ECLI:NL:RBGEL:2025:10583

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
124238
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak voor artikelen 6 en 5 WVW, veroordeling wegens Artikel 49 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990

Op 5 december 2025 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van verkeersovertredingen. De zaak betrof een aanrijding op 21 september 2024 in Huissen, waarbij de verdachte, als bestuurder van een vrachtauto, een voetganger, de twaalfjarige [slachtoffer], niet voorrang verleende op een voetgangersoversteekplaats. De officier van justitie eiste een veroordeling op basis van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, maar de rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van schuld in de zin van deze wet. De rechtbank concludeerde dat de verdachte zich had gedragen zoals van een normale, voorzichtige verkeersdeelnemer verwacht mocht worden, en sprak hem vrij van de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten. Echter, de rechtbank oordeelde wel dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan een overtreding van artikel 49 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, omdat hij niet had voldaan aan de verplichting om voorrang te verlenen aan de voetganger. De rechtbank legde een geldboete op van € 450,00, met de mogelijkheid van vervangende hechtenis bij niet-betaling.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/124238-25
Datum uitspraak : 5 december 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1961 in [geboorteplaats] ,
wonende aan het [adres] ,
raadsman: mr. F.E.J. Janzing, advocaat in Wijchen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 21 september 2024 te Huissen, gemeente Lingewaard als
bestuurder van een voertuig (vrachtauto), daarmee rijdende op de weg, de
Karstraat, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam
heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl hij dat voertuig beroepsmatig bestuurde en/of
terwijl het donker was en/of
terwijl meerdere verkeersdeelnemers zich op het naastgelegen trottoir bevonden in
verband met een evenement,
- niet of in onvoldoende mate heeft gekeken en/of is blijven kijken naar het direct
voor hem gelegen weggedeelte van die weg (de Karstraat) en/of naar het verkeer op
de direct voor hem gelegen voetgangersoversteekplaats en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was
voormeld voertuig (vrachtauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover
hij genoemde weg en/of de voetgangersoversteekplaats kon overzien en waarover
deze vrij waren en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 49 lid 2 van voormeld reglement, zonder te
stoppen en/of te remmen, een op die voetgangersoversteekplaats bevindende
voetganger niet voor heeft laten gaan en/of
- ( vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een op die
voetgangersoversteekplaats bevindende voetganger, ten gevolge waarvan die
voetganger ten val is gekomen,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten
verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]
) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht,
dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale
bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 september 2024 te Huissen, gemeente Lingewaard als
bestuurder van een voertuig (vrachtauto), daarmee rijdende op de weg, de
Karstraat, terwijl hij dat voertuig beroepsmatig bestuurde en/of
terwijl het donker was en/of
terwijl meerdere verkeersdeelnemers zich op het naastgelegen trottoir bevonden in
verband met een evenement,
- niet of in onvoldoende mate heeft gekeken en/of is blijven kijken naar het direct
voor hem gelegen weggedeelte van die weg (de Karstraat) en/of naar het verkeer op
de direct voor hem gelegen voetgangersoversteekplaats en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was
voormeld voertuig (vrachtauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover
hij genoemde weg en/of de voetgangersoversteekplaats kon overzien en waarover
deze vrij waren en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 49 lid 2 van voormeld reglement, zonder te
stoppen en/of te remmen, een op die voetgangersoversteekplaats bevindende
voetganger niet voor heeft laten gaan en/of
- ( vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een op die
voetgangersoversteekplaats bevindende voetganger, ten gevolge waarvan die
voetganger ten val is gekomen,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,
althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,
althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 september 2024 te Huissen, gemeente Lingewaard als
bestuurder van een vrachtauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg,
de Karstraat, een voetganger, die op een voetgangersoversteekplaats overstak of die
kennelijk op het punt stond over te steken, niet heeft laten voorgaan, waarbij letsel
aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 21 september 2024 was verdachte bestuurder van een vrachtauto en reed hij op de Karstraat in Huissen, gemeente Lingewaard. Hij reed in de richting van de voetgangersoversteekplaats, waar een voetganger, de twaalfjarige [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), rennend overstak. Verdachte heeft [slachtoffer] niet laten voorgaan en is in botsing gekomen met haar, als gevolg waarvan zij letsel heeft opgelopen. [2]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna WVW 1994).
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft – op gronden zoals verwoord in de pleitnota – integrale vrijspraak bepleit.
Beoordeling door de rechtbank
Artikel 6 van de WWVW (1994)
De rechtbank gaat verder op basis van het dossier en wat ter zitting is besproken uit van de volgende feiten en omstandigheden. Terwijl verdachte het zebrapad naderde, was het druk op straat, omdat er een zogenaamde ‘truckrun’ had plaatsgevonden. Verdachte zag mensen langs de weg staan en lopen en hield deze in de gaten maar had de inschatting gemaakt dat deze mensen niet zouden gaan oversteken. Niet kan worden vastgesteld met welke snelheid verdachte precies reed, maar uit de tachograafgegevens en de getuigenverklaringen leidt de rechtbank af dat hij in elk geval met een snelheid onder de aldaar geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur reed. Geen van de aanwezige getuigen heeft ook verklaard dat verdachte te hard reed voor de situatie. Toen verdachte het zebrapad naderde, stak [slachtoffer] over. Meerdere getuigen zeggen dat zij dit rennend deed en een getuige benoemt ook dat ze schuin overstak. Meerdere getuigen zeggen dat het plotseling en snel gebeurde. Verdachte heeft direct gereageerd en vol geremd, maar kon een aanrijding met [slachtoffer] niet meer voorkomen en is vlak na het zebrapad met zijn vrachtwagen tot stilstand gekomen.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. Daarvoor moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid dan wel onoplettendheid en/of onachtzaamheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. Een enkel moment van onoplettendheid is over het algemeen niet voldoende voor het aannemen van aanmerkelijke schuld.
De rechtbank komt tot het oordeel dat geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Het niet verlenen van voorrang bij een voetgangersoversteekplaats is weliswaar een verkeersovertreding, maar in het onderhavige geval is dit onvoldoende voor het aannemen van aanmerkelijke schuld, ondanks de nare gevolgen die de aanrijding heeft gehad voor [slachtoffer] .
Uitgaande van de verklaring van verdachte ter zitting en de gegevens zoals die uit het procesdossier blijken, heeft verdachte zich volgens de rechtbank gedragen zoals van een normale, voorzichtige verkeersdeelnemer onder de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht. Er zijn geen aanwijzingen dat verdachte harder heeft gereden dan gegeven de omstandigheden veilig was. Evenmin zijn er aanwijzingen dat verdachte met iets anders bezig was dan met het verkeer op dat moment. Daarover heeft verdachte verklaard dat hij goed heeft gekeken en dat hij met zijn blik de hele situatie heeft bekeken. Gelet op de situatie ter plaatse vindt de rechtbank dat een aannemelijke gang van zaken. Dat brengt tevens mee dat verdachtes blik niet op elk moment op elke relevante plek kon zijn. Hoewel het, in verband met de ‘truckrun’ druk was langs de kant van de weg, heeft verdachte ook verklaard dat de mensen langs de kant van de weg ofwel vóór het zebrapad stonden ofwel erna en dat deze mensen op een behoorlijke afstand van de weg stonden. Zij stonden niet klaar om over te steken. De rechtbank kan uit het dossier niet afleiden dat dit anders was. Wel staat vast dat [slachtoffer] rende en waarschijnlijk schuin overstak. Een getuige zei daarover: “Aangezien het laatste voertuig pas net het zebrapad gepasseerd was toen het meisje begon met rennen over het zebrapad, denk ik niet dat de sleepwagen (rechtbank: verdachte) het meisje had kunnen zien aankomen.”
Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de bovengenoemde omstandigheden, het niet denkbeeldig dat zelfs een voorzichtige oplettende verkeersdeelnemer een voetganger die al rennend en schuin oversteekt over het hoofd ziet, zoals verdachte in het onderhavige geval is overkomen. Voldoende aannemelijk is geworden dat verdachte in deze situatie heeft gedaan wat van een normale voorzichtige en oplettende bestuurder verwacht mag worden. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het primair ten laste gelegde feit.
Artikel 5 WVW 1994
De rechtbank komt vervolgens toe aan de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5 WVW 1994. Om tot een veroordeling te kunnen komen voor overtreding van artikel 5 WVW 1994 is vereist dat de gedraging van verdachte zodanig is geweest dat daardoor gevaar op de weg is veroorzaakt, of kon worden veroorzaakt of het verkeer is gehinderd, of kon worden gehinderd. Hierbij is het enkel maken van een verkeersfout niet voldoende. Er moet minimaal een zekere mate van concreet gevaar scheppend dan wel hinderend gedrag zijn.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking verdachtes verkeersgedrag wat heeft geleid tot de vrijspraak van artikel 6 WVW 1994, acht de rechtbank evenmin wettig en overtuigend bewezen dat verdachte daadwerkelijk een zekere mate van gevaar scheppend dan wel hinderend gedrag heeft vertoond. De rechtbank spreekt verdachte daarom ook vrij van het subsidiair ten laste gelegde feit.
Artikel 49 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
Wat de rechtbank wel kan vaststellen, is dat verdachte heeft verzuimd voorrang te verlenen aan een voetganger. [slachtoffer] had voorrang en was bezig een zebrapad over te steken. Verdachte en [slachtoffer] zijn met elkaar in aanrijding gekomen, waardoor [slachtoffer] letsel heeft opgelopen. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meer subsidiair ten laste gelegde feit.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks21 september 2024 te Huissen, gemeente Lingewaard als
bestuurder van een vrachtauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg,
de Karstraat, een voetganger, die op een voetgangersoversteekplaats overstak
of die
kennelijk op het punt stond over te steken,niet heeft laten voorgaan, waarbij letsel
aan personen is ontstaan
of schade aan goederen is toegebracht.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
meer subsidiair:
overtreding van het bepaalde bij artikel 49 onder het tweede lid van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft in het geval van een bewezenverklaring, bepleit dat aansluiting dient te worden gezocht bij de LOVS-oriëntatiepunten. Bepleit is om in geval van een rijontzegging deze geheel voorwaardelijk op te leggen, gelet op het grote belang van verdachte bij het hebben van zijn rijbewijs in verband met zijn werk als bergingschauffeur.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft een verkeersovertreding begaan door geen voorrang te verlenen aan een voetganger. Hierdoor is een aanrijding ontstaan die ernstige gevolgen heeft gehad voor het slachtoffer, zoals zij en haar moeder ook duidelijk naar voren hebben gebracht tijdens de zitting.
Voor dergelijke verkeersfouten worden in vergelijkbare zaken geldboetes opgelegd.
De rechtbank komt daarmee tot een lagere straf dan geëist door de officier van justitie omdat de rechtbank verdachte vrijspreekt van overtreding van de artikelen 6 en 5 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank zal een geldboete van € 450,00 opleggen.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:
- 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht;
- 49 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

9.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten;
 verklaart bewezen dat verdachte het overige ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 legt op een geldboete van € 450,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 dagen hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Snijders (voorzitter), mr. J.M. Breimer en mr. Y. Rikken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.L.M. van Schaik, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 december 2025.
Mr. M.E. Snijders is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer L0600-2024444546, gesloten op 30 oktober 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal aanrijding overtreding, p. 6-8; verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 21 november 2025.