ECLI:NL:RBGEL:2025:10524

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
11802983
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over de uitvoering en ontbinding van een aannemingsovereenkomst voor de plaatsing van een veranda

In deze zaak gaat het om een geschil tussen twee eisers, [eiser in conv sub 1] en [eiser in conv sub 2], en de gedaagde partij, Huis & Tuin Arnhem B.V., over de uitvoering van een aannemingsovereenkomst voor de plaatsing van een veranda. De eisers hebben een offerte van Huis & Tuin geaccepteerd en een aanbetaling gedaan. Echter, na klachten over de uitvoering van het werk, hebben de eisers Huis & Tuin in gebreke gesteld en uiteindelijk de overeenkomst willen ontbinden. Huis & Tuin betwist dat er een beëindigingsovereenkomst tot stand is gekomen en stelt dat zij bereid was om de gebreken te herstellen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de eisers niet voldoende bewijs hebben geleverd voor hun stelling dat de overeenkomst is beëindigd. De rechter heeft vastgesteld dat Huis & Tuin niet in verzuim verkeert, omdat zij niet in de gelegenheid is gesteld om de gebreken te herstellen. De vorderingen van de eisers zijn afgewezen, terwijl in reconventie de eisers zijn veroordeeld tot betaling van de openstaande aanneemsom, verminderd met de besparingen die Huis & Tuin heeft gerealiseerd door de opzegging van de overeenkomst. De proceskosten zijn voor rekening van de eisers.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Apeldoorn
Zaaknummer: 11802983 \ CV EXPL 25-2197
Vonnis van 10 december 2025
in de zaak van

1.[eiser in conv sub 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[eiser in conv sub 2],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna afzonderlijk te noemen: [eiser in conv sub 1] en [eiser in conv sub 2] en gezamenlijk te noemen: [eisers in conv] (in mannelijk enkelvoud),
gemachtigde: M.T.M. Fluitman LL.B,
tegen
HUIS & TUIN ARNHEM B.V.,
te Duiven,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Huis & Tuin,
procederend bij: [naam 1] (eigenaresse).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 september 2025,
- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende wijziging en vermeerdering van eis,
- de schriftelijke reactie van Huis & Tuin, waarbij zij tevens haar eis heeft gewijzigd,
- de mondelinge behandeling van 9 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 1 april 2025 heeft Huis & Tuin een offerte aan [eisers in conv] uitgebracht voor het leveren en monteren van een op maat gemaakte aluminium veranda met elektrische zonwering. In de offerte heeft Huis & Tuin de kosten voor de montage van de veranda begroot op € 1.239,67 (incl. btw). De totale aanneemsom heeft Huis & Tuin begroot op € 12.450,00 (incl. btw).
2.2.
Nadat [eisers in conv] akkoord is gegaan met de offerte van 1 april 2025, heeft hij een aanbetaling gedaan van € 4.357,50.
2.3.
Op 6 mei 2025 heeft [eisers in conv] aan Huis & Tuin doorgegeven dat hij de dieptemaat van de veranda wil wijzigen van 3,50 meter naar 3,35 meter. Huis & Tuin heeft hiermee ingestemd en heeft vervolgens de leverancier van de zonwering opdracht gegeven de zonwering korter te maken.
2.4.
Op 10 mei 2025 heeft Huis & Tuin de onderdelen van de veranda, met uitzondering van de elektrische zonwering, aan [eisers in conv] geleverd en is zij gestart met de montage van de veranda.
2.5.
Op 17 mei 2025 heeft Huis & Tuin het maatwerkdoek van de elektrische zonwering van de leverancier uit Duitsland ontvangen.
2.6.
Bij brief van 20 mei 2024 heeft [eisers in conv] het volgende aan Huis & Tuin bericht:
“(…)
Wij hebben de volgende klachten,
Mondelinge afspraken zijn niet nagekomen onder andere de:
Verbinding strook tussen twee veranda’s zijn niet goed afgewerkt,
Afzuiging naar buiten is niet goed afgewerkt,
De afwerking van de veranda,
De veranda is laag ingezet en er is een verschil van 3cm,
Er zijn open kieren bij de kozijn,
Aluminium zij wanden zijn niet gemonteerd,
De zonwering is niet geleverd.
(…)
Via deze brief geef ik u een laatste kans om u aan de afspraken te houden, Ik geef u hiervoor 2 weken de tijd.
Doet u dat niet dan zal ik ons contract ontbinden.
(…)”
2.7.
Op 31 mei 2025 hebben partijen via WhatsApp onder meer het volgende aan elkaar bericht:
- Huis & Tuin aan [eisers in conv] om 16:00 uur:
“(…)
Hierbij zijn de afwerkingen nog niet voldaan en zal pas op het eind afgewerkt kunnen worden.
Wij staan er voor open op morgen zondag rond 10 uur te arriveren en de werkzaamheden af te ronden inclusief het verhogen van 3 cm zoals u wenst. Dit is een wens vanuit uw kant wat achteraf gebleken is maar dit kunnen wij voor u regelen.
De zonwering op het dak en wandpanelen tegen de gevel aan zullen hierbij ook gemonteerd worden.
Afwerkingen behoren voor het eind wanneer alles geplaatst is om de puntjes op de i te zetten.
Als u hierin met ons mee wilt werken horen wij dit graag vandaag voor 20:00 uur.
(…)”
- [eisers in conv] aan Huis & Tuin om 16:50 uur:
“Vanochtend is besproken dat de veranda er uit gehaald word morgen. Tegen terug betaling die hij vandaag over gaat boeken. Meer is er niet besproken? En hij zou vandaag ter bevestiging een mail zenden.”
- [eisers in conv] aan Huis & Tuin om 17:53 uur:
“Nogmaals als u zich niet aan de afspraak gaat houden die vandaag is gemaakt door uw monteur [naam 2] . Afspraak is geld terug veranda terug. (…)”
- Huis & Tuin aan [eisers in conv] om 20:24 uur:
“Hierbij heeft u per mail reactie ontvangen op uw ingebrekestelling. (…)”
- [eisers in conv] aan Huis & Tuin om 22:03 uur:
“(…)
Wij kunnen helaas met u bedrijf niet overeen komen,
Elk werknemer geeft een andere belofte en maakt een andere afspraak met ons,
Elke keer zien wij een ander naam te voorschijn.
Wij gaan verder met de geschillencommissie.
(…)”
2.8.
In de brief van 31 mei 2025 van Huis & Tuin, per e-mail op dezelfde dag verzonden, heeft zij het volgende aan [eisers in conv] bericht:
“(…)
Wij begrijpen dat u zich zorgen maakt over een aantal punten in de uitvoering van het project. Zoals eerder telefonisch besproken, zijn wij volledig bereid de resterende werkzaamheden aan uw veranda, inclusief de afwerking en de plaatsing van de zonwering, binnen afzienbare tijd af te ronden. Ook de door u genoemde punten zoals de afzuiging, kieren bij het kozijn, de aluminium zijwanden en het ophogen van 3 cm worden hierbij meegenomen terwijl de hoogte later gemeld is en valt normaliter niet onder de nog uit te voeren werkzaamheden maar ook dit willen wij voor u doen.
(…)
Op dit moment verhindert u echter de afronding van het project door ons geen toegang meer te verlenen tot het werk. Hierdoor is het voor ons niet mogelijk om de werkzaamheden naar behoren af te ronden. In juridische zin bent u als opdrachtgever dan ook in verzuim, aangezien wij bereid en in staat zijn het werk volgens afspraak op te leveren.
Wij verzoeken u daarom vriendelijk doch dringend om onsbinnen een redelijke termijn van vijf (5) werkdagenna dagtekening van deze brief schriftelijk te bevestigen dat wij het resterende werk mogen afronden. Indien wij binnen deze termijngeen reactie ontvangenof u ons blijfttegenwerken bij de afronding, dan zij wij ons genoodzaakt om:
  • het project als zodanig op te leveren, en
  • het openstaande bedrag, inclusief kosten voor geleverde materialen en gemiste inkomsten tevorderen via ons incassobureau.
Wij hopen uiteraard dat het niet zover hoeft te komen en dat wij het werk alsnog naar tevredenheid kunnen afronden.
(…)”
2.9.
Bij e-mail van 1 juni 2025 heeft [eisers in conv] aan Huis & Tuin bericht:
“(…)Naar aanleiding van ons laatste telefoongesprek
Op datum: 31-05-2025 tijd: 11:49 bevestig ik hierbij dat u hebt toegezegd het contract te ontbinden en het product vandaag 01-06-2025 rond 10 uur zou ophalen, en dat u het aankoopbedrag van 35% zou terugbetalen.
Graag hoor ik van u wat er sinds de afspraak veranderd is?
Gesprek gevoerd met [naam 2] .
(…)”
2.10.
Bij brief van 26 juni 2025 heeft Huis & Tuin aan [eisers in conv] bericht:
“Naar aanleiding van uw brief d.d. 20 mei 2025 betreffende project #S04828, willen wij middels deze brief nogmaals en nadrukkelijk onze bereidheid uitspreken om de resterende werkzaamheden zoals eerder besproken en aangegeven in uw brief, af te ronden.
(…)
Hoewel wij constateren dat uw communicatie meerdere tegenstrijdigheden bevat en het overleg moeizaam verloopt, willen wij, in het belang van een nette afhandeling, u alsnog de mogelijkheid bieden het project 14 dagen na dagtekening van deze brief af te ronden.
(…)”

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eisers in conv] vordert samengevat, na wijziging van eis, dat de kantonrechter bij vonnis:
primair
1. voor recht zal verklaren dat tussen partijen op 31 mei 2025 een beëindigingsovereenkomst tot stand is gekomen waarbij namens Huis & Tuin door [naam 2] is aangeboden dat de veranda zou worden teruggenomen en de reeds betaalde aanbetaling zou worden terugbetaald aan [eisers in conv] , welk aanbod [eisers in conv] heeft geaccepteerd, zodat de overeenkomst van aanneming van werk per die datum is geëindigd,
subsidiair:
2. voor recht zal verklaren dat de tussen partijen op 1 april 2025 gesloten overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden per 5 juni 2025,
meer subsidiair:
3. de tussen partijen op 1 april 2025 gesloten overeenkomst zal ontbinden,
4. Huis & Tuin zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.500,00 aan G.S. [eisers in conv] aan immateriële schadevergoeding, althans tot betaling van een bedrag van een door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen bedrag,
zowel primair, subsidiair als meer subsidiair:
5. Huis & Tuin zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 4.357,50, vermeerderd met wettelijke rente,
6. Huis & Tuin zal veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis op eigen kosten de veranda te demonteren en af te voeren, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag met een maximum van € 10.000,00 en zal bepalen dat, indien Huis & Tuin hieraan geen gehoor geeft, [eisers in conv] gerechtigd is de demontage en afvoer zelf of door een derde uit te laten voeren, waarbij de kosten voor rekening van Huis & Tuin komen, althans dat de veranda in dat geval voor rekening en risico van Huis & Tuin bij [eisers in conv] zal achterblijven,
alsmede Huis & Tuin zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van dis vonnis tot aan de dag van volledige betaling.
in reconventie
3.2.
Huis & Tuin vordert, samengevat, althans zo wordt de vordering begrepen, dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eisers in conv] veroordeelt tot:
1. betaling van het openstaande factuurbedrag ter hoogte van € 8.092,50, te vermeerderd met wettelijke rente, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag met een maximum van € 10.000,00 indien niet binnen veertien dagen na betekening tot betaling wordt overgegaan,
2. verwijdering van de review die [eisers in conv] online heeft geplaatst, binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, op straffe van een dwangsom zolang de review niet verwijderd is,
3. betaling van een bedrag van € 95,00 per maand aan opslagkosten voor de zonwering vanaf 17 mei 2025 tot en met de dag waarop de zonwering feitelijk uit de loods van Huis & Tuin wordt verwijderd,
alsmede [eisers in conv] veroordeelt in de proceskosten.
in conventie en in voorwaardelijke reconventie
3.3.
Partijen hebben over en weer verweer gevoerd. Zij hebben geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van de wederpartij in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
Vooropgesteld wordt dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan Huis & Tuin de verbintenis op zich heeft genomen om (onderdelen van) een veranda te leveren aan [eisers in conv] en een veranda te plaatsen voor een door [eisers in conv] te betalen prijs van in totaal € 12.450,00. Daarmee is sprake van zowel een koopovereenkomst (artikel 7:1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) als van een overeenkomst van aanneming van werk (artikel 7:750 BW).
4.2.
[eisers in conv] legt primair aan zijn vordering ten grondslag dat partijen op 31 mei 2025 mondeling een beëindigingsovereenkomst met elkaar zijn aangegaan. Volgens [eisers in conv] heeft [naam 2] , werkzaam als monteur bij Huis & Tuin, (hierna: [naam 2] ) op 31 mei 2025 telefonisch aan [eiser in conv sub 2] toegezegd dat Huis & Tuin de aanbetaling aan [eisers in conv] zou terugbetalen en de veranda zou demonteren. [eisers in conv] heeft dit aanbod geaccepteerd, aldus [eisers in conv]
4.3.
Huis & Tuin betwist het bestaan van de gestelde beëindigingsovereenkomst. Volgens Huis & Tuin heeft [naam 2] voormelde toezegging niet gedaan. Gelet op deze betwisting, had het op de weg van [eisers in conv] gelegen om haar stelling dat [naam 2] op 31 mei 2025 aan [eisers in conv] heeft toegezegd dat Huis & Tuin de aanbetaling aan [eisers in conv] zou terugbetalen en de veranda zou demonteren en afvoeren, verder te onderbouwen. Dat heeft zij onvoldoende gedaan. Daarvoor is het volgende redengevend.
4.3.1.
[eisers in conv] heeft in de eerste plaats verwezen naar de e-mail van 1 juni 2025 (zie hiervoor 2.9.). In deze e-mail bevestigt [eisers in conv] aan Huis & Tuin wat zijns inzien tijdens het telefoongesprek op 31 mei 2025 tussen [eiser in conv sub 2] met [naam 2] is besproken. Volgens [eisers in conv] blijkt hieruit dat [naam 2] voormelde toezegging heeft gedaan. [eisers in conv] wordt niet in dit standpunt gevolgd. Uit een eenzijdig door [eisers in conv] opgestelde e-mail kan immers, zonder dat daarop is gereageerd door Huis & Tuin, niet worden afgeleid dat hetgeen daarin [eisers in conv] stelt ook daadwerkelijk juist is.
4.3.2.
[eisers in conv] heeft voorts verwezen naar een transcriptie van een telefoongesprek dat zijn gemachtigde op 5 augustus 2025 heeft gevoerd met de heer [naam 3] van Huis & Tuin. Daaruit blijkt dat [naam 3] op de vraag van de gemachtigde van [eisers in conv] waarom Huis & Tuin op 31 mei heeft aangeboden om de veranda weg te halen en er vervolgens niemand is gekomen, antwoordt:
“Nou. Volgens mij kan een monteur niet zomaar iets beslissen.”Volgens [eisers in conv] bevestigt [naam 3] hiermee impliciet dat [naam 2] de gestelde toezegging heeft gedaan. [eisers in conv] wordt hierin niet gevolgd. Het enkele feit dat [naam 3] niet tegenspreekt dat de gestelde afspraak is gemaakt, kan niet worden beschouwd als een erkenning van de gestelde afspraak.
4.3.3.
[eisers in conv] heeft ook voor het overige geen feiten naar voren gebracht of stukken overgelegd waaruit blijkt dat [naam 2] op 31 mei 2025 aan [eiser in conv sub 2] heeft toegezegd dat de overeenkomst als beëindigd moet worden beschouwd. Hiermee heeft [eisers in conv] zijn stellingen op dit punt onvoldoende onderbouwd, zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen. Niet gebleken is dan ook dat partijen een beëindigingsovereenkomst met elkaar zijn aangegaan. De primaire vordering zal daarom worden afgewezen.
4.4.
[eisers in conv] heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat hij zelf de overeenkomst tussen partijen buitengerechtelijk heeft ontbonden en meer subsidiair dat de overeenkomst in deze procedure door de kantonrechter moet worden ontbonden omdat Huis & Tuin is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst.
4.5.
Huis & Tuin heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat hij niet in verzuim verkeert omdat hij niet in de gelegenheid is gesteld de gestelde gebreken te herstellen en het werk te voltooien. Als dit verweer slaagt, kan de overeenkomst niet worden ontbonden omdat in dit geval – waarin nakoming van de overeenkomst niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is – de bevoegdheid tot ontbinding pas ontstaat wanneer Huis & Tuin in verzuim verkeert (artikel 6:265 lid 2 BW).
4.6.
Op grond van artikel 6:82 lid 1 BW treedt verzuim in beginsel in wanneer door de schuldeiser (in dit geval [eisers in conv] ) een ingebrekestelling is uitgebracht waarin de schuldenaar (in dit geval Huis & Tuin) een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld en nakoming binnen deze termijn uitblijft.
4.7.
Tussen partijen staat vast dat [eisers in conv] op 20 mei 2025 aan Huis & Tuin een ingebrekestelling heeft uitgebracht en dat nakoming binnen de gestelde termijn van veertien dagen is uitgebleven. Dit laatste kan Huis & Tuin echter niet worden verweten. Uit de hiervoor onder 2.7. uiteengezette correspondentie blijkt dat Huis & Tuin op 31 mei 2025 via WhatsApp aan [eisers in conv] heeft bericht dat zij alle werkzaamheden en gebreken die in de ingebrekestelling zijn genoemd, kan verrichten/herstellen op 1 juni 2025 (dus binnen de gestelde termijn van veertien dagen). Hierop is door [eisers in conv] niet inhoudelijk gereageerd; zij heeft zich enkel beroepen op de gestelde mondelinge beëindigingsafspraak met [naam 2] . Daarop heeft Huis & Tuin per e-mail de brief van 31 mei 2025 (zie hiervoor 2.8.) aan [eisers in conv] verzonden. In deze brief herhaalt Huis & Tuin dat zij bereid is de genoemde werkzaamheden te verrichten mits [eisers in conv] schriftelijk bevestigt dat Huis & Tuin de werkzaamheden mag afronden. [eisers in conv] heeft vervolgens afwijzend op dit voorstel gereageerd en heeft daarbij aangegeven verder te zullen gaan met de geschillencommissie. Aldus heeft [eisers in conv] Huis & Tuin niet in de gelegenheid gesteld om de overeenkomst deugdelijk na te kunnen komen. Dit heeft tot gevolg dat het verzuim niet op de in artikel 6:82 lid 1 BW bedoelde wijze is ingetreden.
4.8.
[eisers in conv] heeft zich voorts beroepen op artikel 6:83 aanhef en onder c BW. Volgens [eisers in conv] is Huis & Tuin bij herhaling aangemaand en deelde zij nadien mee dat herstel slechts zou plaatsvinden onder nader te stellen voorwaarden of dat herstel helemaal niet meer mogelijk was. Uit deze mededeling mocht [eisers in conv] naar eigen zeggen afleiden dat Huis & Tuin niet meer tot nakoming zou overgaan.
4.9.
Op grond van artikel 6:83 aanhef en onder c BW treedt verzuim zonder ingebrekestelling in wanneer de schuldeiser (in dit geval [eisers in conv] ) uit een mededeling van de schuldenaar (in dit geval Huis & Tuin) moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten.
4.10.
Het beroep van [eisers in conv] op artikel 6:83 aanhef en onder c BW faalt. Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 4.7. reeds is aangehaald, gaf Huis & Tuin juist aan wel tot (tijdig) herstel te willen overgaan. Nadat [eisers in conv] hierop niet inhoudelijk inging en zich beriep op de gestelde mondelinge afspraak met [naam 2] , heeft Huis & Tuin in de brief van 31 mei 2025 aan het herstel de voorwaarde verbonden dat [eisers in conv] aan haar schriftelijk bevestigt dat zij de betreffende werkzaamheden mag afmaken. Niet valt in te zien waarom [eisers in conv] uit deze mededeling mocht afleiden dat Huis & Tuin zou tekortschieten in de nakoming van de verplichtingen uit de overeenkomst. Integendeel, uit voormelde mededeling blijkt juist dat Huis & Tuin de werkzaamheden wel wilde verrichten maar dat zij wel een bevestiging wilde dat [eisers in conv] daaraan zou meewerken.
4.11.
[eisers in conv] heeft ten slotte aangevoerd dat de redelijkheid en billijkheid met zich brengt dat het verzuim is ingetreden omdat Huis & Tuin in de brief van 31 mei 2025 geen concreet of ondubbelzinnig herstelvoorstel heeft gedaan. Hierin wordt [eisers in conv] niet gevolgd. Voor de vraag of het door Huis & Tuin gedane herstelvoorstel concreet en ondubbelzinnig is, is niet alleen de brief van 31 mei 2025 van belang maar ook het WhatsApp-bericht dat Huis & Tuin daarvoor op 31 mei 2025 om 16:00 uur aan [eisers in conv] heeft verzonden. Daarin biedt zij aan om op 1 juni 2025 alle door [eisers in conv] in de ingebrekestelling genoemde werkzaamheden te verrichten en de genoemde gebreken te herstellen. Vervolgens herhaalt zij dit in de brief van 31 mei 2025 en verbindt zij hieraan enkel de voorwaarde dat [eisers in conv] schriftelijk aan haar bevestigt dat Huis & Tuin de betreffende werkzaamheden mag afmaken. Hiermee heeft Huis & Tuin, anders dan [eisers in conv] meent, wel een concreet en ondubbelzinnig herstelaanbod gedaan.
4.12.
Het beroep van [eisers in conv] op de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 augustus 2024 (ECLI:NL:RBMNE:2024:5368) leidt niet tot een ander oordeel. In deze casus is namelijk sprake van een andere situatie. In die procedure had de aannemer in reactie op de ingebrekestelling geantwoord dat enkel tegen betaling tot herstel zou worden overgegaan. Deze voorwaarde is in onderhavig geval niet door Huis & Tuin aan het herstel verbonden.
4.13.
Door [eisers in conv] is niet gesteld en evenmin is gebleken dat het verzuim op een andere wijze is ingetreden. Van verzuim aan de zijde van Huis & Tuin is dan ook geen sprake. Dit heeft tot gevolg dat [eisers in conv] niet de bevoegdheid had om de overeenkomst buitengerechtelijk te ontbinden en evenmin de bevoegdheid heeft om thans de ontbinding van de overeenkomst in rechte in te roepen. De in dit verband subsidiair gevorderde verklaring voor recht en meer subsidiair gevorderde ontbinding van de overeenkomst zullen daarom worden afgewezen. De hiermee samenhangende vorderingen zoals hiervoor weergegeven onder 3.1. onder 4., 5. en 6., zullen eveneens worden afgewezen omdat de overeenkomst tussen partijen niet is ontbonden en voor toewijzing van die vorderingen daarom een grondslag ontbreekt.
4.14.
[eisers in conv] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van Huis & Tuin betalen. Deze proceskosten worden vastgesteld op nihil omdat Huis & Tuin zich niet heeft laten bijstaan door een gemachtigde.
in reconventie
4.15.
Huis & Tuin maakt in reconventie allereerst aanspraak op betaling van de nog openstaande aanneemsom ter hoogte van € 8.092,50.
4.16.
Vooropgesteld wordt dat deze vordering opeisbaar is omdat niet gesteld of gebleken is dat partijen een termijn voor de betaling van de aanneemsom zijn overeenkomen. Uit artikel 6:38 BW volgt in dat geval dat terstond nakoming kan worden gevorderd.
4.17.
Zoals hiervoor uit de beoordeling in conventie blijkt, is de overeenkomst tussen partijen in stand gebleven. [eisers in conv] is dus niet ontheven van zijn uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting tot betaling van de aanneemsom. Dat de overeenkomst niet is ontbonden, wil echter nog niet zeggen dat de overeenkomst daarom niet is geëindigd. Bij een overeenkomst tot aanneming van werk kan de opdrachtgever op grond van artikel 7:764 lid 1 BW namelijk ook zonder dat de aannemer in verzuim verkeert, de overeenkomst opzeggen. Een dergelijke opzegging is vormvrij en ook een feitelijke beëindiging, zoals in dit geval het niet toelaten van Huis & Tuin tot het werk en het opzeggen van het vertrouwen dat Huis & Tuin de werkzaamheden deugdelijk gaat afronden, wordt in het geval van een ongerechtvaardigde ontbinding aangemerkt als een opzegging in de zin van artikel 7:764 BW. Aangenomen wordt dan ook dat de overeenkomst tussen partijen voortijdig is geëindigd door opzegging.
4.18.
Het gevolg van de opzegging is dat [eisers in conv] de afgesproken aanneemsom aan Huis & Tuin moet betalen, met aftrek van de besparingen die voor Huis & Tuin voortvloeien uit de opzegging (artikel 7:764 lid 2 BW). Huis & Tuin heeft tijdens de mondelinge behandeling bij monde van haar directeur [naam 2] verklaard dat 90% van het werk is afgerond. Deze stelling wordt aldus begrepen dat Huis & Tuin door de opzegging 10% bespaart op de in de offerte begrote montagekosten ter hoogte van € 1.239,67. [eisers in conv] heeft hier onvoldoende tegen in gebracht om deze stelling te betwisten. Daarmee staat als onvoldoende gemotiveerd weersproken vast dat de besparingen die voor Huis & Tuin uit de opzegging voortvloeien € 123,97 (10% van € 1.239,67) bedragen. Dit betekent dat [eisers in conv] een aanneemsom van in totaal € 12.326,03 (€ 12.450,00 -/- € 123,97) aan Huis & Tuin is verschuldigd. Daarop strekt de aanbetaling van € 4.357,50 in mindering. Van de aanneemsom resteert dus een bedrag van € 7.968,53. Dit bedrag zal worden toegewezen. De niet betwiste wettelijke rente daarover is op grond van artikel 6:119 BW eveneens toewijsbaar vanaf de datum van dit vonnis omdat niet is gesteld of gebleken dat [eisers in conv] eerder in verzuim is komen te verkeren.
4.19.
Huis & Tuin heeft gevorderd dat aan de vordering die strekt tot betaling van de openstaande aanneemsom een dwangsom wordt verbonden. Deze vordering zal worden afgewezen omdat aan de veroordeling tot betaling van een geldsom geen dwangsom kan worden verbonden (artikel 611a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).
4.20.
Huis & Tuin heeft verder gevorderd dat [eisers in conv] de door hem geplaatste review verwijdert. Volgens Huis & Tuin bevat deze review feitelijke onjuistheden en schetst deze review een oneerlijk en negatief beeld van Huis & Tuin waardoor reputatieschade is ontstaan. Door Huis & Tuin is echter niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat en waarom [eisers in conv] onrechtmatig heeft gehandeld door de review te plaatsen. Dit onderdeel van de vordering zal daarom bij gebreke van een deugdelijke grondslag worden afgewezen.
4.21.
De vordering die strekt tot betaling van een bedrag van € 95,00 per maand vanaf 17 mei 2025 wegens de gestelde opslagkosten van de zonwering, zal eveneens worden afgewezen. Uit de stellingen van Huis & Tuin blijkt namelijk niet dat zij daadwerkelijk kosten heeft moeten maken voor de opslag van de zonwering. De zonwering is kennelijk opgeslagen in een door Huis & Tuin gehuurde loods en niet gesteld of gebleken is dat als de zonwering daar niet was opgeslagen, zij deze loods niet had gehuurd of dat zij een lager bedrag aan huur zou zijn verschuldigd. Van schade is dus geen sprake.
4.22.
[eisers in conv] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van Huis & Tuin betalen. Deze proceskosten worden vastgesteld op nihil omdat Huis & Tuin zich niet heeft laten bijstaan door een gemachtigde.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [eisers in conv] af,
5.2.
veroordeelt [eisers in conv] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van Huis & Tuin vastgesteld op nihil,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.4.
veroordeelt [eisers in conv] om aan Huis & Tuin te betalen een bedrag van € 7.968,53, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf heden tot aan de dag van volledige betaling,
5.5.
veroordeelt [eisers in conv] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van Huis & Tuin vastgesteld op nihil,
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.
lt