ECLI:NL:RBGEL:2025:1058

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
7 februari 2025
Publicatiedatum
7 februari 2025
Zaaknummer
ARN 24-3615
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.10 WaboArt. 8:57 AwbBestemmingsplan Zwaluwstraat, artikel 2.1.2 onder b en cHoofdstuk 2.6 Welstandsnota 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omgevingsvergunning dakopbouw binnen bestemmingsplan en architectonische eenheid

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor een dakopbouw op een woning tegenover haar woning. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem verleende de vergunning omdat het bouwplan paste binnen het bestemmingsplan “Zwaluwstraat”, voldeed aan de redelijke eisen van welstand en aan de Bouwverordening en het Bouwbesluit 2012.

De rechtbank heeft het beroep van eiseres beoordeeld zonder zitting, omdat partijen geen zitting wensten. Eiseres stelde dat het bouwplan in strijd was met het bestemmingsplan, met name omdat er geen sprake zou zijn van een architectonische eenheid. Zij onderbouwde dit met een rapport van een architectenbureau.

De rechtbank oordeelde dat het bouwplan voldoet aan de maximale bouwhoogte en dat de dakopbouw identiek is aan een bestaande dakopbouw die als trendsetter geldt. Hierdoor is sprake van een architectonische eenheid zoals bedoeld in het bestemmingsplan. Het college heeft de vergunning terecht verleend als gebonden beschikking.

Het beroep is daarom ongegrond verklaard, de vergunning blijft in stand, en eiseres krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor de dakopbouw is ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/3615

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. drs. J.M. Lammers),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, het college

(gemachtigde: [naam gemachtigde]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij]uit [plaats] (derde-partij).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen een omgevingsvergunning voor een dakopbouw.
1.1.
Met de beslissing op bezwaar van 25 april 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
1.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaken niet behandeld op een zitting. [1]

Waar gaat deze zaak over?

2. Derde-partij heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een dakopbouw op haar woning op het adres [locatie 1] in [plaats]. Eiseres woont tegenover het aangevraagde bouwplan en heeft hier zicht op.
2.1.
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Zwaluwstraat” en de bestemming is “Woondoeleinden” [2] . Daarnaast gelden de facetplannen “Woningsplitsing” en “Parkeren”.
2.2.
Het college heeft de omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” verleend bij besluit van 12 december 2023, omdat deze past in het bestemmingsplan, voldoet aan de redelijke eisen van welstand, en het aannemelijk is dat het bouwplan voldoet aan de Bouwverordening en het Bouwbesluit 2012.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de omgevingsvergunning voor de dakopbouw. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wijze van beoordelen
5. Bij een omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” wordt op grond van artikel 2.10 van de Wabo getoetst aan het Bouwbesluit, de Bouwverordening, het bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand. Als het bouwplan aan deze onderdelen voldoet, dan moet het college de omgevingsvergunning verlenen. Een belangenafweging of een toets aan de goede ruimtelijke ordening vindt dan niet plaats. Een dergelijke toets is wel nodig als een bouwplan wordt vergund dat in strijd is met het bestemmingsplan.
Is er strijd met het bestemmingsplan?
6. Eiseres voert aan dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Volgens eiseres is er geen sprake van een architectonische eenheid en heeft het college de omgevingsvergunning op dit onderdeel onvoldoende gemotiveerd. Het bestemmingsplan reguleert de bouwhoogte met percentages. Hoe deze percentages invulling krijgen is niet stedenbouwkundig gereguleerd, behalve dat er sprake dient te zijn van een architectonische eenheid. Dit ziet volgens eiseres niet alleen op de detaillering maar ook op een stedenbouwkundige afweging. Eiseres wijst hierbij op de aanhef van artikel 2.1.2, onder c, van het bestemmingsplan dat luidt “stedenbouwkundige regels”. Het college heeft daarom onterecht de dakopbouw gelijkgesteld aan de detaillering van de bestaande bouwmassa, wat niet logisch is omdat de bouwmassa juist verandert door de dakopbouw. Ter onderbouwing van haar betoog heeft eiseres bij haar bezwaarschrift een rapport van [architectenbureau] overgelegd. In dit rapport is het standpunt van eiseres aan de hand van 3D-beelden inzichtelijk gemaakt.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwplan past in het bestemmingsplan. Artikel 2.1.2, onder b, van het bestemmingsplan ziet op de te realiseren bouwmassa’s en niet op detailleringen van deze bouwmassa’s. Ter onderbouwing verwijst het college naar de toelichting van het bestemmingsplan [3] waaruit blijkt dat artikel 2.1.2, onder c, van het bestemmingsplan ziet op de grote bebouwing. Over detailleringen wordt in de toelichting bij het bestemmingsplan niet gesproken. Daarnaast benadrukt het college dat de optie voor de dakopbouw al bij de eerste ontwikkeling en verkoop aanwezig was. Er zijn bovendien toen al dakopbouwen gerealiseerd. Verder verwijst het college in dit kader naar het positieve welstandsadvies. Binnen de lichte toets [4] die hierbij is uitgevoerd is expliciet getoetst aan bestaande gebouwvorm en architectuur, waardoor hiermee ook een positief oordeel over de architectonische eenheid is gegeven. Tenslotte verwijst het college naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) [5] over een dakopbouw op een woning in een bouwblok die als architectonische eenheid wordt beschouwd.
6.2.
In artikel 2.1.2 onder b van het bestemmingsplan staat:
“In het bestemmingsplan gelden de volgende regels met betrekking tot de maximale bouwhoogte en het bebouwingspercentage:
Maximaal 100% (9000 m2) van deze gronden mag worden bebouwd tot een maximum bouwhoogte van 3 meter;
Maximaal 36% (3240 m2) van deze gronden mag worden bebouwd tot een maximum bouwhoogte van 15 meter;
Maximaal 9% (810 m2) van deze gronden mag worden bebouwd tot een maximum bouwhoogte van 18 meter.”
In artikel 2.1.2 onder c van het bestemmingsplan staat:
“Voorts gelden de volgende stedenbouwkundige regels:
De bebouwing zal worden vormgegeven als architectonische eenheid, al dan niet samengesteld uit meerdere samenhangende bouwmassa’s”
[…].”
6.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals eiseres terecht opmerkt, is in het bestemmingsplan niet gereguleerd hoe de percentages als genoemd in artikel 2.1.2, onder b, van het bestemmingsplan invulling krijgen, behalve dat sprake moet zijn van een architectonische eenheid zoals bedoeld in artikel 2.1.2, onder c, van het bestemmingsplan. De aangevraagde dakopbouw voldoet aan de maximale bouwhoogte als bedoeld in artikel 2.1.2, onder b, van het bestemmingsplan. In dit geval is reeds eenzelfde dakopbouw aanwezig op het adres [locatie 2]. Deze dakopbouw is ontworpen door de oorspronkelijke architect en gelijktijdig met de nieuwbouw gerealiseerd en kan dus worden aangemerkt als zogenaamde trendsetter. De aangevraagde dakopbouw wordt op exact dezelfde manier gemaakt en gematerialiseerd, compleet met hetzelfde hekje, dakrand, gevelindeling en in dezelfde kleurstelling. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een architectonische eenheid als bedoeld in het bestemmingsplan. Het college heeft dus terecht overwogen dat het bouwplan in het bestemmingsplan past. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Uit het voorgaande volgt dat de omgevingsvergunning binnen het bestemmingsplan past. Er is niet gesteld dat er andere weigeringsgronden in de weg staan aan verlening van de vergunning. Er is daarom sprake van een gebonden beschikking. Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning moest verlenen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning voor de dakopbouw in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.M. Stroink, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Bestemmingsplan “Zwaluwstraat”, artikel 2.1.
3.Bestemmingsplan “Zwaluwstraat”, Toelichting, paragraaf 4.2.1. Randvoorwaarden voor stedenbouw en architectuur.
4.Hoofdstuk 2.6 van de Welstandsnota 2015.