Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2025:10581

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
24412
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag en bedreiging met de dood met gevangenisstraf en schadevergoeding

Op 21 januari 2025 heeft verdachte in een woning te Maasdriel het slachtoffer met een wurggreep vastgehouden totdat het slachtoffer buiten bewustzijn raakte. Verdachte heeft het slachtoffer meerdere keren geslagen en geschopt en daarbij gedreigd met de dood. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld met het oogmerk het leven van het slachtoffer te beroven, maar dat het misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank weegt mee dat het slachtoffer ernstig letsel heeft opgelopen, waaronder een oogkasbreuk en kneuzingen, en dat het slachtoffer psychische schade heeft ondervonden. Verdachte heeft geen eerdere veroordelingen en functioneert goed in de samenleving. De rechtbank houdt rekening met de context van langdurige conflicten en het feit dat verdachte na het incident hulpdiensten heeft gebeld en open is geweest.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast wordt verdachte veroordeeld tot betaling van € 385 aan materiële schade en € 1.500 aan smartengeld, vermeerderd met wettelijke rente. De schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd, waarbij betaling aan de Staat plaatsvindt ten behoeve van het slachtoffer.

De rechtbank verklaart verdachte strafbaar voor poging tot doodslag en bedreiging met de dood en spreekt verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen zijn. De opgelegde straf houdt rekening met de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, en betaling van schadevergoeding aan het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/024412-25
Datum uitspraak : 5 december 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats] (Roemenië),
wonende aan de [adres 1] .
Raadsman: mr. M. Sculic, advocaat in Rotterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 21 januari 2025 te [plaats], gemeente Maasdriel
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
(terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) (bij) die [slachtoffer] (van achteren) zijn arm(en)
stevig om de nek en/of de hals heeft gelegd en/of daarbij forse druk heeft
uitgeoefend, althans een nekklem/wurggreep heeft aangelegd en/of aangebracht
en/of in een nekklem/wurggreep heeft vastgehouden, waardoor die [slachtoffer] geen
adem kon krijgen en/of buiten bewustzijn is geraakt en/of
die [slachtoffer] (met kracht), in het gezicht, althans op het hoofd heeft getrapt en/of
geschopt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 januari 2025 te [plaats], gemeente Maasdriel
aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel,
te weten een verdikking/kneuzing van de nek en/of (een) breuk(en) in (aan)gezicht (oogkasbreuk onderwand linker oogkas doorlopend in de voor- en achterwand van de kaakholte en neus gebroken) en/of gekneusde ribben heeft toegebracht door (bij) die [slachtoffer] (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag)
- zijn armen stevig om de nek en/of de hals te leggen, althans een
nekklem/wurggreep aan te leggen en/of daarbij druk uit te oefenen en/of
in een nekklem/wurggreep vast te houden, waardoor die [slachtoffer] geen adem
kon krijgen en/of buiten bewustzijn is geraakt en/of
- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het hoofd te trappen en/of
te schoppen en/of
- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het gezicht, althans het
hoofd, te slaan en/of te stompen en/of
- meermalen, althans eenmaal, op de rug, althans het lichaam, van die
[slachtoffer] te springen;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 januari 2025 te [plaats], gemeente Maasdriel
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
(terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) (bij) die [slachtoffer] (van achteren) zijn arm(en)
stevig om de nek en/of de hals heeft gelegd en/of daarbij forse druk heeft
uitgeoefend, althans een nekklem/wurggreep heeft aangelegd en/of aangebracht
en/of in een nekklem/wurggreep heeft vastgehouden, waardoor die [slachtoffer] geen
adem kon krijgen en/of buiten bewustzijn is geraakt en/of
die [slachtoffer] (met kracht), in het gezicht, althans op het hoofd heeft getrapt en/of
geschopt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 21 januari 2025 te [plaats], gemeente Maasdriel
[slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht
en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] ,
terwijl hij die [slachtoffer] in een wurggreep/nekklem vasthield,
meermalen, althans eenmaal, dreigend de woorden toe te voegen “Ik ga je
doodmaken en/of Ik ga je vermoorden”,
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Verdachte bevond zich op 21 januari 2025 in de woning aan de [adres 2] in [plaats], gemeente Maasdriel. [slachtoffer] (hierna: aangever) was ook in de woning aanwezig. Er was sprake van een langer lopend conflict tussen verdachte en aangever, dat toen ook weer actueel werd. Aangever en zijn vrouw schreeuwden tegen verdachte en zijn vriendin. Toen aangever daarbij tegen zijn vriendin zei dat ze door zouden gaan met ruzie maken met zijn vrouw, was dit voor verdachte de druppel die de emmer deed overlopen. Verdachte heeft daarop aangever twee keer met zijn vuist in het gezicht geslagen, hem op de grond gegooid en hem daarna tegen het gezicht geschopt. Aangever reageerde daarop door het been van verdachtes vriendin vast te pakken. Verdachte werd daar heel erg boos om, sprong op de rug van aangever en pakte zijn nek vast. Verdachte heeft aangever in een wurggreep gehouden, totdat aangever buiten bewustzijn was en niet meer bewoog. Gedurende deze handelingen hebben meerdere getuigen geprobeerd verdachte van aangever af te halen. Terwijl aangever bewusteloos op de grond lag, heeft verdachte aangever nog tegen zijn rug geschopt. Hierna pakte verdachte een bijl. Aangever lag toen nog op de grond. Verdachte heeft verklaard dat hij denkt daarmee aangever te hebben willen slaan, maar dat zijn vriendin en een collega hem hebben tegengehouden dat te doen. Tijdens de hierboven genoemde geweldshandelingen schreeuwde verdachte minstens twee keer: “ik zal je vermoorden”. [2]
Uit de letselrapportage van de GGD blijkt dat bij aangever sprake was van een oogkasbreuk, een neusbeenbreuk, kneuzingen van de hals en ribben en bloeduitstortingen. [3]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag en aan de onder 2 ten laste gelegde bedreiging.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 primair en subsidiair vrijspraak bepleit. Kort gezegd is daartoe aangevoerd dat ten aanzien van het primaire het opzet op de dood ontbreekt en dat ten aanzien van het subsidiaire geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Ten aanzien van de meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling is geen bewijsverweer gevoerd.
De raadsman heeft ook ten aanzien van feit 2 geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
De vraag die aan de rechtbank voorligt is hoe het handelen van verdachte gekwalificeerd moet worden.
Op basis van de vastgestelde feiten en de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte bij aangever een wurggreep heeft aangelegd en aangever in die wurggreep heeft vastgehouden totdat aangever buiten bewustzijn zijn was en niet meer bewoog. Daarbij heeft verdachte geroepen dat hij aangever zou vermoorden. De Forensische Opsporing heeft geconcludeerd dat sprake is geweest van potentieel dodelijk letsel door geweld op de hals. [4]
Daaruit leidt de rechtbank af dat verdachte forse druk heeft toegepast. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat, als zijn huisgenoten hem niet hadden tegengehouden, verdachte aangever eveneens met een bijl zou hebben aangevallen.
De rechtbank overweegt dat verdachtes gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm, namelijk het verwurgen totdat iemand niet meer beweegt en daarbij roepen dat je iemand gaat vermoorden en ten slotte een bijl ter hand nemen, moeten worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat zij – bij het ontbreken van contra-indicaties – bewezen acht dat verdachtes opzet op dat moment hier ten volle op was gericht. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
Feit 2
De rechtbank acht eveneens bewezen dat verdachte door de woorden “ik zal je vermoorden” te roepen, terwijl hij aangever in de wurggreep had, zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 ten laste gelegde bedreiging met de dood.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op
of omstreeks21 januari 2025 te [plaats], gemeente Maasdriel
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
(terwijl die [slachtoffer] op de grond lag
) (bij
)die [slachtoffer]
(van achteren)zijn arm
(en
)
stevig om de nek en/of de hals heeft gelegd en
/ofdaarbij forse druk heeft
uitgeoefend, althans een
nekklem/wurggreep heeft aangelegd
en/of aangebracht
en
/ofin een
nekklem/wurggreep heeft vastgehouden, waardoor die [slachtoffer] geen
adem kon krijgen en
/ofbuiten bewustzijn is geraakt en
/of
die [slachtoffer]
(met kracht), in het gezicht,
althans op het hoofdheeft
getrapt en/of
geschopt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op
of omstreeks21 januari 2025 te [plaats], gemeente Maasdriel
[slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht
en/of met zware mishandeling,door die [slachtoffer] ,
terwijl hij die [slachtoffer] in een wurggreep
/nekklemvasthield,
meermalen
, althans eenmaal, dreigend de woorden toe te voegen
“Ik ga je
doodmaken en/ofIk ga je vermoorden”,
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1, primair:
poging tot doodslag;
feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, met aftrek van het voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die het voorarrest overstijgt. Bepleit is om in de plaats daarvan aan verdachte een taakstraf op te leggen, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag op [slachtoffer] en bedreiging met de dood. Door aldus te handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] gemaakt. Dat [slachtoffer] als gevolg hiervan niet om het leven is gekomen is een kwestie van geluk geweest die niet aan het handelen van verdachte is te danken maar eerder aan het handelen van de omstanders.
Niet alleen heeft verdachte het slachtoffer pijn en letsel bezorgd, ook leert de ervaring dat slachtoffers van een dergelijk feit nog lang de psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Dat is in deze zaak ook het geval. Het handelen van de verdachte heeft een grote impact op het slachtoffer gehad, zoals onder meer blijkt uit de onderbouwing van de vordering benadeelde partij en de slachtofferverklaring. Door een dergelijk gepleegd feit worden bovendien algemene gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving versterkt.
Uit het strafblad van verdachte van 29 oktober 2025 blijkt dat hij niet eerder door de strafrechter is veroordeeld.
De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van verdachte verder kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 25 april 2025. Daaruit blijkt dat verdachte naar behoren functioneert op diverse leefgebieden: hij werkt als ZZP-er in de bouw, beschikt over een goed inkomen en er zijn geen aanwijzingen voor problematisch middelengebruik. De reclassering heeft geen aanwijzingen gevonden die duiden op agressieproblematiek. Het delict als zodanig lijkt niet bij de persoon van verdachte te passen. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. Geadviseerd wordt om over te gaan tot oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Naar het oordeel van de rechtbank kan in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Tegelijkertijd heeft de rechtbank oog voor de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden. De rechtbank acht het aannemelijk dat verdachte langdurig is getreiterd door [slachtoffer] . Hoewel deze context de bewezen verklaarde feiten niet rechtvaardigt of anderszins tot strafuitsluiting leidt, zal deze omstandigheid wel worden meegewogen bij het bepalen van de op te leggen straf. Verdachte lijkt tot het uiterste te zijn getergd met als gevolg dat de stoppen zijn doorgeslagen op het moment van het delict. Hoewel het atypisch lijkt te zijn voor verdachte gingen toen bij hem alle remmen los. Dit gedrag wekte ook de verbazing van de mensen om hem heen die hem goed kenden.
De rechtbank neemt verder in het voordeel van verdachte mee dat hij, toen hij weer bij zinnen was gekomen, degene is geweest die de hulpdiensten heeft gebeld en dat hij van het begin af aan open en eerlijk zijn verhaal heeft gedaan. Hij heeft inzicht gegeven in zijn handelen en lijkt ervan te hebben geleerd. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat het bewezenverklaarde – zonder aan de ernst van het feit voorbij te gaan – kan worden bestempeld als een eenmalig incident.
Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het reeds ondergane voorarrest passend. De rechtbank zal de proeftijd bepalen op 2 jaar. Dat is lager dan de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank nog meer rekening houdt met de context waarin de feiten zich hebben afgespeeld.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het bewezenverklaarde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 385,00 aan materiële schade en
€ 5.000,00 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij met betrekking tot de materiële schade kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de hoogte van het toe te wijzen smartengeld dient te worden gematigd.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering wat betreft de materiële schade onvoldoende is onderbouwd en niet kan worden toegewezen. Ten aanzien van het gevorderde smartengeld is aangevoerd dat een bedrag van tussen de € 1.200 en € 1.400 maximaal kan worden toegewezen, gelet op de zogenaamde Rotterdamse schaal.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het bewezenverklaarde is aan het begin van het jaar, namelijk op 21 januari 2025, gebeurd. De rechtbank acht het voldoende aannemelijk dat de benadeelde zijn eigen risico toen nog niet had aangesproken en deze kosten toen heeft gemaakt.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering wat betreft het eigen risico tot het gevorderde bedrag van € 385,00 kan worden toegewezen.
Smartengeld
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt.
Door de poging tot doodslag heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 1.500,00 vaststellen. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Daarnaast is acht geslagen op de ‘Rotterdamse schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door Nederlandse rechters is verwezen bij de vaststelling en begroting van immateriële schade. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij de categorie ‘licht letsel’ met een herstelperiode van ongeveer vier tot zes maanden, vanwege met name de breuk in de oogkas.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is vanaf 21 januari 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden;
 bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 12 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 385,00 aan materiële schade en € 1.500,00 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 1.885,00 aan materiële schade/smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 28 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y. Rikken (voorzitter), mr. M.E. Snijders en mr. J.M. Breimer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.L.M. van Schaik, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 december 2025.
Mr. M.E. Snijders is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025032107, gesloten op 21 februari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 14-15; Verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 21 november 2025.
3.Letselrapportage Forensische Geneeskunde GGD Oost-54-55Nederland, p. 54-55.
4.Proces-verbaal van bevindingen, p. 24.