ECLI:NL:RBGEL:2025:10362

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
9719
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkrachting en aanranding van minderjarigen door verdachte in Arnhem

Op 25 november 2025 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere seksuele misdrijven, waaronder verkrachting en aanranding van jonge vrouwen en meisjes. De verdachte, geboren in 2006 in Syrië, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 38 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van vijf jaar. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte op 26 maart 2024 in Arnhem [slachtoffer 1] heeft verkracht in een toilet van een McDonald's, nadat hij haar had gedwongen om met hem mee te gaan. Daarnaast heeft hij [slachtoffer 2] aangerand door haar bij haar billen te pakken. Op 18 mei 2025 heeft de verdachte samen met een medeverdachte seksuele handelingen verricht met de 13-jarige [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], waarbij hij ook videomateriaal heeft gemaakt en verspreid. De rechtbank heeft de verklaringen van de slachtoffers als betrouwbaar beoordeeld en heeft vastgesteld dat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de grenzen van de slachtoffers, die op dat moment minderjarig waren. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de psychische gevolgen voor de slachtoffers en de ernst van de feiten. De verdachte is veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan de slachtoffers, waaronder smartengeld van €8.000 aan [slachtoffer 1], €12.000 aan [slachtoffer 3] en €8.000 aan [slachtoffer 4]. De rechtbank heeft de verdachte ook bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en een locatieverbod met elektronische monitoring.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05/009719-25; 05/153754-25 (gev. ttz); 05/069708-23 (tul) en 05/247691-24 (tul)
Datum uitspraak : 25 november 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2006 in [geboorteplaats] (Syrië),
op dit moment gedetineerd in de P.I. [P.I.] .
Raadsman: mr. K. Karapetyan, advocaat in Hengelo.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
parketnummer 05/009719-25
1.
hij op of omstreeks 26 maart 2024 te Arnhem door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten
- het brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 1] en/of
- het betasten van de borsten van die [slachtoffer 1] ,
waarbij dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of met die andere feitelijkheid er in heeft/hebben bestaan dat verdachte
- er bij die (voor hem onbekende) [slachtoffer 1] op heeft aangedrongen dat zij met hem mee ging, ondanks dat zij (meermaals) aangaf dat zij dit niet wilde en/of
- (vervolgens) die [slachtoffer 1] heeft meegetrokken/meegenomen in een toilethokje en/of de deur van dat toilethokje op slot heeft gedaan en/of
- voornoemde seksuele handelingen onverhoeds heeft verricht en/of die [slachtoffer 1] hiermee heeft overrompeld en/of
- zich opdringerig en/of dwingend en/of dominant heeft opgesteld ten opzichte van die [slachtoffer 1] en/of
- (meermaals) voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer 1] en/of
- (hierdoor) een zodanig bedreigende en/of beangstigende situatie heeft gecreëerd dat die [slachtoffer 1] zich niet aan bovengenoemde seksuele handelingen kon en/of durfde te onttrekken;
2.
hij op of omstreeks 26 maart 2024 te Arnhem door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het betasten van de heupen en/of de billen van die [slachtoffer 2] , waarbij dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of met die andere feitelijkheid er in heeft/hebben bestaan dat verdachte
- voornoemde ontuchtige handelingen onverhoeds heeft verricht en/of die [slachtoffer 2] hiermee heeft overrompeld en/of
- (meermaals) voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer 2] ;
parketnummer 05/153754-25
1.
hij op of omstreeks 18 mei 2025 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 3] , een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen van zijn/de penis in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer 3] en/of
- het brengen van zijn/de tong tussen en/of over de schaamlippen van die [slachtoffer 3] en/of
- het betasten van de borsten en/of de billen van die [slachtoffer 3] en/of
- het kussen van de nek/hals van die [slachtoffer 3] ;
2.
hij op of omstreeks 18 mei 2025 te Arnhem, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 4] , een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het brengen van zijn penis in de vagina en/of in de mond van die [slachtoffer 4] ;
3.
hij op of omstreeks 18 mei 2025 te Arnhem, een of meer visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken of schijnbaar was betrokken, te weten [slachtoffer 4] , heeft verspreid en/of heeft aangeboden en/of heeft vervaardigd en/of in bezit heeft gehad, te weten een of meerdere video’s waarop te zien is dat hij, verdachte, althans een man, zijn penis in de mond van die [slachtoffer 4] brengt (te weten de video’s zoals omschreven in PV 20250606.1302 op pagina 199 van het einddossier).

2.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

parketnummer 05/009719-25 [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 1. Het subjectieve bestanddeel ‘ernstige reden om te vermoeden dat de wil ontbreekt’ in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) kan niet worden bewezen. Ook ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Het dossier biedt onvoldoende bewijs voor het betasten van de billen van aangeefster.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1 – aangeefster [slachtoffer 1]
Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij op 26 maart 2024 is lastiggevallen door een onbekende jongen. [naam 1] , de vriend van die onbekende jongen, kende ze wel. De onbekende jongen probeerde haar op de trap voor het Centraal Station Arnhem de hele tijd te zoenen. [slachtoffer 1] heeft de hele tijd “nee” en/of “ik wil niet” gezegd. Hij heeft haar één keer op haar mond gezoend. [slachtoffer 1] heeft toen haar hoofd weggedraaid. De jongens vroegen aan haar of ze mee wilde komen. Ze zeiden: “Kom mee.” enzo, “Kom nou.”. [naam 1] heeft toen voorgesteld om naar de McDonald’s te gaan om iets te eten te halen. [slachtoffer 1] heeft “nee!” gezegd. Ze is vervolgens bij de arm gepakt en toch meegenomen. Ze is meegetrokken naar de McDonald’s. Bij de McDonald’s zijn ze rechtstreeks naar de vrouwentoiletten gegaan. [naam 1] bleef buiten de wc staan. De onbekende jongen heeft de deur van de wc op slot gedaan. Hij heeft [slachtoffer 1] tegen de muur gezet en haar uitgekleed. Hij heeft op een ruige manier seks met haar gehad. Hij heeft haar heel vaak geslagen. [slachtoffer 1] is een keer op de grond gevallen, maar de jongen ging gewoon weer door. Hij is met zijn piemel in haar vagina geweest en heeft haar borsten aangeraakt. [slachtoffer 1] is ook op haar bil geslagen. [2]
Verdachte heeft bekend dat hij in de wc van de McDonald’s seks heeft gehad met een meisje. Hij heeft haar vlak daarvoor ontmoet voor het centraal station. Zijn vriend heeft toen voorgesteld om iets te gaan drinken bij de McDonald’s. Het meisje heeft toen nee gezegd. Ze zijn (met z’n drieën) naar de McDonald’s gegaan en zijn meteen naar de wc gelopen. Verdachte deed de deur van de wc op slot en het meisje en hij hebben in de wc onbeschermde seks gehad. Hij is met zijn penis in haar vagina geweest. Zijn vriend zat buiten de wc te wachten. [3] Volgens verdachte is sprake geweest van vrijwillige seks.
Op grond van de hiervoor weergegeven verklaringen van [slachtoffer 1] en verdachte stelt de rechtbank vast dat verdachte op 26 maart 2024 in de wc van de McDonald’s in Arnhem seksuele handelingen heeft verricht met [slachtoffer 1] , en dat die handelingen mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam.
Op grond van de verklaring van [slachtoffer 1] stelt de rechtbank ook vast dat verdachte [slachtoffer 1] tot deze seks heeft gedwongen. De verklaring van [slachtoffer 1] wijkt in zoverre af van hetgeen verdachte bij de politie en op de zitting heeft verklaard. Hij heeft immers verklaard dat de seks en de aanrakingen met instemming van [slachtoffer 1] hebben plaatsgevonden.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 1] betrouwbaar is en dat de door de [slachtoffer 1] verklaarde feiten en omstandigheden niet op zichzelf staan en voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
[Vriendin slachtoffer] , de vriendin van [slachtoffer 1] , heeft verklaard dat zij en [slachtoffer 1] op een muurtje voor Centraal Station zaten, toen twee jongens naast hen zijn komen zitten. [slachtoffer 1] kende een van de jongens. De jongens werden een beetje opdringerig en steeds opdringeriger. De onbekende jongen was wat meer opdringerig. Ze vroegen of [Vriendin slachtoffer] en [slachtoffer 1] meegingen naar de McDonald’s om wat te eten. [slachtoffer 1] werd bij de hand beetgepakt door de onbekende jongen. Hij trok haar een beetje overeind. Hij zei dat hij haar mee wilde nemen naar de McDonald’s en dat het niet lang zou duren. [slachtoffer 1] deed er een beetje lacherig over. Ze zei dat ze niet wilde en dat ze naar huis moest. [slachtoffer 1] liep mee met de jongen. Hij nam [slachtoffer 1] een beetje op de rug en schouders. En hij duwde een beetje. Ze liepen in de richting van de McDonald’s. De andere jongen liep er een beetje achteraan. Ze zijn bij de McDonald’s naar binnen gegaan. [4]
[naam 1] , de vriend van verdachte, heeft verklaard dat hij voor de toiletten bij de McDonald’s heeft gewacht. Toen [slachtoffer 1] naar buiten kwam keek ze boos en trok ze haar muts over haar hoofd. [naam 1] heeft [slachtoffer 1] nog aangesproken, maar ze reageerde niet op hem, heeft hem geduwd en is naar buiten gelopen. [5]
Van het moment op het centraal station Arnhem zijn camerabeelden vastgelegd. Deze camerabeelden zijn uitgekeken. Te zien is dat twee mannen bij twee vrouwen gaan zitten (16:19:25 uur). Verdachte gaat naast [slachtoffer 1] zitten en is de meeste tijd in gesprek met haar. Later (omstreeks 16:30:00 uur) lijkt verdachte [slachtoffer 1] naar zich toe te trekken en een minuut later nog een keer, waarbij het op basis van de beelden lijkt dat [slachtoffer 1] zich (heftig) terugtrekt. Verder zou kunnen blijken dat verdachte dichter bij [slachtoffer 1] probeert te komen, maar dat zij probeert afstand te houden. Als verdachte zich (omstreeks 16:31:30 uur) naar [slachtoffer 1] toe buigt zou kunnen blijken dat [slachtoffer 1] zich probeert te onttrekken uit de situatie en haar hoofd een stukje naar achteren trekt. Omstreeks 16:32:20 uur gaat verdachte naast [slachtoffer 1] zitten en legt zijn arm om haar schouders en lijkt haar 15 seconden later weer naar zich toe te trekken. Omstreeks 16:33:05 uur lijkt [slachtoffer 1] dichter tegen de andere vrouw aan te gaan zitten. Omstreeks 16:33:55 uur richt verdachte zich weer op [slachtoffer 1] . Als verdachte zijn hand weer op de schouder en in de nek van [slachtoffer 1] legt (omstreeks 16:35:08 uur) zou kunnen blijken uit de beelden dat [slachtoffer 1] zich afkeert van verdachte. Zij trekt en draait haar hoofd weg. Na een tijdje (omstreeks 16:39:00 uur) schuift verdachte naar [slachtoffer 1] toe en probeert zijn arm om haar schouders te leggen, wat [slachtoffer 1] lijkt af te weren door haar lichaam een beetje af te wenden. Even later legt hij zijn arm om de schouders van [slachtoffer 1] en trekt haar naar zich toe. Vervolgens (omstreeks 16:40:25 uur) staat verdachte voor [slachtoffer 1] en trekt haar op, zodat zij op kan staan. [slachtoffer 1] lijkt kort haar arm om de schouders van verdachte te leggen. Verdachte pakt de hand van [slachtoffer 1] en probeert haar mee te nemen, wat [slachtoffer 1] lijkt af te wenden, maar na een korte aanhoudende beweging van verdachte lijkt [slachtoffer 1] vrijwillig mee te lopen.
Uit de camerabeelden binnen de McDonald’s volgt dat verdachte en [slachtoffer 1] (omstreeks 16:42:51 uur) langzaam de ingang tot de toiletten inlopen en daar even blijven staan. Ze lijken met elkaar te praten en te twijfelen welke kant ze op gaan. Verdachte loopt als eerste richting de vrouwentoiletten en probeert [slachtoffer 1] mee te trekken. [slachtoffer 1] beweegt, kennelijk lachend, de andere kant op. Verdachte blijft staan en trekt [slachtoffer 1] naar zich toe, pakt ook met zijn andere hand haar arm vast en trekt haar langzaam mee richting de vrouwentoiletten.
Omstreeks 16:59:01 uur verschijnt [slachtoffer 1] , nu met haar capuchon op, weer in beeld vanuit de richting van de vrouwentoiletten. Ze loopt met snelle pas richting de uitgang en lijkt niet te willen praten met [naam 1] . [naam 1] lijkt zijn arm uit te steken om haar tegen te houden, maar [slachtoffer 1] loopt resoluut door. [6]
[vriend] , een vriend van [slachtoffer 1] , heeft gehoord dat [slachtoffer 1] met opdringerige jongens naar de McDonald’s is gelopen. [vriend] is ook naar de McDonald’s gelopen. Hij stuurde [slachtoffer 1] een appje maar kreeg geen antwoord. Aanvankelijk zag hij [slachtoffer 1] niet binnen. Later zag hij haar wel. Ze moet van het toilet zijn gekomen anders had hij haar wel eerder binnen in de McDonald’s gezien. [slachtoffer 1] was stil en het huilen stond haar nader dan het lachen. [7]
Op het Centraal Station Arnhem heeft [getuige 1] , buitengewoon opsporingsambtenaar van Veiligheid en Service van de Nationale Spoorwegen (hierna: VSNS), een meisje helemaal overstuur op het station aangetroffen. Ze zat voorovergebogen heel hard te huilen. Ze kon niet goed praten en was niet helemaal bij. Het meisje vertelde dat ze door een jongen die ze niet kende aan haar arm was mee getrokken naar de McDonald’s. De jongen had haar de wc ingetrokken en haar verkracht. Ze was heel hard op haar billen geslagen. [8]
De politie kreeg een melding dat een slachtoffer van aanranding bij medewerkers van VSNS zou staan. Aldaar troffen ook zij aangeefster aan in elkaar gedoken met haar gezicht naar beneden. Aangeefster heeft aan de politie verteld dat zij met twee vriendinnen op het station in Arnhem was en dat er twee jongens naar hen toe zijn gekomen. De jongens hebben tegen aangeefster gezegd dat ze mee moest komen naar de McDonald’s. Aangeefster is tegen haar zin meegenomen naar de McDonald’s. Ze is daar in de toiletten geduwd. En ze is verkracht. [9]
De rechtbank is van oordeel dat de aangifte van [slachtoffer 1] voldoende betrouwbaar is om als bewijs te gebruiken en dat de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen voldoende steun geven aan de verklaring van [slachtoffer 1] om tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde dwang te kunnen komen. Allereerst is de verklaring van [slachtoffer 1] gedetailleerd en consistent. De aangifte komt op essentiële onderdelen overeen met haar verklaring ten overstaan van getuige [getuige 1] en ten overstaan van de politie. Op essentiële onderdelen wordt haar verklaring bevestigd door getuigenverklaringen en de camerabeelden. Zo heeft [Vriendin slachtoffer] verklaard dat verdachte opdringerig was en steeds opdringeriger werd. Op de beelden van het Centraal Station Arnhem is te zien dat [slachtoffer 1] verdachte meermaals probeert te ontwijken, afstand wil houden of zich probeert te onttrekken. Voor zover de verbalisant bij de beschrijving van de beelden voorzichtig is geweest in zijn woordkeuze door zijn bevindingen in de voorwaardelijke wijs (“zou kunnen blijken”) vast te leggen is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van aangeefster en van getuige Nelissen voldoende steun bieden aan deze bevindingen om daarvan uit te gaan.
Ook de camerabeelden bij de McDonald’s bevestigen de verklaring van [slachtoffer 1] . Zo is te zien dat verdachte [slachtoffer 1] meetrekt richting de vrouwentoiletten. Uit niets blijkt verder dat [slachtoffer 1] haar verklaring heeft verzonnen of heeft willen aandikken.
Verschillende getuigen hebben iets verklaard over de emotionele of fysieke toestand van [slachtoffer 1] vlak na de gebeurtenis bij de McDonald’s. Ook hierin ziet de rechtbank steunbewijs voor het tenlastegelegde. Getuige Hus heeft gezien dat [slachtoffer 1] het huilen nader dan het lachten stond toen ze bij de McDonald’s van de wc kwam. Volgens [naam 1] was [slachtoffer 1] boos toen ze van de toiletten kwam. Deze verklaringen vinden steun in de camerabeelden, waarop te zien dat als [slachtoffer 1] , met een capuchon over haar hoofd getrokken, uit de toiletten komt, zij snel voorbij [naam 1] loopt en wegloopt uit de McDonald’s. Getuige [getuige 1] heeft [slachtoffer 1] na het incident huilend en erg overstuur op het centraal station aangetroffen. Ook de politie treft [slachtoffer 1] ineengedoken aan op het centraal station. De gemoedstoestand die deze getuigen bij [slachtoffer 1] hebben waargenomen is passend bij hetgeen [slachtoffer 1] vlak daarvoor is overkomen en biedt steun aan haar verklaring dat de seks niet vrijwillig heeft plaatsgevonden.
De rechtbank is van oordeel dat de bewezen geachte feitelijkheden in onderlinge samenhang bezien en gelet op alle omstandigheden van het geval zodanig van aard waren dat aangeefster zich daar redelijkerwijs niet aan heeft kunnen onttrekken of tegen heeft kunnen verzetten. Naar het oordeel van de rechtbank kan er geen sprake zijn geweest van vrijwilligheid, nu aangeefster meermalen verbaal en non-verbaal te kennen heeft gegeven dat zij het aanhoudende, opdringerige gedrag van verdachte niet op prijs stelde en niet mee wilde naar de McDonald’s, en verdachte, ondanks dat, steeds is doorgegaan. In het toilet heeft verdachte [slachtoffer 1] ook heel vaak geslagen. Op die manier heeft verdachte een situatie gecreëerd waarin [slachtoffer 1] (zich uiteindelijk niet langer bij machte voelde om zich te onttrekken of weerstand te blijven bieden en zij) zich gedwongen voelde om de seksuele handelingen te ondergaan.
De rechtbank concludeert dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van [slachtoffer 1] .
Feit 2 – aangeefster [slachtoffer 2]
Aangeefster [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij verdachte op 26 maart 2024 in Arnhem is tegen gekomen. Verdachte heeft toen op straat gevraagd: “Mag ik een knuffel, want ik moet gaan.”
heeft toen gezegd: “Nee, dat wil ik niet.”. Vervolgens heeft verdachte [slachtoffer 2] met twee handen ter hoogte van haar heup vastgepakt. Hij is met zijn handen naar haar billen gegaan. Hij heeft met zijn vingers de onderkant van haar billen vastgepakt en heeft haar zo vastgehouden. Toen [slachtoffer 2] met haar schouders en bovenlichaam naar achteren is gegaan en gezegd heeft: “Niet doen, stop.”, heeft verdachte uiteindelijk losgelaten. [slachtoffer 2] heeft vervolgens [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] gebeld. Alleen [naam 3] nam op. Ze waren binnen één minuut bij haar. [10]
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer 2] om een knuffel heeft gevraagd toen hij haar in de stad zag, [11] maar haar niet heeft vastgepakt of aan haar heeft gezeten.
Getuige [naam 3] is na het incident gebeld door [slachtoffer 2] . Hij was ook in het centrum van Arnhem. Toen [slachtoffer 2] aan kwam lopen zag hij dat ze huilde. Er liepen twee jongens achter haar. [naam 3] heeft gehoord dat één van die jongens [slachtoffer 2] bij haar kont heeft gepakt. [12]
Getuige [naam 4] heeft gezien dat [slachtoffer 2] aan kwam lopen en dat ze huilde. Ze leek bang. [slachtoffer 2] heeft verteld dat een jongen haar heeft aangeraakt bij haar kont. [13]
Getuige [naam 2] heeft verklaard dat [slachtoffer 2] een van zijn vrienden belde en dat ze zei dat ze was lastig gevallen in het centrum. Toen [naam 2] [slachtoffer 2] tegenkwam zag hij dat ze overstuur was. Ze had tranen en ze trilde. [naam 2] zag dat [slachtoffer 2] angstig was. [slachtoffer 2] wees naar een jongen en zei dat hij haar had aangeraakt bij haar billen. [14]
Getuige [getuige 2] , de vader van [slachtoffer 2] , is door [slachtoffer 2] kort na het incident gebeld. Ze heeft gezegd dat iemand aan haar had gezeten. Hij kon horen dat [slachtoffer 2] geschrokken was. Ze klonk anders dan dat hij haar kent. [15]
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 2] betrouwbaar is. [slachtoffer 2] heeft gedetailleerd en consistent verklaard over het incident. Haar verklaring vindt steun in de getuigenverklaringen en (deels) in de verklaring van verdachte. Ze heeft direct na het incident, bij herhaling en tegenover verschillende getuigen, verklaard dat verdachte haar betast heeft (bij haar billen). De verklaring van verdachte dat hij [slachtoffer 2] om een knuffel heeft gevraagd ziet de rechtbank eveneens als steunbewijs. De waarnemingen van de vier getuigen ten aanzien van de emotionele toestand van aangeefster vlak na haar ontmoeting met verdachte leveren naar het oordeel van de rechtbank voldoende steunbewijs op voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
Van ontuchtige handelingen is volgens vaste jurisprudentie sprake als het gaat om handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm.
De rechtbank stelt vast dat verdachte [slachtoffer 2] onverhoeds (en opzettelijk) tegen haar wil bij haar heupen en billen heeft vastgepakt. Dit is naar het oordeel van de rechtbank te kwalificeren als een handeling met een seksueel karakter, die de sociaal-ethische norm overschrijdt. De handeling is daarmee ontuchtig.
De rechtbank concludeert dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan aanranding van [slachtoffer 2] .
parketnummer 05/153754-25 [16]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Verdachte heeft op 18 mei 2025 in Arnhem seks gehad met aangeefsters [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) en [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4] ). Zowel verdachte als de medeverdachte hebben vaginale seks gehad met [slachtoffer 3] . Op hetzelfde moment dat verdachte vaginale seks had met [slachtoffer 3] , heeft [slachtoffer 3] medeverdachte [medeverdachte] gepijpt. Ook heeft verdachte vaginale seks met [slachtoffer 4] gehad. Verdachte is daarnaast door [slachtoffer 4] gepijpt. [17] Van deze laatstgenoemde handeling heeft verdachte video’s gemaakt en doorgestuurd aan een vriend. [18]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
Op grond van de hiervoor weergegeven vaststaande feiten stelt de rechtbank vast dat verdachte op 18 mei 2025 in vereniging seksuele handelingen heeft verricht met [slachtoffer 3] , en dat die handelingen mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam.
[slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij tot deze seksuele handelingen is gedwongen.
De verklaring van [slachtoffer 3] wijkt in zoverre af van hetgeen verdachte bij de politie en op de zitting heeft verklaard. Hij heeft immers verklaard dat de seks en de aanrakingen met instemming van [slachtoffer 3] hebben plaatsgevonden.
Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 3] merkt de rechtbank het volgende op. De verklaring van [slachtoffer 3] is op enkele onderdelen wezenlijk anders dan de verklaringen van [slachtoffer 4] , verdachte en de medeverdachte (de enige personen die rond en tijdens de seksuele handelingen in de woning aan de [adres] aanwezig waren) en/of in strijd met overige bewijsmiddelen in het dossier. Zo heeft [slachtoffer 3] verklaard dat zij naar de [adres] is gegaan om [slachtoffer 4] daar te zoeken, terwijl uit de verklaringen van [slachtoffer 4] (p. 131), [medeverdachte] (p. 95) en verdachte (p. 59) volgt dat [slachtoffer 3] eerder dan [slachtoffer 4] in de woning aan de [adres] was. Dit blijkt ook uit de tijdlijn naar aanleiding van telefonische contacten tussen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] en [medeverdachte] (p. 202). Ook heeft de rechtbank redenen om te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer 3] over het drugsgebruik, gelet op de verklaring van [slachtoffer 4] dat [slachtoffer 3] onder invloed was van drugs en lachgas (p. 131) en het onderzoek aan de telefoons, waaruit volgt dat [slachtoffer 3] aan [slachtoffer 4] berichten heeft gestuurd over XTC en pilletjes en een foto van haarzelf heeft gestuurd met grote ogen (p. 187 en 188). De rechtbank vindt de verklaring van [slachtoffer 3] op die onderdelen niet betrouwbaar. Dat roept twijfels op over de betrouwbaarheid van de rest van de verklaring van [slachtoffer 3] . De rechtbank zal dan ook bij de bewezenverklaring alleen uitgaan van die onderdelen van de verklaring van [slachtoffer 3] waarvoor bevestiging is te vinden in een ander bewijsmiddel. De door [slachtoffer 3] verklaarde feiten en omstandigheden die op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal zal de rechtbank dan ook niet gebruiken voor bewijs. Om die reden kan de rechtbank dan ook niet buiten twijfel vaststellen dat er sprake was van de dwang. Alleen [slachtoffer 3] heeft daarover verklaard. Ook is [slachtoffer 3] de enige die heeft verklaard over het likken/kussen van haar lichaam door verdachte en medeverdachte, het betasten van haar borsten en het slaan op haar billen. Verdachte heeft deze seksuele handelingen ontkend. In het dossier is onvoldoende steunbewijs voor deze handelingen. Om die reden zal de rechtbank verdachte partieel vrijspreken van deze handelingen, tenlastegelegd onder het tweede, derde en vierde gedachtestreepje.
Verdachte heeft verklaard dat van verkrachting geen sprake kan zijn omdat [slachtoffer 3] heeft ingestemd met de seks en omdat het initiatief voor de seks van haar kwam. De rechtbank overweegt als volgt.
Op 1 juli 2024 is de Wet Seksuele Misdrijven (hierna: WSM) in werking getreden. Het bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden op 18 mei 2025, na de inwerkingtreding van de WSM, en valt daarom onder de WSM. Onder de WSM is voor een kwalificatie van verkrachting niet langer relevant of sprake is geweest van dwang. Onder artikel 248 lid 1 Sr wordt het met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren verrichten van seksuele handelingen, die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam gekwalificeerd als verkrachting (248 lid 1 Sr). In die gevallen dat deze seksuele handelingen worden voorafgegaan door, vergezeld van of gevolgd door dwang, geweld of bedreiging geldt artikel 248 lid 2 Sr. Dit artikel kent een hoger strafmaximum. De gekwalificeerde verkrachting van artikel 248 lid 2 Sr is niet aan verdachte ten laste gelegd. In hoeverre al dan niet sprake is geweest van dwang, geweld of bedreiging is voor een bewezenverklaring van feit 1 in het gegeven geval derhalve niet relevant. Met andere woorden dat [slachtoffer 3] in de lezing van verdachte zou hebben ingestemd met de seks en dat het initiatief voor de seks van haar kwam doet aan een bewezenverklaring van verkrachting niet af.
Verdachte heeft verder verklaard dat [slachtoffer 3] er veel ouder uitzag en heeft gezegd dat ze 17, bijna 18 jaar, oud was. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 3] feitelijk 13 jaar oud was. Omdat de leeftijd is geobjectiveerd, moet de rechtbank bij de beoordeling uitgaan van de feitelijke leeftijd van [slachtoffer 3] en is het niet relevant of [slachtoffer 3] er ouder uitzag of zou hebben gelogen over haar leeftijd.
Tot slot en ten overvloede merkt de rechtbank op dat de voornoemde seksuele handelingen tussen [slachtoffer 3] en verdachte niet strafbaar zouden zijn indien die zouden zijn begaan in het kader van een gelijkwaardige situatie tussen leeftijdsgenoten (artikel 248 lid 3 Sr). Van een gelijkwaardige situatie tussen leeftijdsgenoten is gelet op de hierna volgende omstandigheden geen enkele sprake. [slachtoffer 3] was ten tijde van de seksuele handelingen 13 jaar. Verdachte was 19 jaar. Het leeftijdsverschil tussen verdachte en [slachtoffer 3] is zes jaar en daarmee, gelet op de verschillende leeftijdsfasen waarin verdachte en [slachtoffer 3] zich bevinden, groot. Ook volgt uit het dossier dat verdachte en [slachtoffer 3] elkaar nauwelijks kenden en bovendien dat op het moment dat verdachte vaginale seks had met [slachtoffer 3] , [slachtoffer 3] medeverdachte [medeverdachte] gepijpt heeft. Van een affectieve relatie was geen sprake. Daarbij komt dat er aanknopingspunten zijn om te veronderstellen dat ook [slachtoffer 3] onder invloed is geweest van drugs tijdens de seks. Er is tot slot sprake geweest van onbeschermd seksueel contact.
Feit 2
Verdachte heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden, p. 130 t/m 134;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 november 2025.
Feit 3
Verdachte heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen onderzoek telefonische contacten slachtoffers en verdachten, p. 181 t/m 203;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 november 2025.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 05/009719-25 onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde en het onder parketnummer 05/153754-25 onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
parketnummer 05/009719-25
1.
hij op
of omstreeks26 maart 2024 te Arnhem door
geweld ofeen
anderefeitelijkheid
en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van
een of meerhandelingen die
bestonden uit ofmede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten
- het brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 1] en
/of- het betasten van de borsten van die [slachtoffer 1] ,
waarbij
dat geweld en/ofdie
anderefeitelijkheid
en/of die bedreiging met geweld en/of met die andere feitelijkheider in heeft
/hebbenbestaan dat verdachte
- er bij die
(voor hem onbekende
)[slachtoffer 1] op heeft aangedrongen dat zij met hem mee ging, ondanks dat zij
(meermaals
)aangaf dat zij dit niet wilde en
/of-
(vervolgens
)die [slachtoffer 1] heeft meegetrokken
/meegenomenin een toilethokje en
/ofde deur van dat toilethokje op slot heeft gedaan en
/of- voornoemde seksuele handelingen onverhoeds heeft verricht en
/ofdie [slachtoffer 1] hiermee heeft overrompeld en
/of- zich opdringerig
en/of dwingend en/of dominantheeft opgesteld ten opzichte van die [slachtoffer 1] en
/of-
(meermaals
)voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer 1] en
/of-
(hierdoor
)een zodanig bedreigende en/of beangstigende situatie heeft gecreëerd dat die [slachtoffer 1] zich niet aan bovengenoemde seksuele handelingen kon en/of durfde te onttrekken;
2.
hij op
of omstreeks26 maart 2024 te Arnhem door
geweld ofeen
anderefeitelijkheid
en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid[slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het
plegen en/ofdulden van
een of meerontuchtige handelingen, te weten het betasten van de heupen en
/ofde billen van die [slachtoffer 2] , waarbij
dat geweld en/ofdie
anderefeitelijkheid
en/of die bedreiging met geweld en/of met die andere feitelijkheider in heeft
/hebbenbestaan dat verdachte
- voornoemde ontuchtige handelingen onverhoeds heeft verricht en
/ofdie [slachtoffer 2] hiermee heeft overrompeld en
/of-
(meermaals
)voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer 2] ;
parketnummer 05/153754-25
1.
hij op
of omstreeks18 mei 2025 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een
of meerander
en, althans alleen,met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 3] ,
een of meerseksuele handelingen, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen van zijn/de penis in de vagina en
/ofde mond van die [slachtoffer 3]
en/of- het brengen van zijn/de tong tussen en/of over de schaamlippen van die [slachtoffer 3] en/of- het betasten van de borsten en/of de billen van die [slachtoffer 3] en/of- het kussen van de nek/hals van die [slachtoffer 3];
2.
hij op
of omstreeks18 mei 2025 te Arnhem, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 4] ,
een of meerseksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het brengen van zijn penis in de vagina en
/ofin de mond van die [slachtoffer 4] ;
3.
hij op
of omstreeks18 mei 2025 te Arnhem,
een of meervisuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken
of schijnbaar was betrokken, te weten [slachtoffer 4] , heeft verspreid en
/ofheeft aangeboden en
/ofheeft vervaardigd en
/ofin bezit heeft gehad, te weten
een of meerderevideo’s waarop te zien is dat hij, verdachte,
althans een man,zijn penis in de mond van die [slachtoffer 4] brengt (te weten de video’s zoals omschreven in PV 20250606.1302 op pagina 199 van het einddossier).
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
parketnummer 05/009719-25
feit 1:
verkrachting;
feit 2:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid;
parketnummer 05/153754-25
feit 1:
medeplegen van verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren;
feit 2:
verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren, meermalen gepleegd;
feit 3:
verspreiden, aanbieden, vervaardigen en in bezit hebben van een visuele weergave van seksuele aard of met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt is betrokken.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 38 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Gedurende een proeftijd van vijf jaren moet verdachte zich houden aan de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd in haar rapport van 11 november 2025, inclusief de elektronische monitoring voor de duur van maximaal één jaar of zoveel korter als de reclassering de elektronische monitoring nodig vindt. De bijzondere voorwaarden moeten dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de actieve misleiding van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] over hun leeftijd en het feit dat zij vrijwillig aan de seks hebben deelgenomen van invloed is op de strafmaat. Ook in de rapportages (licht verminderde toerekenbaarheid en traumatisch verleden) ziet de raadsman aanknopingspunten voor strafmatiging. Verder heeft de raadsman verzocht om rekening te houden met de positieve ontwikkelingen die verdachte heeft doorgemaakt en het behandelperspectief van verdachte. Tot slot heeft de raadsman verzocht om het jeugdstrafrecht van toepassing te verklaren.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de inhoud van de volgende stukken:
  • het uittreksel Justitiële Documentatie van 16 oktober 2025 (het strafblad),
  • het PJ-rapport van 20 oktober 2025;
  • het reclasseringsadvies van 5 november 2025.
In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Strafblad
Verdachte is eerder veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder straatroof/afpersing en
winkeldiefstallen. Verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten tijdens een lopende proeftijd
gepleegd.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vijf seksuele misdrijven, waarvan vier voor verdachte (vrijwel) onbekende vrouwen slachtoffer zijn geworden. Zo heeft verdachte op 26 maart 2024 [slachtoffer 1] leren kennen, haar meegenomen naar de McDonald’s en haar daar in de wc verkracht. Binnen een uur daarna heeft hij [slachtoffer 2] in het centrum van Arnhem aangerand door haar bij haar billen te pakken. Op 18 mei 2025 heeft verdachte samen met de medeverdachte en twee meisjes lachgas gebruikt in een woning. Verdachte heeft toen eerst met [slachtoffer 4] vaginale seks en orale seks gehad. Hij heeft filmpjes van [slachtoffer 4] gemaakt terwijl zij hem aan het pijpen was en deze filmpjes vervolgens naar een vriend gestuurd. Vervolgens heeft hij vaginale seks gehad met [slachtoffer 3] terwijl zij de medeverdachte aan het pijpen was. De medeverdachte had eerder al vaginale seks met [slachtoffer 3] gehad. Beide meisjes waren onder invloed van drugs en slechts dertien jaar oud.
Verdachte heeft met zijn handelen ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de (zeer jonge) slachtoffers. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke feiten daarvan nog langdurig nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Uit de slachtofferverklaring die namens [slachtoffer 1] tijdens de terechtzitting is voorgedragen volgt dat de traumatische gebeurtenis nog altijd veel impact op haar heeft en haar dagelijks leven belemmert. Uit de spreekrechtverklaring van de moeder van [slachtoffer 3] volgt dat [slachtoffer 3] sinds de gebeurtenis niet meer dezelfde is. [slachtoffer 3] is gebroken en de dingen die voorheen heel gewoon waren kosten haar nu erg veel energie. Verdachte heeft geen rekening gehouden met de gevolgen voor de slachtoffers en is enkel gericht geweest op zijn eigen lustbeleving. De appjes en foto’s die verdachte na afloop van de seks met de 13-jarigen gestuurd heeft naar vrienden getuigen allerminst van respect voor de meisjes.
Dat de 13-jarige meisjes er ouder uit zagen, gelogen zouden hebben over hun leeftijd en initiatief zouden hebben genomen tot de seksuele handelingen leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot strafmatiging. Strafbepalingen zoals 248 Sr, waarbij de leeftijd is geobjectiveerd, zijn juist in het leven geroepen vanuit een beschermingsgedachte voor jeugdigen. Minderjarigen moeten gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen geacht worden nog in onvoldoende mate in staat te zijn zelf hun (seksuele) grenzen te bewaken en de gevolgen van hun gedrag in dit opzicht te overzien. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich had moeten realiseren dat er sprake was ongelijkwaardigheid en voor de slachtoffers schadelijk contact. Dat geldt evenzeer in het geval de slachtoffers zelf zeggen dat ze ouder zijn en moeite doen om er ouder uit te zien en ook wanneer zij initiatief zouden nemen tot seksuele handelingen. Het ontheft verdachte geenszins van zijn verantwoordelijkheid. Volgens verdachte deden de meisjes van 13 jaar ‘raar’. Verdachte (en zijn vrienden) heeft (hebben) verschillende keren gevraagd naar de leeftijd van de meisjes en naar hun identiteitsbewijs gevraagd. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte twijfels heeft gehad over de beweerdelijke leeftijd van de meisjes en aan die twijfels voorbij is gegaan.
De rapportages
PJ-rapport
Uit het PJ-rapport volgt dat verdachte een ernstig belast verleden heeft, waarbij hij is opgegroeid in een oorlogssituatie, weinig steun van zijn familie heeft gehad, slachtoffer is geweest van geweld en alleen naar Nederland is gevlucht. Hij is gediagnosticeerd met een psychische stoornis in de vorm van een ongespecificeerde psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis. De persoonlijkheid van verdachte is nog niet uitgerijpt. Er is sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Ten tijde van het onderzoek was sprake van een lichte stoornis in cannabisgebruik in vroege remissie.
Vanuit de bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling is bij verdachte sprake van puberaal denken, voelen en handelen en denkt hij nog onvoldoende na in verschillende situaties, laat hij zich teveel leiden door zijn emoties en laat hij zich gemakkelijk beïnvloeden en gedraagt hij zich soms onvolwassen. Dit leidt ertoe dat het bewezenverklaarde aan verdachte in licht verminderde mate kan worden toegerekend.
Het recidiverisico is ingeschat als matig.
Verdachte is pas sinds drie jaar in Nederland en heeft zich nog nauwelijks kunnen aanpassen aan de Nederlandse cultuur en samenleving. Hij heeft nooit langdurig onderwijs gevolgd en is nooit echt ingebed geweest in een duidelijk pedagogisch systeem. Hoewel het jeugdstrafrecht passend zou kunnen zijn bij verdachte vanuit zijn persoonlijkheidsontwikkeling is geadviseerd om het volwassenenrecht toe te passen. Het is lastig om pedagogische beïnvloeding bij verdachte te organiseren. Vanuit het matig recidiverisico en het advies om de ten laste gelegde feiten in licht verminderde mate toe te rekenen is het advies om een (deels) voorwaardelijke sanctie op te leggen met als voorwaarde dat verdachte zal meewerken aan een ambulante behandeling in een forensische geestelijke gezondheidszorginstelling (met specialisatie in transcultureel werken) voor zijn bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling en traumaproblematiek. Daarbij kan tevens worden gedacht aan plaatsing binnen begeleid wonen en elektronisch toezicht.
Reclasseringsadvies
De reclassering heeft het recidiverisico ingeschat als hoog. Ook in de penitentiaire inrichting heeft het agressieve en grensoverschrijdende gedrag van verdachte (beledigingen en bedreigingen) ernstige vormen aangenomen. De reclassering adviseert om het volwassenenstrafrecht toe te passen. Zij adviseert verder om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, ambulante behandeling, begeleid/beschermd wonen, contactverbod, locatieverbod (met elektronische monitoring), dagbesteding, middelencontroles en ambulante verslavingsbehandeling met een proeftijd van vijf jaren. De reclassering onderstreept het belang om verdachte langdurig in beeld te houden, aangezien hij een adolescent is met een nog niet uitgerijpte persoonlijkheid in de context van een hoog risico op herhaling.
Volwassenenstrafrecht
Verdachte was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten meerderjarig. Het uitgangspunt is dan dat het volwassenenstrafrecht van toepassing is. De rechtbank heeft bij jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar echter de mogelijkheid om het jeugdstrafrecht toe te passen. Dat kan de rechtbank doen wanneer de persoon van verdachte zelf of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan daartoe aanleiding geven. Hoewel de persoonlijkheidsontwikkeling van verdachte aanleiding zou kunnen geven om het jeugdstrafrecht toe te passen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte beter gestraft kan worden met toepassing van het volwassenenstrafrecht. Verdachte heeft zich al heel lang niet meer in een duidelijk pedagogisch systeem bevonden. Omdat verdachte al lang niet meer actief deelneemt aan een gezin (van herkomst) en nauwelijks tot niet op prosociale volwassenen leunt, is pedagogische beïnvloeding lastig te realiseren en eigenlijk ook niet meer aan de orde.
De straf
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank naast het voorgaande rekening gehouden met de oriëntatiepunten die gelden en straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd.
De rechtbank heeft oog voor de jonge leeftijd van verdachte en zijn ernstig belast verleden. Anderzijds is de rechtbank van oordeel dat vanwege de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, zoals hiervoor omschreven, niet anders kan worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur. De rechtbank zal bij de strafoplegging rekening houden met de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. Verdachte wil graag behandeling en begeleiding en hij ziet in dat het nodig is.
De rechtbank is van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend is voor verdachte.
De rechtbank sluit wat betreft de bijzondere voorwaarden aan bij het advies van de reclassering. Gelet op het agressieve en grensoverschrijdende gedrag van verdachte in detentie en gelet op het feit dat verdachte na zijn detentie opnieuw zal moeten wennen aan een leven in de maatschappij zal de rechtbank de elektronische monitoring in de bijzondere voorwaarden opnemen. Gelet op het vrijheidsbeperkende karakter van de elektronische monitoring zal de rechtbank bepalen dat de elektronische monitoring maximaal zes maanden kan duren. De rechtbank zal, overeenkomstig het advies van de reclassering, aan de bijzondere voorwaarden een proeftijd van vijf jaren verbinden, vooral omdat ook de rechtbank verwacht dat verdachte nog lange tijd begeleiding nodig zal hebben in een dwingend kader, om zijn eigen toekomst vorm te geven en ter voorkoming van nieuwe recidive.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten verkrachting en aanranding.
Gelet op de matige tot hoge kans op recidive, die volgens de rechtbank uit de rapportages volgt, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

8.De beoordeling van de civiele vorderingen

parketnummer 05/009719-25
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met feit 1 (
parketnummer 05/009719-25) een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 8.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard vanwege de bepleite vrijspraak.
Overweging van de rechtbank
smartengeld
Een benadeelde partij kan op grond van artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) aanspraak maken op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Dat kan als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van ‘een aantasting in de persoon op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hier op beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan.
Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kunnen ook de aard en de ernst van de normschending en de aard en de ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. In beginsel zal degene die zich hierop beroept dat met concrete gegevens moeten onderbouwen. In sommige gevallen kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen zonder zo’n nadere concrete onderbouwing.
De benadeelde partij heeft recht op vergoeding van de immateriële schade, omdat sprake is van aantasting van de persoon op andere wijze. Bij de vordering zit bovendien een onderbouwing van het psychisch letsel dat de benadeelde in verband met het bewezenverklaarde heeft opgelopen. Op 15 augustus 2024 is de benadeelde gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis en een dissociatieve stoornis. Ze heeft aanvallen die doen denken aan herbelevingen/dissociatie van seksueel misbruik. De benadeelde ondergaat een medicamenteuze behandeling en beeldende therapie, gericht op emotieregulatie. Er is kortom grondslag voor het toewijzen van smartengeld.
Bij het bepalen van de hoogte van het smartengeld heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal. Zij heeft zich voor het bedrag gebaseerd op categorie (b) voor slachtoffers van een eenmalige verkrachting, waarbij sprake is van ernstige gevolgen voor de benadeelde. De schadevergoeding binnen deze categorie varieert van € 7.500,00 tot € 15.000,00. De rechtbank overweegt bij de vaststelling van de hoogte van het smartengeld verder dat verdachte zich richting de benadeelde opdringerig (manipulatief) heeft opgesteld. Hij heeft geweld toegepast door de benadeelde in de wc bij de McDonald’s te slaan. Er was sprake van onbeschermde seks. De benadeelde was een kwetsbare jonge vrouw. Door de verkrachting is haar kwetsbaarheid verder toegenomen. De rechtbank zal € 8.000,00 aan smartengeld toewijzen.
Wettelijke rente
Verdachte is wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd vanaf 26 maart 2024, de dag waarop de verkrachting heeft plaatsgevonden.
Proceskosten
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om de toegewezen bedragen betaald te krijgen. De proceskosten tot vandaag worden begroot op nihil.
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in verband met feit 2 (
parketnummer 05/009719-25) een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard vanwege de bepleite vrijspraak.
Overweging van de rechtbank
smartengeld
Zoals hierboven weergegeven heeft de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van de immateriële schade, indien sprake is van aantasting van de persoon op andere wijze. In het gegeven geval rechtvaardigen de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde de conclusie dat de nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat aantasting van de persoon zonder meer kan worden aangenomen, zonder onderbouwing aan de hand van stukken. Er is kortom grondslag voor het toewijzen van smartengeld.
Bij het bepalen van de hoogte van het smartengeld heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal. Zij heeft zich voor het bedrag gebaseerd op categorie (c) voor slachtoffers van een eenmalige aanranding in de open ruimte. De schadevergoeding binnen deze categorie kent een maximumbedrag van € 1.000,00. De rechtbank begroot de immateriële schade naar redelijkheid en billijkheid op een bedrag van € 500,00.
De rechtbank zal dan ook € 500,00 aan smartengeld toewijzen.
Wettelijke rente
Verdachte is wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd vanaf 26 maart 2024, de dag van de aanranding.
Proceskosten
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om de toegewezen bedragen betaald te krijgen. De proceskosten tot vandaag worden begroot op nihil.
parketnummer 05/153754-25
De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft in verband met feit 1 (
parketnummer 05/153754-25) een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert na vermeerdering van eis ter zitting € 22.416,80 aan materiële schade en € 20.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Ten aanzien van het smartengeld is verzocht om het bedrag hoofdelijk toe te wijzen. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De vordering is opgebouwd uit de posten zoals weergegeven in de onderstaande tabel.
Schadepost
schade
Spoeling vagina
€ 8,39
Fles voor spoeling vagina
€ 4,49
Aanschaf onderbroeken
€ 13,96
Kosten therapie
€ 4.070,00
(afstemmingsgesprekken)
€ 520,00
Gedragen kleding
€ 180,00
Stressbal
€ 4,99
Reiskosten
€ 320,47
Parkeerkosten
€ 7,50
Annuleringskosten
€ 65,50
Gederfd inkomen/rekening boekhouder
€ 17.221,50
Smartengeld
€ 20.000,00
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met uitzondering van de schade in verband met toekomstige reiskosten en toekomstige therapiekosten. De schadevergoeding moet hoofdelijk worden toegewezen. Verder heeft de officier van justitie verzocht om de wettelijke rente toe te kennen en heeft zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Ten aanzien van de toekomstige schade heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering te verklaren.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor immateriële schade fors moet worden gematigd tot een bedrag van maximaal € 7.500,00. De benadeelde heeft verdachte misleid voor wat betreft haar leeftijd. Bovendien was sprake van vrijwilligheid. Een verdubbeling van het bedrag vanwege het aantal daders kan niet aan de orde zijn. Ten aanzien van de materiële schade heeft de verdediging geen verweer gevoerd op de posten spoeling vagina (€ 8,39), speciale fles (€ 4,49), onderbroeken (€ 13,96), stressbal (€ 4,99) en parkeerkosten met bonnen (€ 7,50). Deze posten zijn toewijsbaar.
Het bepalen van toekomstige schade van therapiekosten, afstemmingsoverleggen en reiskosten therapie zou een onevenredige belasting betekenen voor het strafproces. De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van de vordering. Hetzelfde geldt voor de post gedragen kleding en de annuleringskosten voor de kapper. De post van de gedragen kleding is onvoldoende onderbouwd. De annuleringskosten staan in te ver verwijderd verband met het strafbare feit.
De benadeelde partij moet eveneens niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering voor gederfde inkomsten van mevrouw [moeder] , de moeder van [slachtoffer 3] . Het betreft een complexe boekhoudkundige rekening die voor het strafproces een onevenredige belasting oplevert. Daarnaast is het causaal verband onduidelijk.
Overweging van de rechtbank
Eigen schuld
Voor zover met het betoog dat de benadeelde partij zou hebben gelogen over haar leeftijd en er sprake was van vrijwilligheid is bedoeld een beroep te doen op eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW, verwerpt de rechtbank dit verweer. Er is gelet op de hiervoor genoemde beschermingsgedachte achter de strafbaarstelling van het feit waaraan verdachte zich heeft schuldig gemaakt, geen sprake van een omstandigheid die aan de benadeelde partij kan worden toegerekend.
Materiele schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden.
De posten spoeling vagina (€ 8,39), fles voor spoeling vagina (€ 4,49), aanschaf onderbroeken (€ 13,96), stressbal (€ 4,99) en parkeerkosten (€ 7,50) zijn niet weersproken door de verdediging. Zij zijn voldoende onderbouwd en komen de rechtbank billijk voor, zodat deze posten geheel zullen worden toegewezen.
Hieronder zullen de posten waarop door de verdediging verweer is gevoerd worden besproken.
Gedragen kleding
De benadeelde partij heeft ten gevolge van het bewezenverklaarde feit afstand gedaan van de kleding die zij op het moment van het bewezenverklaarde feit gedragen heeft. De rechtbank vindt dit begrijpelijk en redelijk waarmee het causaal verband met het strafbare feit vast staat. Ten aanzien van de hoogte van de schade ter zake deze post zal de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid. Het gevorderde bedrag komt de rechtbank redelijk voor, zodat het gevorderde bedrag geheel zal worden toegewezen.
Therapiekosten
De benadeelde partij heeft een bedrag gevorderd voor therapiekosten. Een deel van de schade ziet op kosten van gesprekken die reeds hebben plaatsgevonden, te weten een intakegesprek op 5 september 2025 (€ 130,00) en vijf sessies in de periode van 29 augustus tot en met 23 september 2025 (€ 780,00). De verzekering vergoedt € 500,00 per jaar. De rest van de schade ziet op kosten van gesprekken die in de toekomst zullen plaatsvinden. De hele behandeling, inclusief toekomstige schadecomponenten, is na aftrek van vergoedingen door de verzekering geïndiceerd op € 4.070,00. Verder heeft de benadeelde partij een bedrag (€ 520,00) voor afstemmingsgesprekken tussen de therapeut en de school van [slachtoffer 3] gevorderd. De kosten voor een afstemmingsgesprek bedragen € 130,00 per gesprek. Er heeft één afstemmingsgesprek plaatsgevonden. Het bedrag (€ 520,00) bestaat voor het overige uit toekomstige kosten voor nog in te plannen gesprekken.
De vordering van schadevergoeding voor gesprekken die reeds hebben plaatsgevonden is voldoende onderbouwd en zal worden toegewezen. Het gaat om één intakegesprek (€ 130,00) en vijf sessies (in de vordering begroot op € 780,00) minus de vergoeding van de verzekering over het jaar 2025 (€ 500,00). De rechtbank stelt vast dat de kosten voor vijf sessies (à € 130,00 per sessie) € 650,00 zijn. De rechtbank zal de vordering voor therapiekosten toewijzen tot een bedrag ad € 280,00 en de vordering voor de kosten van één afstemmingsgesprek tussen therapeut en school (€ 130,00) toewijzen.
De rechtbank is van oordeel dat het vaststellen van de toekomstige schade een onevenredige belasting voor het strafgeding betekent omdat nog onvoldoende vast staat hoe lang de benadeelde partij in de toekomst nog therapie nodig zal hebben. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren voor het deel van de vordering dat ziet op toekomstige schade.
Reiskosten
De benadeelde partij heeft reiskosten gevorderd voor bezoeken aan het Radboud UMC
(€ 47,24), bezoeken aan het politiebureau (€ 15,45), bezoeken aan de advocaat (€ 10,43), bezoeken aan het Centrum Seksueel Geweld (€ 11,75) en bezoeken therapie (€ 43,40). Deze kosten staan in voldoende verband met het bewezenverklaarde feit en zijn voldoende onderbouwd. De rechtbank zal de vordering voor deze schade dan ook toewijzen (€ 128, 27 ).
Daarnaast heeft de benadeelde partij reiskosten gevorderd voor toekomstige bezoeken therapie (€ 192,20). De rechtbank is van oordeel dat het vaststellen van deze toekomstige schade een onevenredige belasting voor het strafgeding betekent gelet op het hiervoor overwogene over de kosten van de therapie zelf. Zij zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren voor het deel van de vordering dat ziet op toekomstige te maken reiskosten.
Annuleringskosten
De annuleringskosten voor de kappersafspraak van de moeder van [slachtoffer 3] staan in te ver verwijderd verband met het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij wordt in zoverre niet ontvankelijk verklaard in de vordering.
Gederfd inkomen/kosten boekhouder
De rechtbank is van oordeel dat het vaststellen van het gederfde inkomen van [moeder] en de daarmee samenhangende kosten voor de boekhouder een onevenredige belasting van het strafgeding zou betekenen, zeker gelet op het feit dat het causaal verband tussen deze schade en het strafbare feit niet direct voor de hand ligt, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in dit deel van de vordering.
Smartengeld
Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij recht op vergoeding van de immateriële schade, aangezien uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten in ieder geval puntbloedingen op het gehemelte en een bloeduitstorting bij de genitaliën. Ook is gemotiveerd en onderbouwd gesteld dat het slachtoffer lijdt aan een psychische stoornis na het strafbare feit (PTSS). Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de aard en de ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze en dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen zonder nadere concrete onderbouwing. Kortom, er is grondslag voor het toewijzen van smartengeld.
Bij het bepalen van de hoogte van het smartengeld heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal. Zij heeft zich voor het bedrag gebaseerd op categorie (b) voor slachtoffers van een eenmalige verkrachting, waarbij sprake is van bijzonder ernstige omstandigheden en ernstige gevolgen voor de benadeelde. De schadevergoeding binnen deze categorie varieert van € 7.500,00 tot € 15.000,00. De rechtbank overweegt bij de vaststelling van de hoogte van het smartengeld verder dat de benadeelde een jong meisje van 13 jaar was ten tijde van het bewezenverklaarde feit. Verdachte was toen 19 jaar en de medeverdachte 17 jaar. Beiden hebben seksueel contact gehad met de benadeelde. Op enig moment is sprake van gelijktijdig seksueel binnendringen bij de benadeelde door verdachte en de medeverdachte. Het seksueel contact heeft onbeschermd plaatsgevonden, waardoor de benadeelde verschillende onderzoeken in ziekenhuis heeft gehad, HIV-medicatie en een
morning after-pil heeft moeten slikken en in angst heeft gezeten om haar gezondheid. De rechtbank zal € 12.000,00 aan smartengeld toewijzen.
Wettelijke rente
Verdachte is in beginsel wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd vanaf de dag dat de schade is ingetreden. De ingangsdatum van de wettelijke rente is per schadepost in onderstaand schema weergegeven. Voor wat de reiskosten betreft neemt de rechtbank als ingangsdatum het midden van de gebleken periode dat die kosten zijn gemaakt.
schadepost
schade
Ingangsdatum wettelijke rente
Spoeling vagina
€ 8,39
20 mei 2025
Fles voor spoeling vagina
€ 4,49
20 mei 2025
Aanschaf onderbroeken
€ 13,96
20 mei 2025
Kosten therapie
€ 280,00
10 september 2025
(afstemmingsgesprek)
€ 130,00
24 oktober 2025
Gedragen kleding
€ 180,00
18 mei 2025
Stressbal
€ 4,99
1 juli 2025
Reiskosten
€ 128, 27
15 juli 2025
Parkeerkosten
€ 7,50
28 mei 2025
Smartengeld
€ 12.000,00
18 mei 2025
Proceskosten
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om de toegewezen bedragen betaald te krijgen. De proceskosten tot vandaag worden begroot op nihil.
Hoofdelijkheid
De rechtbank overweegt dat verdachte en de medeverdachte op de voet van artikel 6:166 BW ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover de medeverdachte de schade heeft vergoed.
De benadeelde partij [moeder] , de moeder van [slachtoffer 3] , heeft in verband met feit 1 (
parketnummer 05/153754-25) subsidiair een zelfstandige vordering tot schadevergoeding ingediend. Deze vordering is gelijk aan en primair gevorderd als de post gederfd inkomen/factuur boekhouder binnen de vordering van [slachtoffer 3] . De benadeelde partij [moeder] vordert € 17.221,50 aan materiële schade (gederfd inkomen en factuur boekhouder), vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding. De gevorderde schadevergoeding voor gederfd inkomen en de factuur voor de boekhouder kan als post binnen de vordering van [slachtoffer 3] worden toegewezen en derhalve dient de benadeelde partij [moeder] niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering als zelfstandige benadeelde partij.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, vanwege een onevenredige belasting van het strafproces en een onduidelijk causaal verband met het strafbare feit.
Overweging van de rechtbank
De rechtbank komt toe aan een beoordeling van deze vordering, nu deze als onderdeel van de vordering van [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk is verklaard. Ook ter zake deze vordering is de rechtbank van oordeel, zoals hiervoor reeds overwogen, dat het vaststellen van het gederfde inkomen van [moeder] en de daarmee samenhangende kosten voor de boekhouder een onevenredige belasting van het strafgeding zou betekenen, zodat de benadeelde partij alleen al om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering. Daarmee kan de vraag of [moeder] voor deze schadeposten zich zelfstandig als benadeelde partij kan voegen in dit strafgeding onbeantwoord blijven.
De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft in verband met de feiten 2 en 3 (
parketnummer 05/153754-25) een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 10.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor immateriële schade fors moet worden gematigd tot een bedrag van maximaal € 2.500,00. De benadeelde heeft verdachte misleid voor wat betreft haar leeftijd. Bovendien was sprake van vrijwilligheid. Er is geen sprake van een medische diagnose of behandeling.
Overweging van de rechtbank
Eigen schuld
Voor zover met het betoog dat de benadeelde partij zou hebben gelogen over haar leeftijd en er sprake was van vrijwilligheid is bedoeld een beroep te doen op eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW, verwerpt de rechtbank dit verweer. Er is gelet op de hiervoor genoemde beschermingsgedachte achter de strafbaarstelling van het feit waaraan verdachte zich heeft schuldig gemaakt, geen sprake van een omstandigheid die aan de benadeelde partij kan worden toegerekend.
Smartengeld
Zoals hierboven gesteld heeft de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van de immateriële schade, indien sprake is van aantasting van de persoon op andere wijze. In het gegeven geval rechtvaardigen de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde de conclusie dat de nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat aantasting van de persoon zonder meer kan worden aangenomen, zonder onderbouwing aan de hand van stukken. Er is kortom grondslag voor het toewijzen van smartengeld.
Bij het bepalen van de hoogte van het smartengeld heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal. Zij heeft zich voor het bedrag gebaseerd op categorie (b) voor slachtoffers van een eenmalige verkrachting, waarbij sprake is van bijzonder ernstige omstandigheden. De schadevergoeding binnen deze categorie varieert van € 7.500,00 tot € 15.000,00. De rechtbank overweegt bij de vaststelling van de hoogte van het smartengeld verder dat de benadeelde een jong meisje van 13 jaar was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten, terwijl verdachte 19 jaar was. Er is sprake geweest van onbeschermde seks. Daarbij komt dat verdachte seksueel getint beeldmateriaal van de benadeelde heeft vervaardigd en verspreid. De rechtbank zal € 8.000,00 aan smartengeld toewijzen.
Wettelijke rente
Verdachte is wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd vanaf 18 mei 2025, de dag dat de schade is ingetreden.
Proceskosten
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om de toegewezen bedragen betaald te krijgen. De proceskosten tot vandaag worden begroot op nihil.
Alle benadeelde partijen - schadevergoedingsmaatregel
Ten aanzien van alle benadeelde partijen ziet de rechtbank aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel (hoofdelijk) aan verdachte op te leggen, met de daarbij behorende gijzeling als verdachte niet zou betalen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partijen toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9.De beoordeling van het beslag

parketnummer 05/153754-25
De rechtbank zal beslissen dat de in beslag genomen telefoon (Apple iPhone, blauw, goednummer 3455831) met behulp waarvan feit 3 is begaan of voorbereid wordt onttrokken aan het verkeer omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

10.De vorderingen tot tenuitvoerlegging

parketnummer 05/069708-23
De kinderrechter heeft verdachte op 10 oktober 2023 veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 50 uur.
De officier van justitie vordert de (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging van die straf. Zij heeft daarbij opgemerkt dat verdachte al 40 uur van de werkstraf heeft voldaan. Er resteert nog 10 uur.
De raadsman geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van de vorderingen tot tenuitvoerlegging.
Toewijzing
Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd. Verdachte heeft 40 uur van de werkstraf reeds voldaan. De rechtbank zal daarom bevelen dat de resterende werkstraf van 10 uur ten uitvoer dient te worden gelegd.
parketnummer 05/247691-24
De meervoudige kamer heeft verdachte op 11 februari 2025 veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie van 90 dagen met aftrek.
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straf.
De raadsman heeft geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging.
Toewijzing en omzetting jeugddetentie in gevangenisstraf
Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd. De jeugddetentie dient met toepassing van artikel 6:6:29 Sv ten uitvoer te worden gelegd als even zoveel dagen gevangenisstraf (90 dagen) nu verdachte naar het oordeel van de rechtbank gelet op zijn leeftijd bij deze tenuitvoerlegging niet meer voor jeugddetentie in aanmerking komt.

11.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36f, 242 (oud), 246 (oud), 248, 252 en 254 van het Wetboek van Strafrecht.

12.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf voor de duur van 38 maanden;
  • bepaalt dat
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 stelt als
bijzondere voorwaardendat:
- Meldplicht bij reclassering
verdachte zich binnen vijf werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering
Nederland meldt op de locatie die op dat moment behoort tot de regio waarin hij zal gaan wonen. Verdachte meldt zich op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- Ambulante behandeling
verdachte zich laat behandelen door een nader door de reclassering aan te wijzen forensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering.
Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
- Begeleid/beschermd wonen
verdachte verblijft in een door de reclassering aan te wijzen instelling voor begeleid/beschermd wonen. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
- Contactverbod
verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met
[slachtoffer 1] , geboren [geboortedatum 2] 2004,
[slachtoffer 2] , geboren [geboortedatum 3] 2007,
[slachtoffer 3] , geboren [geboortedatum 4] en
[slachtoffer 4] , geboren [geboortedatum 5] 2011,
zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
- Locatieverbod (met elektronische monitoring)
verdachte gedurende het reclasseringstoezicht niet mag komen in Arnhem, Otterlo en Barneveld. Een beschrijving van de verboden gebieden is als bijlage toegevoegd aan dit vonnis. Verdachte werkt mee aan elektronische monitoring met GPS op dit locatieverbod. Verdachte gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat verdachte in Nederland blijft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering dit locatieverbod (deels) laten vervallen. De elektronische monitoring geldt voor de duur van maximaal zes maanden;
- Dagbesteding
verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van een opleiding, betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- Meewerken aan middelencontrole
verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen en te objectiveren. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
- Ambulante verslavingsbehandeling
indien uit de middelencontroles blijkt dat zijn middelengebruik toeneemt en daarmee
gedragsverandering in de weg staat- zulks ter beoordeling van de reclassering, verdachte wordt verplicht om mee te werken aan een ambulante verslavingsbehandeling bij een nader door de reclassering aan te wijzen forensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
 geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de hiervoor genoemde voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
 beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen
 veroordeelt verdachte in verband met het feit onder 1 (parketnummer 05/009719-25) tot betaling van schadevergoeding aan de
benadeelde partij [slachtoffer 1]van
€ 8.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de
wettelijke rente vanaf 26 maart 2024tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit onder 2 (parketnummer 05/009719-25) tot betaling van schadevergoeding aan
  • verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
 veroordeelt verdachte in verband met het feit onder 1 (parketnummer 05/153754-25) tot betaling van schadevergoeding aan de
benadeelde partij [slachtoffer 3]van
€ 757,60 aan materiële schade en € 12.000,00 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de data zoals weergegeven in het onderstaand schema tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
schadepost
schade
Ingangsdatum wettelijke rente
Spoeling vagina
€ 8,39
20 mei 2025
Fles voor spoeling vagina
€ 4,49
20 mei 2025
Aanschaf onderbroeken
€ 13,96
20 mei 2025
Kosten therapie
€ 280,00
10 september 2025
(afstemmingsgesprek)
€ 130,00
24 oktober 2025
Gedragen kleding
€ 180,00
18 mei 2025
Stressbal
€ 4,99
1 juli 2025
Reiskosten
€ 128,27
15 juli 2025
Parkeerkosten
€ 7,50
28 mei 2025
Smartengeld
€ 12.000,00
18 mei 2025
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade en smartengeld;
  • bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
  • verklaart de
 veroordeelt verdachte in verband met de feiten onder 2 en 3 (parketnummer 05/153754-25) tot betaling van schadevergoeding aan de
benadeelde partij [slachtoffer 4]van
€ 8.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 mei 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en de kosten die de benadeelde partijen mogelijk nog moeten maken om de te noemen bedragen betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de volgende benadeelde partijen de hier na te noemen bedragen aan materiële schade/smartengeld te betalen. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de data zoals hierboven weergegeven tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als het bedrag niet wordt betaald, kan gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
Benadeelde partij
Bedrag
Gijzeling
[slachtoffer 1]
€ 8.000,00
75 dagen
[slachtoffer 2]
€ 500,00
10 dagen
[slachtoffer 3]
€ 12.757,00
98 dagen
[slachtoffer 4]
€ 8.000,00
75 dagen
 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partijen in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
beslissing ten aanzien van het beslag
 beveelt de onttrekking aan het verkeer van Apple iPhone, blauw, goednummer 3455831;
beslissingen ten aanzien van de vorderingen tot tenuitvoerlegging
 beveelt dat het restant van de op 10 oktober 2023 door de kinderrechter voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een werkstraf van 10 uren ten uitvoer zal worden gelegd, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen;
 beveelt dat de op 11 februari 2025 door de rechtbank voorwaardelijk opgelegde straf, te weten jeugddetentie van 90 dagen (parketnummer 05/247691-24), alsnog zal worden ten uitvoer gelegd in de vorm van een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Rietveld (voorzitter), mr. A.A.M. Bögemann en mr. M.W. Stoet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Damen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 november 2025.
mrs. M. Rietveld en M.W. Stoet en de griffier
zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs voor feit 1 is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland, Dienst regionale Recherche, Team Zeden Arnhem opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024138665, gesloten op 1 mei 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. Het bewijs voor feit 2 is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, District Gelderland Midden, Team Zeden opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024150733, gesloten op 2 januari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van de doorgenummerde dossiers, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 95, 97 t/m 101.
3.Proces-verbaal van het verhoor van verdachte d.d. 28 maart 2024, p. 164 t/m 167.
4.Proces-verbaal van het verhoor van getuige [getuige 3] , p. 140 t/m 142.
5.Proces-verbaal van het verhoor van getuige [getuige 4] , p. 146 t/m 148.
6.Proces-verbaal van bevindingen, p. 67 t/m 71, 76 en 79.
7.Proces-verbaal van bevindingen, p. 154.
8.Proces-verbaal van het verhoor van getuige [getuige 1] , p. 150 en 151.
9.Proces-verbaal van bevindingen, p. 49.
10.Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 25, 27 en 28.
11.Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 november 2025.
12.Proces-verbaal van het verhoor van getuige [naam 3] , p. 40 en 41.
13.Proces-verbaal van het verhoor van getuige [naam 4] , p. 43 en 44.
14.Proces-verhaal van het verhoor van getuige [naam 2] , p. 46.
15.Proces-verbaal van het verhoor van getuige [getuige 2] , p. 36.
16.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, Dienst regionale Recherche, Team Zeden Arnhem opgemaakte proces-verbaal, Onderzoek RBC25638 (Onderzoeksnaam Merel), gesloten op 9 juli 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
17.Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 november 2025; proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , p. 110; Proces-verbaal van bevindingen van het informatief gesprek zeden met [slachtoffer 4] , p. 131.
18.Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 november 2025; het proces-verbaal van bevindingen onderzoek telefonische contacten slachtoffers en verdachten, p. 181 t/m 203.