In deze kortgedingprocedure vordert eiser de opheffing van beslagen die gelegd zijn op roerende zaken, aandelen, een bankrekening en een woning. De voorzieningenrechter beoordeelt allereerst de geldigheid van het beslagverlof en stelt vast dat dit niet nietig is, ondanks een mogelijke verkeerde toedeling binnen de rechtbank.
Vervolgens wordt de vraag of de vordering summierlijk ondeugdelijk is besproken. Partijen verschillen van mening over de feiten na aflevering van een Porsche bij een logistiek bedrijf, waarbij camerabeelden niet duidelijk maken wie de transporter heeft weggenomen. Dit zal in de bodemprocedure worden uitgezocht. Ook is aannemelijk dat eiser schade heeft veroorzaakt door de Porsche weg te nemen.
De belangenafweging weegt mee dat het beslag op de roerende zaken een belemmering vormt voor eiser, maar dat het beslag op aandelen, bankrekening en woning onvoldoende verhaal biedt voor de vordering van €250.000, mede doordat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd over de waarde van deze activa. Hierdoor wordt de vordering tot opheffing van het beslag afgewezen. De proceskosten worden aan eiser opgelegd en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.