ECLI:NL:RBGEL:2025:10457

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
05/185838-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 38v Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging doodslag, veroordeling bedreiging met vuurwapen en wapenbezit

Op 16 juni 2025 vond een schietincident plaats in Doesburg waarbij verdachte een getransformeerde alarmrevolver gebruikte. Verdachte werd primair verdacht van poging doodslag en poging zware mishandeling, maar de rechtbank kon niet vaststellen dat er gericht op het slachtoffer was geschoten, waardoor vrijspraak volgde voor deze feiten.

Subsidiair werd bewezen verklaard dat verdachte het slachtoffer bedreigde met een misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling door het tonen, richten en afvuren van het vuurwapen. Tevens werd bewezen verklaard dat verdachte een vuurwapen en munitie van categorie III in bezit had, in strijd met de Wet wapens en munitie.

De rechtbank achtte het handelen van verdachte ernstig vanwege het gebruik van een vuurwapen in een openbare ruimte met meerdere getuigen en de jonge leeftijd van het slachtoffer. Verdachte werd veroordeeld tot 20 maanden gevangenisstraf, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, en kreeg een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd met locatie- en contactverbod.

Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van €136,97 aan materiële schade en €1.500,00 aan smartengeld aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank legde bijzondere voorwaarden op aan de voorwaardelijke straf, waaronder meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen, contactverbod en middelencontrole.

De straf is lager dan de eis van de officier van justitie vanwege de vrijspraak op de ernstiger tenlastegelegde feiten. De vrijheidsbeperkende maatregel is dadelijk uitvoerbaar gesteld vanwege het risico op herhaling en de ernst van het delict.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging doodslag en zware mishandeling, veroordeeld voor bedreiging met vuurwapen en wapenbezit tot 20 maanden gevangenisstraf waarvan 8 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en vrijheidsbeperkende maatregel.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/185838-25
Datum uitspraak : 3 december 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] ,
op dit moment gedetineerd in het Huis van Bewaring in [plaats] .
Raadsman: mr. J.A. Schadd, namens kantoorgenoot mr. B.J. Schadd, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen, de meest recente op 19 november 2025.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 16 juni 2025 te Doesburg, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk van het leven te beroven,
- een getransformeerd alarmrevolver, althans een vuurwapen, in de hand heeft genomen en/of
- dat getransformeerd alarmrevolver, althans dat vuurwapen, heeft gericht op die voornoemde [slachtoffer] en/of
- de trekker van dat getransformeerd alarmrevolver, althans dat vuurwapen, heeft overgehaald en/of met dat getransformeerd alarmrevolver, althans dat vuurwapen, een of meermalen in de richting van voornoemde [slachtoffer] heeft geschoten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 16 juni 2025 te Doesburg, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- een getransformeerd alarmrevolver, althans een vuurwapen, in de hand heeft genomen en/of
- dat getransformeerd alarmrevolver, althans dat vuurwapen, heeft gericht op die voornoemde [slachtoffer] en/of
- de trekker van dat getransformeerd alarmrevolver, althans dat vuurwapen, heeft overgehaald en/of met dat getransformeerd alarmrevolver, althans dat vuurwapen, een of meermalen in de richting van voornoemde [slachtoffer] heeft geschoten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 16 juni 2025 te Doesburg, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door opzettelijk dreigend:
- een getransformeerd alarmrevolver, althans een vuurwapen, in de hand te nemen en/of
- die voornoemde [slachtoffer] daarmee te benaderen en/of
- diens (rechter)arm te strekken en/of
- dat getransformeerd alarmrevolver, althans dat vuurwapen, te richten op die voornoemde [slachtoffer] en/of
- de trekker van dat getransformeerd alarmrevolver, althans dat vuurwapen, over te halen en/of met dat getransformeerd alarmrevolver, althans dat vuurwapen, een of meermalen in de richting van voornoemde [slachtoffer] te schieten, althans feitelijkheden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
2.
hij op of omstreeks 16 juni 2025 te Doesburg, althans in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een getransformeerde alarmrevolver, van het merk BBM/Bruni, type Olympic 38, kaliber 0.22 knal, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
3.
hij op of omstreeks 16 juni 2025 te Doesburg, althans in Nederland, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten:
- negen, althans een of meerdere kogelpatronen van het kaliber .22lr en/of
- een huls van kaliber .22lr, voorhanden heeft gehad.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde onder feit 1 en aan feit 2 en 3. Ten aanzien van feit 1 primair heeft hij aangevoerd dat kan worden vastgesteld dat verdachte in ieder geval één keer heeft geschoten op korte afstand op aangever met een getransformeerd alarmpistool. Ook kan worden vastgesteld dat er richting aangever is geschoten. De kans dat aangever daardoor dodelijk zou worden getroffen is aanmerkelijk. Uit het NFI-onderzoek volgt immers dat – hoewel de kinetische energie van kogels die met een omgebouwd alarmrevolver worden verschoten laag is in vergelijking met andere vuistvuurwapens – de kans op dodelijk letsel aanwezig is. Verdachte heeft door zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij aangever op een vitaal lichaamsdeel zou raken als gevolg waarvan hij zou komen te overlijden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde poging doodslag en poging zware mishandeling onder feit 1. Hij heeft daartoe primair aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat het wapen potentieel dodelijk is. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat het recht op tegenonderzoek geschonden is door het vernietigen van het wapen en dat daarom de resultaten van het onderzoek (de bevindingen in het NFI-rapport) niet mogen worden gebruikt voor het bewijs. Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld in welke richting er door verdachte is geschoten. De onder feit 1 meer subsidiair ten laste gelegde bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, kan volgens de raadsman wél wettig en overtuigend worden bewezen. Ook de feiten 2 en 3 kunnen volgens hem wettig en overtuigend worden bewezen.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
Op 16 juni 2025 heeft omstreeks 19.30 uur een schietincident plaatsgevonden op [adres] . Verdachte en aangever (hierna: [slachtoffer] ) waren op het plein aanwezig en er is een woordenwisseling ontstaan. [2] Verdachte heeft verklaard dat hij heeft geschoten. [3]
Verdachte wordt primair verweten dat hij heeft geprobeerd om [slachtoffer] te doden. Subsidiair wordt hem verweten dat hij heeft geprobeerd om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Meer subsidiair wordt hem verweten dat hij [slachtoffer] heeft bedreigd met een misdrijf gericht tegen het leven en/of met zware mishandeling. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Poging doodslag of toebrengen zware lichamelijk letsel:
[slachtoffer] heeft verklaard dat hij zag dat verdachte het wapen op hem richtte en dat hij – toen hij wegliep – een knal hoorde. Hij zou daarna zijn weggerend en nog een knal hebben gehoord. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij niet op [slachtoffer] heeft geschoten maar ernaast, in het gras. Hij zou één keer hebben geschoten. Hij wilde [slachtoffer] laten schrikken en niet doden.
Diverse getuigen hebben het schietincident waargenomen en daarover een verklaring afgelegd. Zij hebben onder meer verklaard over het aantal schoten dat zij hebben gehoord (één of twee) en over de richting waarin de verdachte heeft geschoten.
Gezien de verklaring van [slachtoffer] , dat verdachte het wapen op hem heeft gericht, maar dat pas werd geschoten toen hij wegliep, heeft [slachtoffer] niet gezien of verdachte in zijn richting schoot. Daarmee valt niet uit te sluiten dat verdachte zijn wapen bewust niet op [slachtoffer] heeft gericht op het moment van schieten, zoals hij heeft verklaard. Er zijn geen camerabeelden beschikbaar en de vele getuigen hebben wisselend verklaard over de precieze gang van zaken. Een aantal getuigen heeft verklaard dat er gericht is geschoten op [slachtoffer] . Uit de inhoud van die verklaringen blijkt echter niet vanuit welk perspectief die waarnemingen zijn gedaan en dus ook niet of zij vanuit dat perspectief een betrouwbare inschatting konden maken van de schietrichting. Op grond van het voorgaande kan de rechtbank daarom niet vaststellen of er gericht op [slachtoffer] is geschoten. Daarmee kan het (voorwaardelijk) opzet op de dood dan wel op zwaar lichamelijk letsel niet worden bewezen en dient verdachte te worden vrijgesproken van het primair én subsidiair tenlastegelegde onder feit 1.
Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht/ zware mishandeling (meer subsidiair)
[slachtoffer] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij op het plein een man (naar later bleek: verdachte) zag zitten met zijn vriendin en een vrouw in een scootmobiel. Hij wilde aan de man vragen waarom hij zijn geslachtsdeel had laten zien aan zijn zusje en oma. Hij kreeg hier echter de kans niet voor omdat de vrouw in de scootmobiel hem aansprak en hem vroeg waarom hij de hele tijd hun richting op zat te kijken. Hierop zei [slachtoffer] tegen haar:
“Je weet toch wat hij gedaan heeft? Hij liet zijn geslachtsdeel aan mijn zus en oma (…) zien.”. [4] Getuige [getuige] heeft verklaard dat de mevrouw in de rolstoel tegen aangever stond te schreeuwen. Hij zag dat verdachte op stond en hoorde dat de man schreeuwde:
“Wacht maar! Wacht maar!”. [5] [slachtoffer] heeft verder verklaard dat hij zag dat verdachte naar zijn flat liep en dat hij even later terugkwam met een hand in zijn broekzak. Hij zag op een gegeven moment dat de man zijn hand uit zijn broekzak haalde en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn handen had. Hij zag dat de man het vuurwapen op hem richtte. Daarop liep [slachtoffer] weg in de richting van de onderdoorgang van de flat van zijn oma en hoorde hij achter zich een knal. [6]
Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] wilde laten schrikken en dat hij daarom bewust ‘naast’ heeft geschoten. [7] Het wapen waarmee verdachte heeft geschoten, is na de aanhouding van verdachte in diens woning aangetroffen. [8] Het betreft een getransformeerde alarmrevolver. [9]
De vraag waarvoor de rechtbank zich vervolgens gesteld ziet is of het handelen van verdachte moet worden gezien als een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling zoals dit subsidiair aan verdachte ten laste is gelegd. Daarbij geldt als maatstaf dat van een bedreiging sprake is wanneer de uitlatingen van verdachte van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn gedaan dat bij degene tot wie die is gericht, de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd ook zou worden gepleegd.
Zoals hiervoor reeds overwogen, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte na een woordenwisseling met [slachtoffer] zijn vuurwapen heeft opgehaald in zijn woning, het wapen heeft getoond, en met het wapen heeft gericht en geschoten. Naast [slachtoffer] zijn hier verschillende personen getuige van geweest. Naar het oordeel van de rechtbank leveren deze handelingen zonder meer een bedreiging op in de zin van artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Juist omdat vuurwapens zo gevaarlijk zijn, gaat van het tonen en gebruik ervan een enorme dreiging uit. Niet voor niks rende [slachtoffer] weg toen hij het vuurwapen zag en dook hij de struiken in toen verdachte begon te schieten. In dit geval komt daar nog bij dat daaraan voorafgaand sprake was van een woordenwisseling en dat verdachte naar zijn woning is gelopen om het wapen op te halen waarmee hij vervolgens heeft geschoten.
Gelet op het voorgaande kan feit 1 meer subsidiair in de zin van een bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen worden.
Verweer
Het verweer strekkende tot uitsluiting van het NFI-rapport behoeft geen bespreking, omdat dit rapport niet voor het bewijs wordt gebruikt.
Feit 2
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 50-51;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 november 2025.
Feit 3
Met uitzondering van het kaliber van de aangetroffen munitie, is er sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, Sv en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal onderzoek wapen, p. 50-51;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 november 2025.
Met betrekking tot het kaliber van de munitie stelt de rechtbank het volgende vast:
De aangetroffen kogelpatronen en huls zijn van het kaliber .22lr. [10]
Daarmee is het tenlastegelegde onder 3 wettig en overtuigend bewezen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde onder feit 1 en het onder feit 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
meer subsidiair
hij op
of omstreeks16 juni 2025 te Doesburg,
althans in Nederland,[slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door opzettelijk dreigend:
- een getransformeerd alarmrevolver,
althans een vuurwapen,in de hand te nemen en
/of- die voornoemde [slachtoffer] daarmee te benaderen en
/of- diens (rechter)arm te strekken en
/of- dat getransformeerd alarmrevolver
, althans dat vuurwapen,te richten op die voornoemde [slachtoffer] en
/of- de trekker van dat getransformeerd alarmrevolver,
althans dat vuurwapen,over te halen en
/ofmet dat getransformeerd alarmrevolver,
althans dat vuurwapen,een
of meermaal
enin de richting van voornoemde [slachtoffer] te schieten,
althans feitelijkheden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
2.
hij op
of omstreeks16 juni 2025 te Doesburg, althans in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een getransformeerde alarmrevolver, van het merk BBM/Bruni, type Olympic 38, kaliber 0.22 knal, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
3.
hij op
of omstreeks16 juni 2025 te Doesburg, althans in Nederland, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten:
- negen, althans een of meerdere kogelpatronen van het kaliber .22lr en/of
- een huls van kaliber .22lr, voorhanden heeft gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1, meer subsidiair:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling;
feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
feit 3:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot
een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, en met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Hij heeft daarnaast gevorderd dat aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt opgelegd, inhoudende een locatie- en contactverbod, voor de duur van 5 jaar en met vervangende hechtenis van 7 dagen per overtreding met een maximum van 6 maanden. Hij heeft verder de dadelijke uitvoerbaarheid van die maatregel gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht bij de straf rekening te houden met de aanleiding en de omstandigheden, waardoor en waaronder verdachte heeft gehandeld zoals hij heeft gehandeld. Verder heeft hij verzocht rekening te houden met het feit dat er geen sprake is van recente feiten op het strafblad, met het feit dat verdachte open staat voor behandeling en begeleiding en met de omstandigheid dat de verdediging concludeert tot een veel minder heftig feit. De raadsman heeft verzocht om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met de voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie en daarnaast aan een bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling. Na een woordenwisseling tussen verdachte (54 jaar) en het slachtoffer (18 jaar) op een plein in Doesburg, heeft verdachte in zijn woning zijn vuurwapen opgehaald, dat wapen op het slachtoffer gericht en vervolgens daarmee geschoten. Het handelen van verdachte moet niet alleen bijzonder bedreigend en angstaanjagend voor het slachtoffer zijn geweest, maar ook voor iedereen die dit schietincident heeft waargenomen of hierover heeft gehoord. Op en rondom het plein bevonden zich meerdere mensen die getuige zijn geweest. Ook hebben omwonenden vanuit hun woning gehoord en/of gezien dat er werd geschoten. De keuze van verdachte om zijn vuurwapen op te halen en daarmee -naar eigen zeggen- het slachtoffer te laten ‘schrikken’ staat in geen enkele verhouding tot de woordenwisseling die daaraan vooraf is gegaan. Het staat ook in geen enkele verhouding met de dreiging die volgens de verdachte zou zijn uitgegaan van aangever en de omstanders. Als die situatie al bedreigend was voor verdachte, dan had hij, door naar huis te gaan en daar te blijven, zich aan deze situatie kunnen onttrekken. Verdachte heeft er echter voor gekozen om vanuit zijn huis (meteen) terug naar de voor hem dreigende situatie te gaan en daarbij ook een wapen mee te nemen. Door zijn handelen heeft verdachte de situatie geëscaleerd, terwijl hij ervoor had kunnen en moeten kiezen om in zijn woning te blijven. Ten slotte heeft het handelen van verdachte, door in de openbare ruimte in aanwezigheid van een aanzienlijk aantal mensen te schieten, de gevoelens van onveiligheid die in de samenleving bestaan vergroot. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het ernstige feiten betreft en rekent verdachte deze ten zeerste aan.
Strafblad
Uit de justitiële documentatie van 14 oktober 2025 van verdachte, volgt dat hij in de vijf jaren voorafgaand aan het bewezenverklaarde niet is veroordeeld voor strafbare feiten. Wél is verdachte in het verleden (voor 2007) meerdere malen veroordeeld en is aan hem een PIJ-maatregel opgelegd voor een poging doodslag en een TBR-maatregel (oude TBS-maatregel) voor een gijzeling.
Reclasseringsadvies
Uit het reclasseringsadvies van 19 augustus 2025 volgt dat betrokkene niet heeft willen meewerken aan onderzoek of er psychische problematiek ten grondslag ligt aan het delictgedrag. Er bestaan vermoedens dat er sprake is van persoonlijkheidsproblematiek en alcoholmisbruik. Het risico op herhaling en op letsel wordt ingeschat als gemiddeld. Verdachte heeft aangegeven dat hij wel openstaat voor begeleiding vanuit de reclassering, voor wonen in een begeleid of beschermde woonvorm en het volgen van een ambulante behandeling om meer zicht te krijgen op zijn eigen gedrag omdat hij een rustig leven wil leiden. De reclassering schat de kans op onttrekken aan voorwaarden bij een voorwaardelijke straf om die reden laag in. De reclassering adviseert bij een voorwaardelijke straf een meldplicht met reclasseringstoezicht, ambulante behandeling, begeleid wonen of wonen bij maatschappelijke opvang bij een nog nader te bepalen instelling, een contactverbod met het slachtoffer, een zinvolle dagbesteding en meewerken aan middelencontrole om het alcoholgebruik te beheersen.
Oriëntatiepunten LOVS
Voor de bepaling van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor bedreiging door het tonen van een (nep)vuurwapen wordt een taakstraf vanaf 120 uur als uitgangspunt genomen. In dit geval is niet slechts het vuurwapen getoond maar is het ook nog op het slachtoffer gericht en heeft verdachte toen het slachtoffer daarop wegrende ook nog daadwerkelijk geschoten om hem nog banger te maken. Voor het voorhanden hebben van een alarmrevolver in de openbare ruimte wordt een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden onvoorwaardelijk als uitgangspunt genomen.
De op te leggen straf
Gelet op de ernst van de feiten acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende sanctie. Daarbij is van belang dat een duidelijk en krachtig signaal wordt afgegeven dat schietincidenten niet worden geaccepteerd door de samenleving. In strafverzwarende zin neemt de rechtbank mee dat verdachte in de openbare ruimte, op klaarlichte dag heeft geschoten waar veel mensen bij aanwezig waren. De rechtbank neemt ook de leeftijd van de verdachte (volwassen man) in aanmerking ten opzichte van de jonge leeftijd van het slachtoffer (adolescent). Verdachte had als volwassen man anders moeten handelen door na de woordenwisseling ervoor te kiezen om in zijn woning te blijven. Ook had hij zich ervan bewust moeten zijn dat het bedreigen van een jonge jongen met een vuurwapen absoluut niet proportioneel is. De rechtbank heeft voor de bepaling van de hoogte van de gevangenisstraf ook gekeken naar gevangenisstraffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht passend en geboden is. De rechtbank zal daarvan een deel, te weten 8 maanden, voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van 3 jaren, teneinde verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen en te leren - mocht hij in vergelijkbare situaties terecht komen - andere keuzes te maken. Een groot voorwaardelijk deel acht de rechtbank noodzakelijk om verdachte te motiveren en gemotiveerd te houden om mee te werken aan een behandeling. De rechtbank zal aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden verbinden die de reclassering heeft geadviseerd, namelijk: een meldplicht bij de reclassering, meewerken aan ambulante behandeling, meewerken aan begeleid wonen of wonen bij een maatschappelijke opvang, een contactverbod met het slachtoffer en meewerken aan dagbesteding en middelencontrole. De straf valt lager uit dan de eis van de officier van justitie. Dit is gelegen in het feit dat de rechtbank ten aanzien van feit 1 een minder ernstig delict bewezen heeft verklaard.
Vrijheidsbeperkende maatregel en dadelijke uitvoerbaarheid
Ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten zal de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen. Deze maatregel houdt in dat verdachte gedurende vijf jaren geen contact mag opnemen met het slachtoffer en zich niet mag bevinden aan de Te Wyle in Doesburg.
De rechtbank zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor iedere keer dat verdachte niet aan de maatregel voldoet. Deze hechtenis bedraagt 7 dagen per overtreding, met een totale duur van maximaal zes maanden, en heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen, zal de rechtbank bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Aangever heeft namelijk verklaard dat verdachte na afloop van het incident heeft gezegd:
“Als ik vrij kom, kom ik je thuis opzoeken.”(p. 57 van het dossier).
Tenuitvoerlegging
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 136,97 aan materiële schade en € 5.000,00 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
He standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering fors dient te worden gematigd, nu de onderbouwing summier is voor het gevorderde bedrag aan smartengeld.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade € 136,97
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
De rechtbank overweegt dat de schadeposten (de kosten voor een nieuwe broek ad € 69,99) en de kosten voor een slot op de poort (€ 66,98) niet dan wel onvoldoende inhoudelijk zijn betwist. De schadeposten zijn (verder) voldoende onderbouwd en komen redelijk voor.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat de gevorderde materiële schade kan worden toegewezen.
Smartengeld € 5.000,00
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
  • verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
  • de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
  • de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 BW Pro valt.
Door de bedreiging met een misdrijf tegen het leven dan wel met zware mishandeling (feit 1, meer subsidiair) heeft de verdachte immers de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. Er is met een revolver op het slachtoffer gericht. Er is daarna geschoten toen het slachtoffer vluchtte en het slachtoffer heeft een knal gehoord. Het kan niet anders dan dat dit een dusdanige impact heeft gehad op de geestelijke integriteit van het slachtoffer. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van
€ 1.500,00vaststellen.
Het overige gevorderde bedrag aan smartengeld (€ 3.500,00) vergt, gelet op de betwisting door de verdediging, naar het oordeel van de rechtbank nadere behandeling, onderbouwing en zo nodige bewijslevering, zodanig dat daarmee een onevenredige belasting van het strafproces ontstaat. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Wettelijke rente
Verdachte is wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd vanaf het moment dat de schade is ontstaan. De rechtbank stelt de data waarop de wettelijke rente is verschuldigd als volgt vast:
  • € 1.500,- (smartengeld) en € 69,99 (broek), vanaf datum delict, zijnde 16 juni 2025;
  • € 66,98 (slot poort), vanaf datum indienen vordering, zijnde 6 november 2025, nu de rechtbank niet kan vaststellen dat de schade eerder is ontstaan.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f Sr de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 36f, 38v, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van het primair en subsidiair ten laste gelegde onder feit 1;
 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
20 maanden;
 bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten
8 maanden,
niet ten uitvoer zal worden gelegd,tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de
proeftijd van drie jarenniet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
o stelt als
algemenevoorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
o stelt als
bijzonderevoorwaarden dat:
- verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
- verdachte zich laat behandelen door een nader te bepalen forensische ambulante zorginstelling, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
- verdachte verblijft in een nader te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
- verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2007;
- verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding zoals onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- verdachte werkt mee aan controle op het gebruik van alcohol om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd;
 geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de volgende voorwaarden: meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding en middelencontrole; en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende;
- een gebiedsverbod. Het gebiedsverbod houdt in dat verdachte zich gedurende 5 jaren niet bevindt in Te Wyle in Doesburg;
- een contactverbod. Het contactverbod houdt in dat verdachte gedurende 5 jaren zich onthoudt van – direct of indirect – contact met slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2007;
 beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 7 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op;
 beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
de beslissing ten aanzien van de benadeelde partij
 veroordeelt verdachte in verband met het meer subsidiaire feit onder nummer 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 136,97 aan materiële schade en € 1.500,00 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente
- voor wat betreft het bedrag van € 1.569,99 vanaf 16 juni 2025;
- voor wat betreft het bedrag van € 66,98 vanaf 6 november 2025;
tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald);
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot immateriële schade/smartengeld;
 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 1.636,97 aan materiële schade/smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente
- voor wat betreft het bedrag van € 1.569,99 vanaf 16 juni 2025;
- voor wat betreft het bedrag van € 66,98 vanaf 6 november 2025;
tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald.
Als dit bedrag niet wordt betaald, kan/kunnen 26 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Bonder (voorzitter), mr. T.P.E.E. van Groeningen en mr. I. de Bruin, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.P. van der Meulen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 december 2025.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, onderzoek ON4R025058 / KYAT, proces-verbaalnummer. 250617.1056, gesloten op 19 juni 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 72-73.
3.Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 147.
4.Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 72-73.
5.Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige] , p. 90.
6.Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 72-73.
7.Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 147-148; 153; Proces-verbaal van verhoor verdachte toetsing rechtmatigheid inverzekeringstelling en vordering tot bewaring (artikelen 59a en 63 Wetboek van Strafvordering) d.d. 20 juni 2025; verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 november 2025.
8.Proces-verbaal van bevindingen, p. 20-21; proces-verbaal van bevindingen, p. 42-43.
9.Proces-verbaal onderzoek wapen, p. 50-51.
10.Proces-verbaal onderzoek wapen, p. 51.