ECLI:NL:RBGEL:2025:10113

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
ARN 24/8222
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de rijgeschiktheid van een eiser na alcoholmisbruik door het CBR

In deze zaak heeft de rechtbank Gelderland geoordeeld over het beroep van eiser tegen het besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) waarin hem werd meegedeeld dat hij niet rijgeschikt is. Eiser, die in het verleden problemen heeft gehad met alcoholmisbruik, was het niet eens met dit besluit en heeft verschillende beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank heeft vastgesteld dat het CBR op basis van een medisch rapport van psychiater S. Berendsen tot de conclusie is gekomen dat eiser niet rijgeschikt is voor het besturen van voertuigen van verschillende categorieën. De rechtbank heeft het beroep van eiser ongegrond verklaard, omdat het besluit van het CBR geen onevenredige gevolgen voor hem heeft. Eiser had procesbelang bij de beoordeling van zijn beroep, ondanks dat hij inmiddels weer in het bezit was van een geldig rijbewijs. De rechtbank heeft benadrukt dat de regelgeving omtrent rijgeschiktheid strikt is en dat er geen ruimte is voor een belangenafweging op basis van persoonlijke omstandigheden. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de recidiefvrije periode van een jaar, zoals vastgesteld in de Regeling eisen rijgeschiktheid 2000, gerechtvaardigd is in het belang van de verkeersveiligheid. Eiser krijgt geen terugbetaling van griffierecht of proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8222

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. P.H. van Gils),
en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR

(gemachtigde: S.J.W. van de Vorstenbosch).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het CBR dat eiser niet rijgeschikt is. Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het CBR terecht heeft besloten dat eiser niet rijgeschikt is.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit om eiser rijongeschikt te verklaren geen onevenredige gevolgen heeft. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. In het besluit van 30 juli 2024 heeft het CBR eiser meegedeeld dat hij niet rijgeschikt is. Met het bestreden besluit van 2 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is het CBR bij het besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CBR.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 12 april 2024 heeft eiser een gezondheidsverklaring ingediend om een beoordeling van het CBR over zijn rijgeschiktheid te krijgen ten aanzien van zijn vrachtwagenrijbewijs. Het CBR heeft eiser doorverwezen naar een arts. Omdat het CBR naar aanleiding van de uitslag van deze onderzoeken nog meer informatie nodig had, is eiser doorverwezen naar een cardioloog en een psychiater.
3.1.
Eiser is op 1 juli 2024 medisch gekeurd door psychiater S. Berendsen. In het rapport van 30 juli 2024 concludeert de psychiater dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat er op het moment van het onderzoek sprake is van alcoholmisbruik. Eiser is echter in april 2024 nog (klinisch) opgenomen geweest voor alcoholmisbruik, nadat hij in 2023 ook al eens hiervoor is opgenomen. De psychiater concludeert dat de stopdatum 30 april 2024 is, en dat eiser daarom ten tijde van het onderzoek nog geen jaar abstinent is. De psychiater adviseert om eiser niet rijgeschikt te verklaren.
3.2.
Bij besluit van 30 juli 2024 heeft het CBR eiser meegedeeld dat hij niet rijgeschikt is voor voertuigen van de categorieën B, BE, C1, C, C1E, CE en T. Met het bestreden besluit van 2 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is het CBR bij dat besluit gebleven.
Procesbelang
4. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij de behandeling van zijn beroep, omdat eiser inmiddels weer in het bezit is van een geldig rijbewijs. Procesbelang is namelijk aanwezig als het resultaat dat eiser nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor hem feitelijk betekenis kan hebben. Vanwege de diagnose van alcoholmisbruik is de geldigheid van het rijbewijs echter beperkt tot één jaar. Als zijn rijbewijs niet ongeldig was verklaard, zou dat voor onbepaalde tijd zijn. Daarnaast heeft eiser de onderzoeken zelf moeten betalen en wil hij dat het CBR die kosten terugbetaalt als zijn beroep slaagt. Gelet daarop heeft eiser procesbelang bij een beoordeling van het bestreden besluit.
Het toetsingskader
5. Op grond van artikel 103, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen registreert het CBR in het rijbewijzenregister een verklaring van geschiktheid als de aanvrager naar het oordeel van het CBR voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft. De in dit artikel genoemde ministeriële regeling is de Regeling eisen rijgeschiktheid 2000 (Regeling).
5.1.
Op grond van paragraaf 8.8 van de bijlage bij de Regeling zijn personen die misbruik maken van psychoactieve middelen zonder meer niet rijgeschikt. Als zij zijn gestopt met het misbruik, kunnen zij na een recidiefvrije periode van een jaar opnieuw worden gekeurd op rijgeschiktheid. Voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen is een specialistisch rapport nodig. Daarbij is een strenge opstelling van de keurend arts aangewezen, vanwege de verkeersveiligheid.
Ingetrokken beroepsgronden
6. Eiser voerde in beroep aan dat het psychiatrisch rapport niet voldoet aan de vereisten van paragraaf 8.8 van de bijlage bij de Regeling en dat eiser ten onrechte is aangemerkt als iemand die alcohol misbruikt. Op de zitting heeft hij deze beroepsgronden ingetrokken.
Is het besluit om eiser rijongeschikt te verklaren in strijd met het evenredigheidsbeginsel?
7. Eiser betoogt dat het besluit om hem rijongeschikt te verklaren voor hem onevenredige gevolgen heeft. Eiser is namelijk nooit aangehouden met te veel alcohol op achter het stuur. De conclusie van de psychiater is alleen gebaseerd op de eigen verklaringen van eiser naar aanleiding van een gezondheidsverklaring voor slechts zijn vrachtwagenrijbewijs. De abstinentieperiode van een jaar is niet vastgelegd in een wet in formele zin, zodat het wettelijke evenredigheidsbeginsel moet prevaleren. Eiser dreigde zijn werk kwijt te raken. Het CBR had een minder zwaar middel in kunnen zetten, namelijk alleen de rijbewijzen van groep 2 ongeldig verklaren. De Regeling moet daarom in het geval van eiser onverbindend worden verklaard.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de Regeling volgt dat iemand rijongeschikt is als er sprake is van alcoholmisbruik. Daarbij is niet relevant of iemand met alcohol op achter het stuur is betrapt. Deze regelgeving is streng (dwingend) en laat geen ruimte om een belangenafweging te maken en op grond van persoonlijke omstandigheden daarvan af te wijken. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen kan er aanleiding bestaan om tegen de wet in te gaan (contra-legem). Dan moeten er zeer bijzondere omstandigheden zijn waarmee de wetgever geen rekening heeft gehouden en die maken dat toepassing van de wettelijke regels zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of ongeschreven recht dat de regels daarom niet moeten worden toegepast. [1]
7.2.
Dat soort zeer bijzondere omstandigheden zijn er in dit geval niet. De rechtbank begrijpt dat eiser voor zijn werk afhankelijk is van zijn rijbewijs en dat hij zonder zijn rijbewijs zijn werk mogelijk niet kon voortzetten. De rechtbank begrijpt ook dat het voor eiser zonder zijn rijbewijs heel lastig was om naar afspraken te gaan, nu eiser afgelegen woont en afhankelijk was van het openbaar vervoer. De lastige situatie van eiser wijkt echter niet af van de situatie van andere mensen die als gevolg van de ongeschiktheidsverklaring problemen krijgen met hun werk omdat zij voor hun werk afhankelijk zijn van het rijbewijs. De problemen van eiser zijn daarom niet bijzonder genoeg.
7.3.
Eiser kon pas na het verstrijken van de recidiefvrije periode van een jaar (gerekend vanaf 30 april 2024) op grond van nieuw medisch onderzoek weer geschikt worden geacht. De rechtbank begrijpt dat eiser dit een (te) lange periode vindt. Deze recidiefvrije periode van een jaar is echter gebaseerd op onderzoek waaruit blijkt dat er een grote kans op terugval is in deze periode en is dus bewust gekozen in verband met de verkeersveiligheid.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit dat eiser rijongeschikt is in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Ebbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ABRvS 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, ro. 9.11.