gegeven. Vader is daarmee ontvankelijk in zijn vorderingen.
Deels geen opeisbare vordering, geen regeling kunnen treffen
4.3.
Niet in geschil is dat een deel van het bedrag in escrow ziet op niet opeisbare vorderingen van de kinderen op vader. Dat betreft in ieder geval de erfdelen zoals vastgesteld in de beschikking van 18 februari 2025 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Deze vorderingen zullen ook niet op korte termijn opeisbaar worden. Ter zitting hebben de kinderen een voorstel gedaan om in kort geding tot een oplossing te komen. Vader zou tijdens de mondelinge behandeling telefonisch bereikbaar zijn voor overleg, maar zowel zijn advocaat als de voorzieningenrechter hebben hem tevergeefs meermaals telefonisch proberen te bereiken. Om die reden kon ter zitting geen regeling worden getroffen.
Belangenafweging
4.4.
Vader heeft in de kern als belang bij het kunnen beschikken over het bedrag in escrow aangevoerd dat hij nu als langstlevende wordt belemmerd om zijn laatste levensjaren door te brengen zoals hij dat wenst en zoals hij gewend is. Dit maakt inbreuk op de wens van moeder om hem verzorgd achter te laten. Daartegenover staat vast dat een deel van de vorderingen van de kinderen niet opeisbaar is en dat het testament van moeder ook geen beperkingen oplegt aan vader in uitoefening van zijn aanspraken als erfgenaam en langstlevende. In die situatie dient het belang van vader zwaarder te wegen dan het belang van de kinderen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het dan ook redelijk dat een deel van het bedrag in escrow, namelijk € 350.000,-, wordt vrijgegeven. Dit bedrag is gelegen tussen het ter zitting door de kinderen aangeboden bedrag en het bedrag van de niet opeisbare erfdelen en stelt vader in voldoende mate in staat om zijn levensstandaard in ieder geval voorlopig voort te zetten.
4.5.
De voorzieningenrechter zal de vordering dat het vonnis in de plaats treedt van de handtekening van de kinderen afwijzen. Gedurende deze procedure is niet gebleken dat de kinderen niet zullen meewerken aan het gedeeltelijk vrijgeven van het bedrag in escrow als zij daartoe in dit kort geding zouden worden veroordeeld. Ook wordt de vordering om de escrow-overeenkomst dienovereenkomstig te wijzigen afgewezen. Uitgangspunt van de overeenkomst is ‘pacta sunt servanda’, namelijk dat wat partijen hebben afgesproken moeten zij nakomen en daar hebben partijen ook voor getekend. De rechter kan ingevolge artikel 6:258 van Pro het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de gevolgen van een overeenkomst wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten, maar van dergelijke onvoorziene omstandigheden is hier geen sprake.
Vordering verbod tot het opnieuw leggen beslag
4.6.
De vordering om aan de kinderen een verbod op te leggen om opnieuw beslag te leggen onder vader voor een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag zal worden afgewezen. Vader heeft deze vordering eerst ingesteld in zijn wijziging van eis en niet toegelicht in zijn dagvaarding of in zijn pleidooi ter zitting. Daar komt bij dat met een dergelijk verbod de weg naar de rechter wordt beperkt en dat kan slechts in zeer bijzondere omstandigheden, die hier niet zijn gesteld of onderbouwd, worden toegewezen. Ook kan een situatie in de toekomst veranderen waardoor er mogelijk opnieuw aanleiding bestaat voor de kinderen om beslag te laten leggen onder vader.
Proceskosten
4.7.
Gelet op de relatie tussen partijen en omdat vader deels in het gelijk en deels in het ongelijk is gesteld, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt de kinderen om de door hen ten laste van vader opgestelde escrow bij notaris [naam 3] te Apeldoorn gedeeltelijk, te weten voor een bedrag van € 350.000,-, op te heffen, waardoor de notaris gerechtigd is dit bedrag aan vader uit te keren,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2025.
1518