ECLI:NL:RBGEL:2025:10544

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 oktober 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
C/05/450033 / HZ ZA 25-96
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid asbestsaneerder in civiele procedure

In deze civiele procedure heeft de Rechtbank Gelderland op 22 oktober 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen eisers en ATN V.O.F. en andere gedaagden over de aansprakelijkheid van ATN voor schade die eisers hebben geleden als gevolg van asbest in hun woning. Eisers, vertegenwoordigd door advocaat mr. T. Segers, hebben ATN aangeklaagd voor het niet deugdelijk uitvoeren van asbestsaneringswerkzaamheden die waren overeengekomen in een aannemingsovereenkomst. De rechtbank heeft vastgesteld dat eisers op 15 juli 2022 een woning hebben gekocht en dat zij ATN hebben ingeschakeld voor asbestsanering op basis van een asbestinventarisatierapport van een derde partij, [bedrijf 3]. Tijdens de sanering heeft ATN asbesthoudend materiaal aangetroffen en gesaneerd, maar eisers hebben later ontdekt dat er nog asbest aanwezig was in de schouw van de woning. De rechtbank heeft geoordeeld dat ATN niet tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst, omdat zij heeft gehandeld conform het asbestinventarisatierapport en niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de aanwezigheid van asbest die niet in het rapport was vermeld. De vorderingen van eisers zijn afgewezen, en zij zijn veroordeeld in de proceskosten van ATN, die zijn begroot op € 4.380,00. De rechtbank heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/450033 / HZ ZA 25-96
Vonnis van 22 oktober 2025
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[eiser sub 2],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. T. Segers,
tegen

1.ATN V.O.F.,

te Grootegast,
2.
PATN B.V.,
te Lutjegast,
3.
ATN B.V.,
te Grijpskerk,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: ATN,
advocaat: mr. W.A.M. Rupert.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 28 mei 2025
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 september 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eisers] heeft op 15 juli 2022 de woning aan [adres 1] gekocht. Voor de renovatie van de woning heeft [eisers] [bedrijf 1] (hierna: “ [bedrijf 1] ”) ingeschakeld als hoofdaannemer. [bedrijf 1] heeft vervolgens het sloopwerk uitbesteed aan onderaannemer [bedrijf 2] (hierna: “ [bedrijf 2] ”).
2.2.
[bedrijf 2] heeft in mei 2022 [bedrijf 3] (hierna: “ [bedrijf 3] ”) opdracht verleend voor het verrichten van een asbestinventarisatie. [bedrijf 3] heeft op 28 mei 2022 een asbestinventarisatierapport opgesteld. [bedrijf 3] heeft op verschillende plaatsen in de woning asbestbronnen aangetroffen, waaronder “
asbesthoudende vlakke beplating aan en in de schouw in de woonkamer”.
2.3.
Op 27 juli 2022 is tussen [eisers] en ATN een overeenkomst van aanneming van werk tot stand gekomen, waarin is bepaald dat ATN asbestsaneringswerkzaamheden zou uitvoeren betreffende de asbestbronnen die volgden uit het asbestinventarisatierapport van [bedrijf 3] .
2.4.
Tijdens de uitvoering van de saneringswerkzaamheden heeft ATN – vanwege een vermoeden van asbest – een monster genomen van het plaatmateriaal onder het marmeren blad achter het rooster van de schouw in de woonkamer. Hieruit bleek dat voornoemd plaatmateriaal een asbesthoudende bron was. Dit plaatmateriaal is vervolgens ook door ATN gesaneerd. Na de saneringswerkzaamheden heeft [bedrijf 4] (hierna: “ [bedrijf 4] ”) gerapporteerd over de asbestsanering en geconcludeerd dat de sanering conform de asbestinventarisatie was uitgevoerd. ATN heeft het werk vervolgens op
16 september 2022 opgeleverd.
2.5.
Circa een jaar later is [eisers] gestart met de sloop van het achtergebleven witte plaatmateriaal aan de bovenkant van de schouw. Vanwege een vermoeden van asbest is [eisers] gestopt met deze sloopwerkzaamheden en heeft hij het achtergebleven plaatmateriaal laten onderzoeken door [bedrijf 5] . Uit dit onderzoek bleek dat de achtergebleven witte beplating asbesthoudend was.
2.6.
Tussen partijen is een geschil ontstaan over of ATN de saneringswerkzaamheden zoals vastgelegd in de aannemingsovereenkomst deugdelijk heeft uitgevoerd en of ATN aansprakelijk is voor de door [eisers] geleden en te lijden schade.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vordert – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. ATN hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 11.256,13 aan schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het verzuim,
II. ATN hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 3.000,00 aan immateriële schadevergoeding,
III. ATN hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 1.110,25 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van het verzuim, althans de dag van dagvaarding,
IV. Te verklaren voor recht dat ATN hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die
[eisers] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het handelen van ATN,
V. ATN hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten en de nakosten ten bedrag van
€ 135,00 zonder betekening en € 90,00 in geval van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag van de uitspraak.
3.2.
ATN voert verweer. ATN concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

ATN heeft de overeengekomen werkzaamheden uitgevoerd
4.1.
[eisers] stelt dat ATN toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van aanneming van werk in de zin van artikelen 7:750 en 7:759 juncto
artikel 6:74 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: “BW”). Voor beantwoording van de vraag of ATN is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van aanneming van werk, is doorslaggevend wat partijen zijn overeengekomen. ATN heeft op 12 juli 2022 een offerte voor de uitvoering van asbestsanering naar [eisers] gestuurd. Daarin omschrijft ATN de uit te voeren werkzaamheden als het verwijderen en afvoeren van de asbesthoudende toepassingen zoals omschreven in het asbestinventarisatierapport van [bedrijf 3] van
28 mei 2022. De offerte is op 27 juli 2022 door [eisers] geaccepteerd. Tussen partijen is niet in geschil dat een asbestsaneerder wordt ingeschakeld nadat een asbestinventarisatie heeft plaatsgevonden waarbij is vastgelegd welke asbesttoepassingen verwijderd dienen te worden. Tussen partijen is ook niet in discussie dat ATN de asbest diende te saneren overeenkomstig het asbestinventarisatierapport van [bedrijf 3] . Partijen verschillen wel van mening over de inhoud van het asbestinventarisatierapport van [bedrijf 3] ten aanzien van het al dan niet aanwezig zijn van asbesthoudende toepassingen aan en in de schouw en daarmee welke asbest ATN diende te saneren.
4.2.
[eisers] stelt dat ATN op grond van het asbestinventarisatierapport van [bedrijf 3] de asbesthoudende beplating aan de bovenkant van de schouw diende te verwijderen. ATN betwist dat de beplating aan de bovenkant van de schouw onderdeel vormde van de door [bedrijf 3] uitgevoerde asbestinventarisatie en daarmee van haar uit te voeren saneringswerkzaamheden. In paragraaf 4.2 van het asbestinventarisatierapport van [bedrijf 3] staat vermeld dat [bedrijf 3] asbesthoudende vlakke beplating aan en in de schouw in de woonkamer heeft aangetroffen. Vervolgens heeft [bedrijf 3] de locatie van het asbesthoudend materiaal verduidelijkt met afbeeldingen, waarin [bedrijf 3] de locatie van het asbesthoudend materiaal heeft aangeduid met een pijl en een ster. Niet ter discussie staat dat ATN de door [bedrijf 3] met pijlen aangewezen beplating heeft gesaneerd.
4.3.
ATN voert terecht aan dat, indien [bedrijf 3] had bedoeld dat de gehele schouw gesaneerd diende te worden, zij dit had moeten aangeven met eenzelfde pijl of door geen pijlen te gebruiken en de gehele schouw aan te wijzen als asbesthoudend materiaal. Dat [bedrijf 3] niet de beplating boven de schouw heeft aangewezen als asbesthoudend materiaal, vindt steun in de in het asbestinventarisatierapport van [bedrijf 3] gestelde omvang van asbesthoudend materiaal aan en in de schouw van 3m2. ATN heeft onweersproken aangevoerd dat deze omvang overeenstemt met de door [bedrijf 3] bijgevoegde afbeeldingen van de schouw waarop het asbesthoudende materiaal is aangewezen en dat de omvang van het te saneren materiaal aanzienlijk hoger was geweest ingeval [bedrijf 3] de gehele schouw had bedoeld.
4.4.
Daar komt bij dat ATN bij het saneren op plaatmateriaal achter het rooster van de schouw stuitte, waarvan zij vermoedde dat dit asbesthoudend materiaal zou kunnen zijn. ATN heeft [bedrijf 3] hierop gewezen, waarna [bedrijf 3] een aanvullend onderzoek heeft uitgevoerd. Indien [bedrijf 3] in haar asbestinventarisatierapport had bedoeld dat de gehele schouw gesaneerd moest worden, omvatte het eerste asbestinventarisatierapport ook het door ATN gemelde plaatmateriaal achter het rooster van de schouw en had het voor de hand gelegen dat [bedrijf 3] op dat moment kenbaar had gemaakt dat de gehele schouw door ATN gesaneerd diende te worden. In plaats daarvan heeft [bedrijf 3] een aanvullende analyse uitgevoerd en, wederom met pijlen op afbeeldingen, in haar aangepaste asbestsaneringsrapport aangewezen dat tevens asbesthoudende beplating is aangetroffen onder het marmeren blad van de schouw achter het rooster. Uit de door [bedrijf 3] uitgevoerde asbestinventarisatie volgt derhalve niet dat ATN nog andere asbest dan wat was aangegeven diende te saneren.
4.5.
Het voorgaande in samenhang bezien, brengt de rechtbank tot het oordeel dat ATN de stelling van [eisers] dat ATN op grond van het rapport van [bedrijf 3] het plaatmateriaal boven de schouw diende te saneren voldoende gemotiveerd heeft betwist, zodat dit niet is komen vast te staan. Nu niet ter discussie staat dat ATN de door [bedrijf 3] met pijlen aangewezen beplating van 3m2 heeft gesaneerd, is de rechtbank tot zover van oordeel dat ATN niet is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van aanneming van werk.
ATN heeft waarschuwingsplicht niet geschonden
4.6.
Subsidiair stelt [eisers] dat ATN als deskundig saneerder wist of had moeten weten van de mogelijke aanwezigheid van asbest in de bovenkant van de schouw en [eisers] of [bedrijf 3] daarvoor had moeten waarschuwen. Door dit niet te doen is ATN tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van aanneming van werk, aldus [eisers] . ATN voert hiertegen aan dat zij als asbestsaneerder zelf geen inventariserend onderzoek mag doen en alleen de op basis van een inventarisatierapport de aangewezen asbesttoepassingen saneert. ATN heeft daarbij onweersproken aangevoerd dat zij niet de expertise en certificering heeft om asbestonderzoek te verrichten. Tussen partijen is niet in geschil dat ATN wel de verplichting heeft om verdenking van asbesthoudend materiaal (dat niet is gerapporteerd) te melden.
4.7.
De rechtbank stelt voorop dat ATN, gegeven de deskundigheid van [bedrijf 3] en het rapport van [bedrijf 3] waarin staat dat het rapport “een volledige asbestinventarisatie van het woonhuis” bevat, niet behoefde te verwachten dat nog andere asbesttoepassingen aanwezig zouden zijn in de woning van [eisers] . ATN mocht op de inventarisatie van [bedrijf 3] vertrouwen. Op haar rustte geen plicht zelf nader destructief onderzoek te laten verrichten. Dat ATN bij het uitvoeren van saneringswerkzaamheden op ander verdacht materiaal is gestuit en dit aan [bedrijf 3] heeft gemeld, leidt er niet toe dat ATN voor alle gemiste asbest aansprakelijk wordt, zoals zij terecht aanvoert. Dit wordt slechts anders als ATN op grond van eigen kennis en/of ervaring wist of had kunnen weten dat het onderzoek van [bedrijf 3] lacunes vertoonde.
4.8.
[eisers] stelt dat dit het geval is omdat [naam 1] , deskundig toezichthouder asbest van ATN, nadat [eisers] gestopt was met het zelf slopen van de schouw, gezegd zou hebben dat hij een vermoeden van dit asbest had. [eisers] wijst op een verklaring van [naam 2] waaruit dit zou blijken. Echter, uit diens verklaring kan dit niet worden afgeleid en ook overigens is geen bewijs geleverd voor deze stelling, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat. Verder voert [eisers] aan dat de schouw een evident verdachte locatie is voor asbest en dat de asbesthoudende beplating boven de schouw exact dezelfde beplating betreft als door [bedrijf 3] als asbesthoudend materiaal aangemerkte beplating. ATN betwist dat zij op de hoogte was van de aanwezigheid van asbest in het bovenste gedeelte van de schouw. Zij heeft onweersproken aangevoerd dat de schouw heel diende te blijven. Na de vrijgave en oplevering door ATN en [bedrijf 4] heeft [eisers] het restant van de schouw gesloopt, waarna door [bedrijf 5] is geconstateerd dat dat de beplating aan de bovenkant van de schouw asbesthoudend is. ATN heeft aangevoerd dat op de betreffende beplating pleisterwerk was aangebracht, waardoor het daaronder aanwezige plaatmateriaal niet herkenbaar of te onderzoeken was. Weliswaar wordt door [eisers] weersproken dat de asbest niet zichtbaar was voor ATN, onder verwijzing naar afbeeldingen uit het rapport van [bedrijf 5] , maar vaststaat dat de afbeeldingen uit het rapport van [bedrijf 5] zijn gemaakt nadat de schouw door [eisers] (deels) gesloopt is. Tot slot volgt uit laboratoriumonderzoek dat (de samenstelling van) het plaatmateriaal boven de schouw niet hetzelfde is als de gesaneerde asbesthoudende beplating, zodat ATN ook niet op die grond had moeten vermoeden dat de beplating boven de schouw asbesthoudend was.
4.9.
Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat ATN op grond van eigen kennis en/of ervaring niet wist of had kunnen weten dat het onderzoek van [bedrijf 3] lacunes vertoonde en er zich nog asbest bevond in de beplating boven de schouw. ATN had [eisers] niet hoeven waarschuwen voor de mogelijke aanwezigheid van asbest vanwege het feit dat asbest vaak voorkomt in schoorstenen. ATN is niet tekortgeschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst.
Geen sprake van tekortkoming in de nakoming door [bedrijf 4]
4.10.
[eisers] stelt tot slot dat ATN op grond van artikel 6:76 BW aansprakelijk is voor de fouten van [bedrijf 4] . Nog daargelaten de vraag of [bedrijf 4] is ingeschakeld voor de uitvoering van de verbintenis ten aanzien waarvan de aansprakelijkheid in het geding is
(HR 14 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0657 (
Geldnet/Kwantum)) en daarmee de vraag of [bedrijf 4] heeft te gelden als hulppersoon in de zin van artikel 6:76 BW, geldt het volgende. [eisers] voert aan dat op het moment van het vrijgeven door [bedrijf 4] duidelijk en visueel herkenbaar asbesthoudend materiaal aanwezig was. [bedrijf 4] had de door ATN opgeleverde werkzaamheden daarom nooit goed mogen keuren. Echter, ATN heeft onweersproken aangevoerd dat ook [bedrijf 4] in het asbestverwijderingsproces geen inventariserend onderzoek doet. [bedrijf 4] diende op grond van de aan haar verstrekte opdracht een visuele inspectie te verrichten, luchtmetingen te doen en kleefmonsters te nemen. Vast staat dat [bedrijf 4] dit ook heeft gedaan. Zodoende oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming door [bedrijf 4] , zodat ATN niet jegens [eisers] aansprakelijk kan worden gehouden op grond van artikel 6:76 BW.
Conclusie
4.11.
De rechtbank oordeelt op grond van het voorgaande dat ATN niet aansprakelijk is jegens [eisers] voor de geleden en nog te lijden schade ten gevolge van de aanwezigheid van asbest in de woning van [eisers] . De rechtbank zal de vorderingen van [eisers] afwijzen.
4.12.
[eisers] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ATN worden begroot op:
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
157,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.380,00

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
5.2.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 4.380,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eisers] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart beslissing 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op
22 oktober 2025.
JV/PB