ECLI:NL:RBGEL:2025:10358

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
84925
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVW 1994Art. 8 WVW 1994Art. 107 WVW 1994Art. 116 lid 1 WVW 1994Art. 19 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling rijden onder invloed en zonder rijbewijs met ernstig verkeersongeval

Op 4 oktober 2024 veroorzaakte verdachte op de Rijksweg A1 te Terschuur een verkeersongeval waarbij meerdere voertuigen betrokken waren en drie inzittenden van een andere auto ernstig gewond raakten. Verdachte reed zonder geldig rijbewijs en onder invloed van alcohol met een ademalcoholgehalte van 690 microgram per liter uitgeademde lucht.

De rechtbank stelde vast dat verdachte niet wist dat zijn Poolse rijbewijs was ingetrokken, maar oordeelde dat dit geen vrijstelling van strafbaarheid oplevert. Verdachte werd gewezen op zijn recht op tegenonderzoek bij de ademanalyse, wat correct is verlopen ondanks zijn mogelijk beperkte aanspreekbaarheid door alcoholgebruik.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend reed, niet tijdig kon remmen en een aanrijding veroorzaakte met ernstig lichamelijk letsel bij de slachtoffers. Verdachte toonde na het ongeval een onverschillige houding en heeft geen contact gezocht met de slachtoffers.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot 12 maanden gevangenisstraf, een rijontzegging van 36 maanden en een geldboete van €340,- wegens de combinatie van feiten: rijden onder invloed, zonder geldig rijbewijs en het veroorzaken van een ernstig verkeersongeval.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, 36 maanden rijontzegging en een geldboete van €340,- wegens rijden onder invloed, zonder geldig rijbewijs en veroorzaken van een ernstig verkeersongeval.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.084925.25
Datum uitspraak : 25 november 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1998 in [plaats] (Polen),
wonende aan de [adres] ,
Raadsman mr. R.F.M. Gerritsen, advocaat in Breda.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Terschuur binnen de gemeente Barneveld, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), komende uit de richting van Groesbeek en/of gaande in de richting van Barneveld, daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A1, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorvoertuigen, waartoe dat motorvoertuig behoorde en/of,
terwijl het donker was en/of
terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/of
terwijl hij met het door hem bestuurde motorrijtuig reed op rijstrook 1 (de linker rijstrook) en/of
terwijl een personenauto (bestuurd door [slachtoffer 1] ) al enige tijd en/of afstand voor hem reed,
- niet of in onvoldoende mate heeft gekeken kijken en/of is blijven kijken naar het direct voor hem gelegen weggedeelte van die rijstrook en/of weg (de Rijksweg A1) en/of het zich op die rijstrook en/of weg bevindend verkeer en/of
- tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat heeft vast gehouden en/of heeft bediend en/of daarbij zijn aandacht niet, althans in onvoldoende mate op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehad, en/of;
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg (Rijksweg A1) kon overzien en waarover deze vrij was, bij nadering van ander voertuig (personenauto) en/of
- niet heeft geremd voor de voor hem uit rijdende personenauto en/of
- met het door hem bestuurde motorrijtuig gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, een voor hem uit rijdende personenauto en (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een andere personenauto (bestelbus en/of bedrijfsauto),
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan (een) ander(en) (te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
hij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Terschuur binnen de gemeente Barneveld, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), komende uit de richting van Groesbeek en/of gaande in de richting van Barneveld, daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A1,
zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorvoertuigen, waartoe dat motorvoertuig behoorde en/of
terwijl het donker was en/of
terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/of
terwijl hij met het door hem bestuurde motorrijtuig reed op rijstrook 1 (de linker rijstrook) en/of
terwijl een personenauto (bestuurd door [slachtoffer 1] ) al enige tijd en/of afstand voor hem reed,
- niet of in onvoldoende mate heeft gekeken kijken en/of is blijven kijken naar het direct voor hem gelegen weggedeelte van die rijstrook en/of weg (de Rijksweg A1) en/of het zich op die rijstrook en/of weg bevindend verkeer en/of
- tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat heeft vast gehouden en/of heeft bediend en/of daarbij zijn aandacht niet, althans in onvoldoende mate op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehad, en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg (Rijksweg A1) kon overzien en waarover deze vrij was, bij nadering van ander voertuig (personenauto) en/of
- niet heeft geremd voor de voor hem uit rijdende personenauto en/of
- met het door hem bestuurde motorrijtuig gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, een voor hem uit rijdende personenauto en (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een andere personenauto (bestelbus en/of bedrijfsauto),
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Terschuur, gemeente Barneveld als bestuurder van een voertuig (personenauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Rijksweg A1, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij met het door hem bestuurde motorrijtuig gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, een voor hem uit rijdende personenauto en (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een andere personenauto (bestelbus en/of bedrijfsauto);
2.
hij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Terschuur, gemeente Barneveld, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 690 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder dat aan hem een rijbewijs was afgegeven;
3.
hij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Terschuur, gemeente Barneveld als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Rijksweg A1, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 4 oktober 2024 heeft te Terschuur, gemeente Barneveld, op de rijksweg A1 een verkeersongeval plaatsgevonden, waarbij een door verdachte bestuurde auto (een BMW) en een andere auto (een Volvo) met drie inzittenden waren betrokken. De inzittenden van de Volvo zijn bij het ongeval gewond geraakt. [2]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994), aan het rijden onder invloed en aan het rijden zonder geldig rijbewijs.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman vrijspraak bepleit ten aanzien van hetgeen primair en subsidiair ten laste is gelegd. Met betrekking tot feit 2 en subsidiair ten aanzien van feit 1, heeft de raadsman betoogd dat sprake is van schending van een strikte waarborg, waardoor het resultaat van de ademanalyse van het bewijs moet worden uitgesloten. De raadsman heeft ook bepleit dat verdachte van feit 3 moet worden vrijgesproken, omdat verdachte niet op de hoogte was van het feit dat zijn rijbewijs door de Poolse autoriteiten was ingetrokken.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank zal eerst ingaan op feit 3, vervolgens feit 2 bespreken en ten slotte komen tot een beoordeling van feit 1.
Feit 3 (overtreding van artikel 107 WVW Pro 1994)
Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 4 oktober 2024 als bestuurder van een personenauto heeft gereden op de weg, zonder dat aan hem (kort gezegd) een geldig rijbewijs was afgegeven. Aan verdachte is op 18 mei 2017 een Pools rijbewijs afgegeven voor de categorieën AM/B1/B (met nummer: [rijbewijsnummer] ). Dit rijbewijs is door de Poolse autoriteiten (de Starosta van Drawski) ingetrokken. In het dossier is de tekst van een e-mail van de Poolse autoriteiten opgenomen. De vertaling van deze tekst luidt: “
In antwoord op het e-mailbericht van 9 januari 2025 deelt de Starosta van Drawski u mee dat de heer [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1998 heeft het rijbewijs voor de categorieën AM, B1 en B ingetrokken. Rijbewijscategorie AM, B1, B nr. [rijbewijsnummer] afgegeven op 18 mei 2017 door de Starosta van Drawsko (formuliernr. [nummer] ) wordt sinds 5 december 2020 elektronisch vastgehouden. Met vriendelijke groeten [naam] inspecteur bij het ministerie van Communicatie en Transport Districtskantoor in Drawsko Pomorskie. [3] Niet is gebleken dat verdachte (opnieuw) in het bezit is (gekomen) van een (geldig) Nederlands rijbewijs of een door een andere bevoegde Autoriteit afgegeven rijbewijs. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij op 4 oktober 2024 reed op de snelweg, terwijl hij onderweg was naar Barneveld. [4] De rechtbank stelt vast dat verdachte op 4 oktober 2024 op de openbare weg (rijksweg A1) een motorrijtuig (te weten een BMW) heeft bestuurd.
Verdachte heeft gesteld dat hij, hoewel hij al enige tijd niet beschikte over een fysiek rijbewijs, niet wist dat zijn rijbewijs was ingetrokken. Verdachte zou dat pas op 17 oktober 2025 van zijn raadsman hebben vernomen. De raadsman heeft betoogd dat net als bij toepassing van artikel 9 WVW Pro 1994, ook ten aanzien van artikel 107 WVW Pro 1994 in geval van de ongeldigverklaring van een buitenlands rijbewijs sprake moet zijn van wetenschap van deze ongeldigheid aan de zijde van de bestuurder voordat tot een bewezenverklaring kan worden gekomen.
De rechtbank overweegt als volgt. De situatie dat een buitenlands rijbewijs door een buitenlandse autoriteit ongeldig wordt verklaard valt niet onder de werking van de bepalingen in artikel 9, tweede lid, van de WVW 1994. Een bestuurder waarvan het buitenlandse rijbewijs in het buitenland ongeldig is verklaard, kan wel worden vervolgd voor overtreding van artikel 107, eerste lid, van de WVW 1994.
Anders dan bij artikel 9 WVW Pro 1994, waarvoor in geval van ontzegging van de rijbevoegdheid, de ongeldigverklaring en de schorsing van het rijbewijs is vereist dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten van die ontzegging, ongeldigheid of schorsing, is bij toepassing van artikel 107 WVW Pro 1994 geen wetenschap aan de zijde van de bestuurder vereist. De stelling dat verdachte niet op de hoogte was van het feit dat zijn rijbewijs door de Poolse autoriteiten was ingetrokken en hem dat bij eerdere controles ook niet was duidelijk gemaakt, staat aan een bewezenverklaring van artikel 107 WVW Pro 1994 niet in de weg.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat feit 3 wettig en overtuigend bewezen is.
Feit 2 (rijden onder invloed)
Verdachte wordt verweten dat hij (kort gezegd) onder invloed van alcohol heeft gereden, waarbij het alcoholgehalte in zijn adem 690 microgram per liter uitgeademde lucht bedroeg.
Direct na het ongeval heeft de politie een voorlopig ademonderzoek gedaan. De uitslag daarvan leidde tot het vermoeden dat het alcoholgehalte in de adem van verdachte hoger was dan wettelijk toegestaan. Met het oog op het afnemen van de ademanalyse is verdachte overgebracht naar het politiebureau in Barneveld. Deze ademanalyse verliep vervolgens moeizaam. Pas de derde cyclus, gestart op 5 oktober 2024 om 02:03 uur en afgerond om 02:12 uur, leidde tot een bruikbare en betrouwbare uitslag. Hieruit bleek dat het gehalte alcohol 690 microgram per liter uitgeademde lucht bedroeg. Het resultaat van het onderzoek is met behulp van een tolk in de Poolse taal aan verdachte meegedeeld. Ook is verdachte meegedeeld dat hij recht heeft op een tegenonderzoek. Verdachte heeft van dat recht geen gebruik gemaakt. [5]
De raadsman heeft erop gewezen dat de hulpofficier van justitie blijkens het proces-verbaal van voorgeleiding na aanhouding om 01:52 uur heeft verklaard dat verdachte niet aanspreekbaar was en geen verklaring kon afleggen. De hulpofficier van justitie heeft ook verklaard dat niet kon worden vastgesteld of sprake is van anderstaligheid. In dat licht heeft de raadsman gesteld dat de mededeling aan verdachte dat hij recht had op een tegenonderzoek en de constatering dat verdachte van dat recht geen gebruik heeft gemaakt niet correct is verlopen, nu verdachte niet aanspreekbaar was en diens anderstaligheid niet kon worden vastgesteld. Het recht op tegenonderzoek vormt een strikte waarborg, waarvan schending leidt tot uitsluiting van de resultaten van het onderzoek. Verdachte dient om die reden te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.
De rechtbank overweegt als volgt. Vooropgesteld moet worden dat van bruikbaarheid van de resultaten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid Pro 2, onder b, WVW 1994 slechts sprake is indien de strikte waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek heeft omringd. Tot de strikte waarborgen behoort onder meer dat de verdachte recht heeft op een tegenonderzoek, zoals neergelegd is in artikel 11 lid 2 van Pro het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (Staatsblad 2016, 529) en dat hij op dit recht dient te worden gewezen.
Naar de rechtbank begrijpt betwist de raadsman dat de mededeling is gedaan subsidiair dat verdachte (de reikwijdte van) deze mededeling volledig heeft kunnen begrijpen nu dit mogelijk in een voor hem onverstaanbare taal is gedaan en hij mogelijk niet aanspreekbaar was.
In het proces-verbaal staat opgetekend dat aan verdachte de uitslag van het ademonderzoek is medegedeeld met behulp van een tolk Pools. Ook is hem van zijn recht op een tegenonderzoek mededeling gedaan. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het proces-verbaal op dit punt. De enkele betwisting van verdachte dat hem de mededeling is gedaan is hiertoe onvoldoende, reeds nu hij zich er zelf op beroept dat hij niet aanspreekbaar was. Dat het proces-verbaal een soort van invuloefening zou zijn waarin standaardteksten staan en blijven staan onverschillig de juistheid ervan, is een aanname van de raadsman die hij niet verder heeft onderbouwd en waaraan dus ook voorbij wordt gegaan.
Dat verdachte mogelijk niet aanspreekbaar was, lijkt het gevolg van alcoholgebruik door verdachte. In het dossier zitten verschillende verklaringen van verbalisanten en getuigen die het gedrag van verdachte (direct) na het ongeval beschrijven. Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij met de bestuurder van de BMW praatte en een duidelijke geur van het gebruik van alcohol in zijn adem rook. Verbalisant [verbalisant 2] merkte op dat hij voor het afnemen van de blaastest zag verdachte wankel op zijn benen stond. Ook hij verklaarde dat de adem van verdachte naar het gebruik van alcohol rook.
Getuige [getuige 1] verklaarde dat direct na het ongeval verdachte dacht dat hij de auto van deze getuige had geraakt, terwijl dat niet zo was. De getuige verklaarde dat ze had geroken dat verdachte alcohol had gedronken. Ze vond het raar dat hij niet besefte dat hij een ongeluk had gehad. Volgens de getuige deed verdachte erg gek. Ze dacht daarom direct dat hij dronken was. Ook getuige [getuige 2] gaf aan dat hij de indruk had dat verdachte onder invloed was. Deze getuige wees op het gedrag van verdachte na het ongeval. Verdachte was wel rustig, maar maakte een hele aparte, afwezige indruk. Hij bleef bij zijn auto staan en rommelde in zijn auto. Hij liep soms wat heen en weer en vroeg nog een keer aan een omstander waar zijn autosleutels waren.
In het dossier zit ook een beschrijving van het gedrag van verdachte gedurende het proces van ademanalyse. De verbalisant verklaarde dat verdachte tijdens de uitleg van de ademanalyse door hem heen sprak, zich druk gedroeg, op zijn stoel heen en weer bewoog en af en toe opstond. Verdachte toonde een aantal malen zijn spierballen, lachte zonder dat daar een reden voor was en stak zijn middelvinger naar de aanwezige politieagenten op. De verbalisant hoorde dat verdachte in het Pools aan het schelden was en heel vaak om water vroeg. Dit deed de verdachte meerdere malen, zowel voor, tijdens als na de diverse pogingen om een ademanalyse uit te voeren. Verdachte volgde de aanwijzingen voor het blazen niet op. Er zijn verschillende cycli van ademanalyse geprobeerd. In de eerste en tweede cyclus lukte geen enkele blaastest. Bij de derde cyclus zag de verbalisant dat verdachte tijdens de uitleg moest lachen. Hij blies in het ademanalyse apparaat zonder de gegeven instructies te volgen. De verbalisant zag dat de tweede afname niet lukte doordat de verdachte de aanwijzingen niet opvolgde. Ook de derde afname lukte niet. De verbalisant zag dat uiteindelijk de vierde afname lukte waarna er twee succesvolle afnames waren en de ademanalyse slaagde. De verbalisant merkte nog op dat hij door het gedrag van verdachte de indruk kreeg dat verdachte het geheel erg amusant vond.
De in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer neergelegde strikte waarborgen beogen de bestuurder een effectief recht te geven de uitslag van het ademonderzoek te betwisten als deze het met die uitslag niet eens is. De rechtspraak verbindt aan het niet naleven van deze strikte waarborg een belangrijk gevolg: het bewijs van het handelen in strijd met artikel 8, tweede of derde lid, WVW 1994 mag in dat geval niet (mede) op het resultaat van het ademonderzoek worden gebaseerd. De rechtbank wijst erop dat dit met name aan de orde is indien sprake is van schending door feiten of gedragingen die buiten de risicosfeer van verdachte liggen, zoals in de gevallen waarin het recht in het geheel niet is meegedeeld of waarbij de verschillende termijnen niet goed in acht zijn genomen. In die gevallen kan de verdachte bestuurder buiten zijn schuld niet effectief van het recht op tegenonderzoek gebruik maken en ligt het in de rede dat het bewijs niet (mede) op het resultaat van het ademonderzoek mag worden gebaseerd. Daarvan is hier echter geen sprake. Het enkele feit dat verdachte niet aanspreekbaar was en ten gevolge daarvan de mededeling dat hij recht heeft op een tegenonderzoek niet (volledig) heeft begrepen, kan niet tot de conclusie leiden dat het resultaat van de ademanalyse van het bewijs moet worden uitgesloten. Dat verdachte verkeerde in een toestand waarin hij niet aanspreekbaar was, is immers een omstandigheid die in de risicosfeer van verdachte ligt. Hij heeft zichzelf in die toestand gebracht. Een andere uitleg zou in feite neerkomen op structurele uitsluiting van bewijs in die gevallen waarin bestuurders zodanig onder invloed van alcohol zijn, dat zij niet meer in staat zijn te communiceren. Zij zouden dan nooit kunnen worden veroordeeld voor overtreding van artikel 8, tweede of derde lid, WVW 1994, omdat het bewijs daarvan dan niet (mede) op het resultaat van het ademonderzoek zou mogen worden gebaseerd. Een dergelijke uitkomst is naar het oordeel van de rechtbank onaanvaardbaar. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is schending van een strikte waarborg, waarvan bewijsuitsluiting het gevolg moet zijn. Het bewijs van de overtreding mag dan ook wel degelijk ook op het resultaat van het ademonderzoek worden gebaseerd. Daarmee is ook feit 2 naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen.
Feit 1 (veroorzaken verkeersongeval)
Uit het forensisch onderzoek dat direct na het ongeval heeft plaatsgevonden, is gebleken dat de BMW door onbekende oorzaak met de voorzijde tegen de achterzijde van de Volvo botste. De onderzoekers stellen vast dat het nacht was en de straatverlichting werkte. Het zicht werd voor de betreffende bestuurders niet belemmerd door de wegsituatie en/of de inrichting van de weg. Er waren ook geen aanwijzingen voor technische gebreken aan de auto’s. [6] De bestuurder van de Volvo ( [slachtoffer 1] ) en inzittende [slachtoffer 3] hebben verklaard dat zij een klap rechtsachter hebben gevoeld. [7] Ter zitting heeft verdachte verklaard dat de Volvo van rijstrook wisselde en dat hij op dat moment niet in staat was te remmen. [8] Bij het ongeval was ook een bestelbus (Mercedes) betrokken. De forensisch onderzoekers concludeerden op basis van de aangetroffen sporen dat de BMW, na de botsing met de Volvo, in zijn daarop volgende slip de Mercedes heeft geraakt. [9] De bestuurder van de bestelbus verklaarde dat de bestelbus in de linkerflank werd geraakt. [10]
De rechtbank stelt vast dat verdachte (in strijd met het gestelde in artikel 19 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990) niet in staat was zijn voertuig tijdig tot stilstand te brengen en aldus in botsing is gekomen met de Volvo. De verklaring van verdachte dat de Volvo zo abrupt naar de linker rijbaan bewoog dat verdachte een aanrijding niet kon voorkomen, vindt geen steun in de overige bewijsmiddelen. Bovendien is maar de vraag hoe hij dit, onder invloed zijnde van een forse hoeveelheid alcohol, zou hebben kunnen beoordelen. De rechtbank stelt ook vast dat verdachte ten tijde van het ongeval heeft gereden zonder geldig rijbewijs en terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 lid 2 WVW Pro 1994, zoals de rechtbank hiervoor bij de bespreking van de feiten 2 en 3 heeft vastgesteld. Door op zodanige wijze aan het verkeer deel te nemen heeft verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam gereden.
Ten gevolge van het verkeersongeval zijn de inzittenden van de Volvo gewond geraakt. Inzittende [slachtoffer 1] heeft ten gevolge van het ongeval een hoofdwond, een zware hersenschudding en twee gebroken tussenwervels in haar nek opgelopen. [11] Volgens de bedrijfsarts zou het herstel van [slachtoffer 1] minimaal een jaar duren. [12]
Inzittende [slachtoffer 3] heeft bij het ongeval een hersenschudding opgelopen. [13] [slachtoffer 3] was op 25 maart 2025 nog voor 100% ziek gemeld en het was op dat moment nog niet bekend wanneer ze haar werk weer op kan pakken. [14] Blijkens haar schriftelijke slachtofferverklaring van 24 oktober 2025 ondervond ze nog steeds beperkingen ten gevolge van vermoeidheid en verlies van concentratie. [15]
Bij inzittende [slachtoffer 2] werden vier gebroken ruggenwervels (de onderste vier), een gekneusde borstkas, ribben, rechterheup en rechterbovenbeen geconstateerd. Ze had daarnaast een hersenschudding, een zwelling in het aangezicht en een snee in haar kin. Ze had ook nog een miniklaplong en een minilongkneuzing en krachtsverlies in haar rechterbeen. [16] Haar opleiding verpleegkunde en haar werk had [slachtoffer 2] op 14 maart 2025 nog niet hervat. [17] In haar schriftelijke slachtofferverklaring gaf [slachtoffer 2] aan dat zij nog steeds niet volledig lichamelijk en mentaal is hersteld en dat ze nog geregeld pijnklachten heeft. [18]
De rechtbank stelt vast dat ten gevolge van het verkeersongeval bij slachtoffer [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel is ontstaan en dat de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] (in ieder geval) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit voor hen tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank ook feit 1 (primair) wettig en overtuigend bewezen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten 1 (primair), 2 en 3 heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op
of omstreeks4 oktober 2024 te Terschuur binnen de gemeente Barneveld, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), komende uit de richting van Groesbeek en
/ofgaande in de richting van Barneveld, daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A1, zeer,
althans aanmerkelijk,onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorvoertuigen, waartoe dat motorvoertuig behoorde en
/of,
terwijl het donker was en
/of
terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/of
terwijl hij met het door hem bestuurde motorrijtuig reed op rijstrook 1 (de linker rijstrook) en
/of
terwijl een personenauto (bestuurd door [slachtoffer 1] ) al enige tijd en/of afstand voor hem reed,
- niet of in onvoldoende mate heeft gekeken kijken en/of is blijven kijken naar het direct voor hem gelegen weggedeelte van die rijstrook en/of weg (de Rijksweg A1) en/of het zich op die rijstrook en/of weg bevindend verkeer en/
of
- tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat heeft vast gehouden en/of heeft bediend en/of daarbij zijn aandacht niet, althans in onvoldoende mate op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehad, en/of;
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg (Rijksweg A1) kon overzien en waarover deze vrij was, bij nadering van ander voertuig (personenauto) en
/of
- niet heeft geremd voor de voor hem uit rijdende personenauto en
/of
- met het door hem bestuurde motorrijtuig gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, een voor hem uit rijdende personenauto en (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een andere personenauto (bestelbus en/of bedrijfsauto),
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan
(een)ander
(en
)(te weten [slachtoffer 2] en
/of[slachtoffer 1] en
/of[slachtoffer 3] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8,
eerste oftweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;
2.
hij op
of omstreeks4 oktober 2024 te Terschuur, gemeente Barneveld, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 690 microgram
, in elk geval hoger dan 220 microgramalcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder dat aan hem een rijbewijs was afgegeven
3.
hij op
of omstreeks4 oktober 2024 te Terschuur, gemeente Barneveld als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Rijksweg A1, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van:
feit 1:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van deze wet
en
feit 2:
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (690 microgram)
II. feit 3:
overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de feiten 1 en 2 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 jaar. Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie een geldboete van € 340,- gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van alle drie de feiten (primair) vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman ten aanzien van feit 1 bepleit, ook verwijzend naar de oriëntatiepunten van het LOVS, een lagere straf dient te worden opgelegd in geval van bewezenverklaring, nu het gebruik van alcohol door verdachte niet bewezen kan worden verklaard.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij zonder geldig rijbewijs en onder invloed van alcohol een ernstig verkeersongeval heeft veroorzaakt. Hij heeft niet alleen zichzelf, maar ook de levens van zijn medeweggebruikers ernstig in gevaar gebracht. Ten gevolge van de aanrijding – waarbij naast de Volvo ook nog een ander voertuig werd geraakt – is de Volvo over de kop geslagen en naast de snelweg tussen enkele bomen terecht gekomen. De brandweer heeft het autowrak moeten openknippen om de slachtoffers te kunnen bevrijden. Dit was voor de inzittenden zeer traumatisch, zoals ook is gebleken uit de (schriftelijke) slachtofferverklaringen van de inzittenden. Er werd op het moment van hulpverlening hoorbaar gezegd dat één van de inzittenden mogelijk een dwarslaesie had opgelopen, hetgeen op zichzelf al beangstigend moet zijn geweest. Eén van de inzittenden verklaarde hoe ze in het wrak van de auto zat, glas en bloed zag en bang was dat de auto in brand zou vliegen of zou ontploffen. Alle slachtoffers kampen nog iedere dag met de gevolgen van het ongeval. Ze hebben hun werk of hun opleiding niet (volledig) kunnen hervatten, ondervinden nog dagelijks beperkingen in het (sociale) leven en hebben alle drie last van angsten en verlies van levensvreugde. De rechtbank merkt op dat het de inzittenden bovendien pijn heeft gedaan dat verdachte na het ongeval op geen enkele wijze contact met hen heeft opgenomen, heeft geïnformeerd hoe het met hen was en tot het moment van de zitting geen excuses heeft gemaakt. Het moet voor de slachtoffers ook pijnlijk zijn geweest in het dossier te moeten lezen hoe de houding van verdachte ten tijde van en na het ongeval is geweest. De hele houding van verdachte spreekt van onverschilligheid, niet alleen jegens de slachtoffers, maar ook ten opzichte van andere weggebruikers. Verdachte heeft tot 17 oktober 2025, het moment dat hij naar zijn zeggen van zijn advocaat vernam dat hij niet meer mocht rijden, nog gereden, terwijl hij niet in het bezit van een geldig rijbewijs was.
De rechtbank rekent verdachte het veroorzaken van het verkeersongeval, het daardoor ontstane fysieke en psychische leed, zijn houding jegens de slachtoffers en het daaruit sprekende gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel zwaar aan. De rechtbank zal verdachte daarom veroordelen tot een gevangenisstraf van 12 maanden. Ook zal de rechtbank verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid opeggen voor de duur van 36 maanden. Ten aanzien van feit 3 zal de rechtbank verdachte een geldboete van € 340,- opleggen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 23, 24 c en 55 van het Wetboek van Strafrecht;
- 6, 8, 107, 175, 176 en177 van de Wegenverkeerswet 1994.

9.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
Ten aanzien van de feiten 1 en 2:
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
12 maanden;
 ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 36 maanden;
Ten aanzien van feit 3:
 legt op een geldboete van
€ 340,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.S.W. Lucassen (voorzitter), mr. C.H. van Breevoort-de Bruin en mr. C.L.A. van der Veeken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van ‘t Spijker, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 november 2025.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024467543, gesloten op 14 maart 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal FO Onderzoek (Forensisch onderzoek plaats delict) d.d. 30 januari 2025, p. 30-31.
3.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 februari 2025, p. 92.
4.Verklaring verdachte ter zitting van 11 november 2025.
5.Proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 6 februari 2025, p. 81.
6.Proces-verbaal FO Onderzoek (Forensisch onderzoek plaats delict) d.d. 30 januari 2025, p. 37 en 46; proces-verbaal FO Verkeer (Forensisch technisch voertuigenonderzoek) d.d. 4 december 2024, p. 54, 57 en 60.
7.Proces-verbaal van verhoor slachtoffer ( [slachtoffer 1] ) d.d. 3 december 2024, p. 134 en 136; proces-verbaal van verhoor slachtoffer ( [slachtoffer 3] ) d.d. 3 december 2024, p. 141.
8.Verklaring verdachte ter zitting van 11 november 2025.
9.Proces-verbaal FO Onderzoek (Forensisch onderzoek plaats delict) d.d. 30 januari 2025, p. 45.
10.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 oktober 2024, p. 94.
11.Proces-verbaal van verhoor slachtoffer ( [slachtoffer 1] ) d.d. 3 december 2024, p. 134.
12.Proces-verbaal aanrijding misdrijf d.d. 14 maart 2025 , p. 25.
13.Geneeskundige verklaring ( [slachtoffer 3] ) d.d. 26 december 2024, p. 70.
14.Proces-verbaal aanrijding misdrijf d.d. 14 maart 2025 , p. 25.
15.Schriftelijke slachtofferverklaring d.d. 24 oktober 2025.
16.Proces-verbaal van verhoor slachtoffer ( [slachtoffer 2] ) d.d. 16 december 2024, p. 150.
17.Proces-verbaal aanrijding misdrijf d.d. 14 maart 2025, p. 25.
18.Schriftelijke slachtofferverklaring d.d. 6 november 2025.