ECLI:NL:RBGEL:2025:10722

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
C/05/445902 / HA ZA 25-6
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding en arbeidsongeschiktheidsverzekering van een dierenarts tegen Achmea

In deze zaak vordert [eiser], een dierenarts, schadevergoeding van Achmea Schadeverzekeringen N.V. wegens een vermeende tekortkoming in de nakoming van een arbeidsongeschiktheidsverzekering. [eiser] heeft zich op 3 juli 2013 arbeidsongeschikt gemeld vanwege psychische klachten, maar Achmea heeft de uitkering vanaf juni 2014 afgebouwd en uiteindelijk beëindigd. [eiser] stelt dat hij in de periode van 18 juni 2014 tot 22 juni 2017 volledig arbeidsongeschikt was en vordert een uitkering op basis van 100% arbeidsongeschiktheid, alsook schadevergoeding voor de gedwongen verkoop van zijn woning. Achmea betwist de aansprakelijkheid en stelt dat [eiser] niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan, waaronder het zich onder behandeling stellen. De rechtbank oordeelt dat Achmea conform de polisvoorwaarden heeft gehandeld en dat er geen tekortkoming is vastgesteld. [eiser] wordt in het ongelijk gesteld en moet de proceskosten betalen.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/445902 / HA ZA 25-6
Vonnis van 17 december 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. E.J.C. de Jong,
tegen
ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
handelend onder de naam INTERPOLIS,
gevestigd te Apeldoorn,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Achmea,
advocaat: mr. H.E. Foudraine.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 12 maart 2025
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 oktober 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is dierenarts. Tussen [eiser] en Achmea is een verzekeringsovereenkomst tot stand gekomen, te weten een Arbeidsongeschiktheidsverzekering InkomensZekerPlan voor Vrije beroepen. In de polis van 18 december 2012 staat dat vanaf 25% arbeidsongeschiktheid wordt uitgekeerd en dat de uitkering gelijk is aan het arbeidsongeschiktheidspercentage.
2.2.
In de Algemene voorwaarden Arbeidsongeschiktheidsverzekering, die op de verzekeringsovereenkomst tussen partijen van toepassing zijn, staat onder meer het volgende:
Artikel 1 Begrippen
In deze voorwaarden wordt verstaan onder:
Arbeidsongeschiktheid
Van arbeidsongeschiktheid is uitsluitend sprake indien er in relatie tot ziekte of ongeval, objectief medisch vast te stellen stoornissen bestaan, waardoor de verzekerde beperkt is in zijn of haar functioneren. (…)
1.
Beroepsarbeidsongeschiktheid
Zonder iets af te doen aan de bovenstaande omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid is arbeidsongeschiktheid aanwezig als de verzekerde voor tenminste het op het verzekeringsbewijs vermelde percentage ongeschikt is voor het verrichten van werkzaamheden die verbonden zijn aan het beroep of bedrijf of die in het beroep of bedrijf in redelijkheid van de verzekerde verlangd kunnen worden. Bij het vaststellen van de werkzaamheden houden wij rekening met mogelijke taakaanpassingen, taakverschuivingen, en/of aanpassing van de werkomstandigheden.
(…)
Eerste dag van arbeidsongeschiktheid
De dag volgend op de dag waarop de verzekerde zich bij arbeidsongeschiktheid onder behandeling van een arts heeft gesteld.
(…)
Artikel 8 Vaststelling van en recht op uitkering bij arbeidsongeschiktheid
1. Wij stellen de mate van arbeidsongeschiktheid vast aan de hand van rapportages van door ons aan te wijzen deskundigen.
(…)
Artikel 11 Verplichtingen bij arbeidsongeschiktheid
(…)
3Als u of de arbeidsongeschikte verzekerde zich niet aan de in artikel 11 genoemde verplichtingen houdt, en daardoor onze belangen schaadt, mogen wij het recht op uitkering herzien, opschorten of beëindigen.
4De arbeidsongeschikte verzekerde moet zich direct onder behandeling van een arts stellen, alles doen om zijn of haar herstel te bevorderen en alles nalaten wat zijn herstel kan vertragen of verhinderen.
5De arbeidsongeschikte verzekerde moet redelijkerwijs zijn volledige medewerking verlenen aan alle activiteiten die tot doel hebben om de arbeidsongeschiktheid te verminderen.
2.3.
[eiser] heeft zich op 3 juli 2013 arbeidsongeschikt gemeld bij Achmea wegens psychische klachten. In het intakeformulier van 5 juli 2013 is vermeld dat sprake is van ernstige burn-outklachten, die verband houden met onenigheid in de maatschap waarvan [eiser] deel uitmaakt, waardoor [eiser] uit die maatschap moet treden en hij drie weken de tijd heeft gekregen om een eigen praktijk te starten. Tevens is daarin vermeld dat [eiser] in verband met zijn klachten op 3 juli 2013 zijn huisarts heeft geraadpleegd.
2.4.
In het rapport van de arbeidsdeskundige van 20 september 2013 is onder meer vermeld dat zonder voorafgaand arbeidsdeskundig onderzoek een praktijkondersteuner, de heer [naam 1] , is ingeschakeld vanwege de urgente hulpvraag van [eiser] om in korte tijd een zelfstandige dierenartsenpraktijk op te zetten en dat met [eiser] is besproken dat het beleid van Achmea in eerste instantie op de ondersteuning richting herstel en werkhervatting is gericht, maar dat bij het uitblijven daarvan op enig moment objectivering van de beperkingen voor functioneren zal worden gewenst. Als datum voor vermoedelijke werkhervatting wordt 1 juli 2014 vermeld. In dat rapport staat verder het volgende:
Reïntegratie
Wat is volgens verzekerde de te volgen weg naar herstel?
Hij verwacht een langdurig traject, waarbij van belang zal zijn dat de problemen worden opgelost en er weer perspectief ontstaat. Er is geen behandeling ingesteld. Hij ziet niets in “praten over zijn problemen”, ze moeten worden opgelost. Hij twijfelt nu aan de juistheid van de stappen die hij recent heeft ondernomen.
2.5.
In het rapport van de arbeidsdeskundige van 28 januari 2014 is vermeld dat [eiser] bezig is met het opzetten van de nieuwe praktijk, dat die praktijk wel staat en klandizie heeft, maar dat dat nog te weinig oplevert om van te kunnen leven en dat hij grote energetische en cognitieve beperkingen ervaart. Verder staat daarin dat met [eiser] is gesproken over de mogelijke zin van medische hulp, dat hij ‘daar eigenlijk wars van is’, maar dat hij het wel overweegt, omdat het van kwaad tot erger gaat met zijn persoonlijk welzijn. Onder het kopje ‘Aanvullend advies’ staat:
Ik heb met verzekerde besproken dat gezien de inmiddels verstreken tijd en het ontbreken van uitzicht op beter, Interpolis wellicht zal overgaan tot een onderzoek om de beperkingen voor functioneren te objectiveren. Wellicht is dit in het licht van de situatie ook zeer zinvol, al was het alleen al om therapeutische adviezen te vernemen.
2.6.
Op 24 maart 2014 heeft psychiater [naam 2] [eiser] in het kader van een medische expertise onderzocht. In het rapport van [naam 2] van 1 april 2014 is vermeld dat bij [eiser] sprake is van psychische klachten op basis van een aanpassingsstoornis; een disproportionele emotionele of gedragsmatige reactie, veroorzaakt door een conflict binnen de maatschap en de gevolgen daarvan. Bij psychiatrisch onderzoek worden behalve een verhoogde emotionaliteit geen afwijkingen vastgesteld. Er is sprake van disfunctionele coping [1] . In de Adviesaanvraag voor Arbeidsdeskundige van 23 april 2014 zijn de bevindingen van de verzekeringsarts vermeld. Daarin staat dat er geen aanwijzingen worden gevonden voor beperkingen binnen de rubriek Persoonlijk functioneren en dat de door de psychiater beschreven overige beperkingen, onder andere door [eiser] gemelde vermoeidheidsklachten en concentratieproblemen, niet voortkomen uit een ernstig psychiatrisch ziektebeeld of persoonlijkheidsstoornis, maar zijn te beschouwen als lichte psychische problemen voortkomend uit inadequate coping. Verder is daarin ten aanzien van het dagverhaal van [eiser] vermeld dat hij op doordeweekse dagen hele dagen en op zaterdagochtend in de praktijk aanwezig is en zich bezighoudt met telefonisch spreekuur, samen met de vervangend dierenarts visites rijdt, de administratie doet en beschikbaar is voor spoedgevallen en dat hij in de rest van het weekend bereikbaar is voor spoedgevallen.
2.7.
In het rapport van de arbeidsdeskundige van 11 juni 2014 is vermeld dat naar aanleiding van het psychiatrisch expertise onderzoek van 24 maart 2014 geen beperkingen voor functioneren zijn vastgesteld, dat de arbeidsdeskundige daardoor geen arbeidsongeschiktheid kan vaststellen en dat de arbeidsongeschiktheid dus formeel niet anders kan zijn dan minder dan 25%.
2.8.
Bij brief van Achmea van 18 juni 2014 is aan [eiser] meegedeeld dat uit specialistisch onderzoek naar voren is gekomen dat sprake is van psychische klachten veroorzaakt door een conflict binnen de maatschap, dat er geen beperkingen voor arbeid zijn vastgesteld en dat dat betekent dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid in de polisvoorwaarden. Verder is meegedeeld dat er geen recht bestaat op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en dat geheel onverplicht is besloten om de uitkering gelijkelijk af te bouwen, waarbij [eiser] met ingang van 18 juni 2014 een uitkering ontvangt van 50%, met ingang van 1 augustus 2014 van 40%, met ingang van 1 september 2014 van 30% en de uitkering per 1 oktober 2014 wordt beëindigd.
2.9.
Bij brief van 18 augustus 2014 aan Achmea heeft de toenmalige advocaat van [eiser] , mr. Gregoor, bezwaar gemaakt tegen het afbouwen en uiteindelijk per 1 oktober 2014 beëindigen van de uitkering. Daarbij is meegedeeld dat [eiser] zich nog steeds volledig arbeidsongeschikt acht, dat hij in juli 2014 is gezien door twee GZ-psychologen van HSK en dat een behandeling is geïndiceerd. In die brief wordt verzocht de beslissing met betrekking tot het afbouwen van de uitkering te heroverwegen. Verder is meegedeeld dat het noodzakelijk is dat [eiser] een waarnemer voor zijn praktijk kan inschakelen om het beoogde behandeltraject bij de psychologen van HSK te kunnen volgen. Door de afbouw van de uitkering, ontbreekt het [eiser] aan financiële middelen om een waarnemer in te schakelen en is het voor hem niet mogelijk de noodzakelijke behandeling te starten.
2.10.
Op 5 januari 2015 heeft een her-expertise door psychiater [naam 2] plaatsgevonden. Uit zijn rapport van 20 januari 2015 komt naar voren dat er op dat moment sprake is van een matig ernstige depressieve stoornis [2] . In de Adviesaanvraag voor Arbeidsdeskundige van 10 februari 2015 zijn de bevindingen van de verzekeringsarts vermeld [3] . Daarin staat dat de eerdere diagnose aanpassingsstoornis, die door de expertisearts in april 2014 werd vastgesteld, in de loop van 2014 is verergerd als gevolg van aanhoudende uitzichtloosheid en frustratie die [eiser] ervaart over zijn leven, tezamen met een aantal nieuwe stressvolle gebeurtenissen het afgelopen jaar. Daarin is tevens het dagverhaal van [eiser] vermeld, met als opmerking dat het niveau van functioneren ongewijzigd is ten opzichte de eerdere expertise van 1 april 2014. Verder is daarin vermeld:
Beperkingenpatroon: binnen de rubriek Persoonlijk functioneren is een beperking gevonden binnen het item Overig: verzekerde rapporteert somberheid, vermoeidheidsklachten en concentratieproblemen. Hij heeft daarbij last van slaapproblemen en een verhoogd spanningsniveau. Het is aannemelijk dat het samenstel van klachten samenhangt met enige afname van energetische belastbaarheid, voortvloeiende uit een depressieve stoornis (…) Uit de expertise blijkt dit verminderde energieniveau met name van invloed te zijn op zijn afgenomen prive-activiteiten en vooralsnog niet die in het werk. In het onderzoek worden verder geen aanwijzingen gevonden voor de andere items binnen de rubrieken van Persoonlijk en Sociaal functioneren. Therapeutisch advies: behandeling middels psychotherapie. Het huidige behandelbeleid bij HSK komt op zich adequaat over. Het is dan wel van belang dat er een oplossing wordt gevonden opdat verzekerde zichzelf vrij kan stellen om aan psychotherapie deel te nemen dan wel medicatie te starten
Prognose: wordt als matig tot redelijk ingeschat.
2.11.
Bij brief van 26 januari 2015 heeft een psycholoog van HSK aan de huisarts van [eiser] meegedeeld dat [eiser] van 3 november 2014 tot en met 26 januari 2015 in behandeling is geweest, maar dat de behandeling niet op gang is gekomen omdat hij vanwege werkomstandigheden niet in de gelegenheid is om regelmatig te komen en tussen de gesprekken door huiswerkopdrachten te verrichten. Daarbij is vermeld dat [eiser] tussen de intake in juli 2014 en de afsluiting in januari 2015 negen afspraken heeft moeten annuleren.
2.12.
Bij brief van 9 maart 2015 heeft Achmea aan mr. Gregoor meegedeeld dat ook na de her-expertise geen beperkingen worden gesteld voor arbeid, dat de arbeidsdeskundige aan [eiser] heeft gevraagd aan te geven wat hij nodig heeft om een behandeling te kunnen starten en dat Achmea na ontvangst van die informatie zal bekijken in hoeverre zij hierin kan bijdragen.
2.13.
Daarna is tussen partijen gecorrespondeerd over onder meer het verschil van inzicht over de beperkingen van [eiser] en over wat er nodig is zodat [eiser] met het behandeltraject bij HSK kan starten en hoeveel tijd met dat behandeltraject gemoeid zal zijn.
2.14.
Bij brief van 29 oktober 2015 heeft mr. Gregoor aan Achmea onder meer meegedeeld dat HSK heeft aangegeven dat op [eiser] de richtlijn vier tot acht weken arbeidsongeschiktheid van toepassing is en dat er rekening moet worden gehouden met een termijn van 6 tot 12 maanden totdat [eiser] volledig arbeidsgeschikt is voor eigen werk.
2.15.
Bij e-mailbericht van 23 december 2015 heeft Achmea aan mr. Gregoor meegedeeld dat zij bereid is aan [eiser] onverplicht een uitkering te verstrekken, waarbij zij voorstelt om gedurende de eerste vier weken van de behandeling aan [eiser] een uitkering van 100% te verstrekken en daarna nog vier weken een uitkering van 50%. Daarbij is meegedeeld dat dit voorstel los staat van het standpunt van Achmea dat zij nog steeds uitgaat van minder dan 25% arbeidsongeschiktheid bij [eiser] .
2.16.
Bij brief van 15 maart 2016 heeft mr. Gregoor op het voorstel van Achmea gereageerd en zich op het standpunt gesteld dat het door Achmea voorgestelde behandeltraject te kort is en niet haalbaar. Zij verzoekt Achmea in te stemmen met betaling van een uitkering van 100% gedurende drie maanden, daarna 75% gedurende twee maanden en 50% gedurende één maand. Verder stelt zij voor om op gezamenlijk verzoek een psychiatrische her-expertise te laten verrichten.
2.17.
Bij e-mailbericht van 14 april 2016 heeft Achmea aan mr. Gregoor meegedeeld dat zij instemt met een second opinion en bij e-mailbericht van 28 april 2016 heeft Achmea een aantal psychiaters voorgesteld.
2.18.
Bij brief van 13 juni 2016 heeft mr. Gregoor aan Achmea meegedeeld dat [eiser] akkoord is met het verrichten van een expertise door psychiater [naam 3] . Daarbij heeft zij tevens meegedeeld dat [eiser] het voorstel voor een coulance uitkering van vier weken 100%, gevolgd door vier weken 50% wil aannemen met de uitdrukkelijke kanttekening dat dat dit slechts een begin is en dat, als blijkt dat deze twee maanden onvoldoende zijn, opnieuw dient te worden bezien of bijstelling noodzakelijk is.
2.19.
Bij brief van 27 juni 2016 heeft Achmea aan mr. Gregoor bericht dat [eiser] over de periode van 27 juni tot en met 24 juli 2016 een uitkering zal ontvangen van 100% en over de periode van 25 juli tot en met 21 augustus 2016 een uitkering van 50%.
2.20.
In het psychiatrisch expertiserapport van [naam 3] van 21 december 2016 is als diagnose opgenomen: een depressieve stoornis matig tot ernstig met chronisch beloop, voor het eerst geobjectiveerd in april 2014 middels onderzoek bij HSK [4] .
2.21.
Bij e-mailbericht van 30 maart 2017 heeft de waarnemer van mr. Gregoor, mr. D.N.R. Wegerif, aan Achmea onder meer meegedeeld dat [eiser] op basis van de uitkeringen in juli/augustus 2016 gedeeltelijk in staat was een parttime waarneemster aan te stellen, die per 15 augustus 2016 in dienst is getreden en die sinds korte tijd zodanig is ingewerkt dat zij voor een gedeelte zelfstandig in de praktijk van [eiser] kan functioneren. Om die reden zijn de werkomstandigheden pas op dat moment zodanig dat [eiser] het behandeltraject bij HSK zal kunnen starten. Daarbij wordt voorgesteld om [eiser] met ingang van 8 mei 2017 100% uitkering te verstrekken gedurende een periode van tenminste zes maanden.
2.22.
Bij brief van 18 mei 2017 heeft Achmea aan mr. Wegerif, meegedeeld dat zij een uitkering van 100% aan [eiser] zal verstrekken als hij de behandeling bij HSK start en dat zij graag de startdatum van de behandeling bij HSK en het advies en behandelplan van HSK ontvangt.
2.23.
Bij brief van 9 juni 2017 heeft mr. Wegerif aan Achmea meegedeeld dat [eiser] op 23 juni 2017 met de behandeling bij HSK zal starten.
2.24.
Bij brief van 13 juli 2017 heeft Achmea aan mr. Gregoor meegedeeld dat zij aan [eiser] met ingang van 23 juni 2017 een uitkering van 100% betaalt. Daarbij is tevens meegedeeld dat geen arbeidsongeschiktheid van [eiser] wordt aangenomen omdat hij zijn werk niet heeft neergelegd en hij zich niet onder behandeling heeft gesteld en dat daarom het verzoek van [eiser] om premievrijstelling wordt geparkeerd.
2.25.
Bij e-mailbericht van 15 september 2017 is door Achmea aan mr. Gregoor bericht dat zij uit coulance een uitkering van 100% aan [eiser] verstrekt over de periode van 16 juli tot 13 augustus 2017 en dat zij graag het behandelplan wil ontvangen
2.26.
Bij brief van 25 september 2017 is door Achmea aan mr. Gregoor bericht dat vanaf 13 augustus 2017 een uitkering van 100% aan [eiser] is verstrekt en is wederom gevraagd naar het behandelplan.
2.27.
Daarna is tussen partijen gecorrespondeerd over onder meer de beëindiging van de inzet van praktijkondersteuner [naam 1] omdat de begeleiding zich in een afrondende fase bevindt, het verstrekken van een uitkering aan [eiser] na 22 september 2017 en het behandelplan van HSK. Daarbij is namens [eiser] verzocht om de precieze mate van zijn arbeidsongeschiktheid over de periode van juni 2014 tot 23 juni 2017 op basis van het expertiserapport van [naam 3] te laten vaststellen door een verzekeringsgeneeskundige en een arbeidsdeskundige. In dat verband heeft Achmea een onderzoek door een arbeidsdeskundige voorgesteld.
2.28.
In de rapportage van de arbeidsdeskundige van 15 december 2017 is vermeld dat uit informatie van HSK is gebleken dat de behandeling nog niet het beoogde resultaat oplevert en dat er wordt gesproken over een toename van klachten. Verder is daarin het dagverhaal van [eiser] opgenomen, waarbij hij heeft aangegeven dat hij hooguit 10% per dag productief is in zijn praktijk.
2.29.
Bij brief van 21 december 2017 is door Achmea aan mr. Gregoor meegedeeld dat [eiser] in de periode van 23 september 2017 tot 22 december 2017 een uitkering ontvangt van 90%. Daarin is vermeld dat de medisch adviseur van Achmea heeft vernomen dat [eiser] door HSK is verwezen naar een psychiater en dat zal worden afgewacht welke medische adviezen [eiser] zal ontvangen.
2.30.
Bij brieven van 12 april 2018 en 23 juli 2018 heeft Achmea aan mr. Gregoor bericht dat zij voorlopig een uitkering van 90% zal blijven verstrekken aan [eiser] .
2.31.
Naar aanleiding van een concept verzoekschrift voorlopig deskundigenbericht van mr. Gregoor, heeft Achmea bij brief van 8 november 2018 ingestemd met een arbeidsdeskundige beoordeling door de heer [naam 4] over de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiser] over de periode van oktober 2014 tot juni 2017.
2.32.
Daarna is tussen partijen gecorrespondeerd over de vraagstelling aan arbeidsdeskundige [naam 4] . Bij brief van 29 juli 2019 is de opdracht aan [naam 4] verstrekt.
2.33.
In juli 2020 heeft [naam 4] een concept rapport aan partijen gezonden. Naar aanleiding daarvan heeft Achmea kenbaar gemaakt dat zij zich niet kan vinden in het concept rapport omdat de door [naam 4] te hanteren beperkingen van [eiser] niet voldoende duidelijk zijn vastgesteld in het expertiserapport van [naam 3] . Achmea meent dat een Functie Mogelijkhedenlijst (FML) dient te worden opgesteld door een verzekeringsgeneeskundige, waarna de mate van arbeidsongeschiktheid door [naam 4] kan worden vastgesteld. De opvolgend advocaat van [eiser] , mr. De Jong, meent dat een nadere vraagstelling aan [naam 4] niet meer aan de orde is.
2.34.
In de eindrapportage van 6 januari 2021 heeft [naam 4] , samengevat, het volgende vermeld:
  • Ondanks het ontbreken van een door een verzekeringsarts opgesteld beperkingenpatroon, is hij op basis van het in het expertiserapport van [naam 3] weergegeven overzicht van klachten en belemmeringen die [eiser] ervaart, tot een verantwoorde weging kunnen komen.
  • Strikt medisch/arbeidsdeskundig gezien is [eiser] in de periode van 18 juni 2014 tot 22 juni 2017 volledig arbeidsongeschikt te beschouwen.
  • Om te achterhalen op welke wijze de omzet is gegenereerd in de praktijk van [eiser] in met name de jaren 2014 tot en met 2016 wordt specialistisch boekenonderzoek geadviseerd, omdat een dergelijk onderzoek zijn expertise op dit gebied overstijgt.
  • De werkzaamheden die [eiser] in de periode van 18 juni 2014 tot 22 juni 2017 heeft verricht in zijn praktijk zijn hem niet toe te rekenen.
2.35.
Bij brief van 5 februari 2021 heeft Achmea aan mr. De Jong meegedeeld dat zij het rapport van [naam 4] afwijst omdat [naam 4] bij het ontbreken van een beperkingenpatroon of functionele mogelijkhedenlijst zelf een aanname heeft gedaan met betrekking tot de beperkingen van [eiser] . Volgens Achmea kan een nieuwe beoordeling enkel plaatsvinden als de arbeidsdeskundige beschikt over uitgeschreven beperkingen in FML-termen.
2.36.
Op 23 juli 2021 heeft [eiser] Achmea gedagvaard om te verschijnen in een civiele procedure bij de rechtbank Gelderland. Daarin vordert [eiser] (i) te bepalen dat het rapport van [naam 4] van 6 januari 2021 tussen partijen geldend is, (ii) te bepalen dat hij in de periode 18 juni 2014 tot 22 juni 2017 volledig arbeidsongeschikt was zoals bedoeld in de polisvoorwaarden (iii) Achmea te veroordelen tot betaling van een uitkering op basis van 100% arbeidsongeschiktheid over de periode van 18 juni 2014 tot 22 juni 2017, te verhogen met wettelijke rente, (iv) Achmea te veroordelen tot betaling van € 5000,00 aan smartengeld, te verhogen met wettelijke rente en (v) € 34.251,00 aan buitengerechtelijke kosten, te verhogen met wettelijke rente, (vi) te bepalen dat [eiser] vanaf 3 juli 2014 recht heeft op premievrijstelling en Achmea te veroordelen om de sindsdien betaald premies aan hem terug te betalen, te verhogen met wettelijke rente en (vii) Achmea te veroordelen in de proceskosten.
2.37.
Bij e-mailbericht van 16 augustus 2021 heeft Achmea aan mr. De Jong bericht dat zij heeft besloten aan [eiser] (i) over de periode van 18 juni 2014 tot 22 juni 2017 een uitkering te verstrekken op basis van 100% arbeidsongeschiktheid, te verhogen met de wettelijke rente, (ii) over die periode premievrijstelling te verlenen, (iii) € 5.000,00 en (iv) € 34.251,00 te betalen. Daarbij heeft Achmea zich bereid verklaard om op haar kosten de belastingschade van [eiser] in kaart te brengen en deze belastingschade aan hem te voldoen.
2.38.
Daarna is de procedure bij de rechtbank geroyeerd.
2.39.
Bij brief van 18 oktober 2022 aan Achmea heeft mr. De Jong namens [eiser] aanspraak gemaakt op betaling van (i) € 34.536,00 aan belastingschade, (ii) € 8.855,39 aan kosten voor de berekening van de belastingschade en (iii) € 250.000,00 aan schadevergoeding wegens de gedwongen verkoop van een aan [eiser] en zijn echtgenote in eigendom toebehorende woning.
2.40.
Bij brief van 21 december 2022 heeft Achmea aan mr. De Jong meegedeeld dat zij de belastingschade en de kosten voor de berekening daarvan aan [eiser] zal betalen, maar dat zij de gestelde schade wegens de verkoop van de woning niet zal vergoeden.
2.41.
Tot het einde van de looptijd van de verzekeringsovereenkomst heeft [eiser] een uitkering van 90% ontvangen. De verzekeringsovereenkomst is per 25 januari 2024 beëindigd omdat [eiser] toen de eindleeftijd heeft bereikt.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert in de dagvaarding dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis Achmea zal veroordelen om aan hem te betalen € 211.511,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2019, met veroordeling van Achmea in de proceskosten. Ter zitting heeft hij zijn eis verminderd tot een bedrag van € 105.775,50.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [eiser] is werkzaam als dierenarts en heeft sinds 1 juni 2008 een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij Interpolis, een merk van Achmea. Op 3 juli 2013 heeft [eiser] zich arbeidsongeschikt gemeld bij Achmea wegens ernstige psychische klachten. Tot juni 2014 heeft hij van Achmea een arbeidsongeschiktheidsuitkering van 100% ontvangen. Vanaf juni 2014 is de mate van arbeidsongeschiktheid door Achmea ter discussie gesteld. Op 23 juli 2021 heeft [eiser] Achmea gedagvaard in een civiele procedure. Daarin is onder meer gevorderd om Achmea te veroordelen tot betaling van een uitkering op basis van 100% arbeidsongeschiktheid over de periode van 18 juni 2014 tot 22 juni 2017, vermeerderd met wettelijke rente. Achmea heeft vrijwillig aan het petitum van die dagvaarding voldaan. Zij heeft [eiser] onder meer nadere uitkeringen verstrekt op basis van de met terugwerkende kracht vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. Daarnaast heeft Achmea belastingschade en de kosten voor berekening van de belastingschade aan [eiser] vergoed. Doordat [eiser] in de periode 2014-2017 geen volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving, is bij hem en zijn gezin financiële nood ontstaan. Daardoor kon [eiser] niet meer voldoen aan de verplichtingen uit een overbruggingskrediet bij de ING met een hoofdsom van € 55.000,00. ING dreigde daarop met executieverkoop en [eiser] heeft daarom eind 2018 noodgedwongen een aan hem en zijn echtgenote in gezamenlijke eigendom toebehorende woning moeten verkopen. Hij heeft hierdoor schade geleden, bestaande uit de veel lagere verkoopopbrengst van de woning. Hij begroot de schade op het verschil tussen de verkoopwaarde in 2022
(€ 551.551,00) en de daadwerkelijk eind 2018 ontvangen verkoopprijs (€ 340.000,00). Dat is een bedrag van € 211.551,00. Aangezien hij en zijn echtgenote ieder voor de helft eigenaar waren van die woning, begroot hij zijn schade op € 105.775,50. Achmea is voor deze schade aansprakelijk omdat zij jegens hem is tekortgeschoten in de nakoming van de verzekeringsovereenkomst, door hem ten onrechte in de periode 2014-2017 geen volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering uit te betalen.
3.3.
Achmea voert verweer. Zij betwist dat zij toerekenbaar is tekortgeschoten jegens [eiser] . Zij beroept zich tevens op rechtsverwerking. Subsidiair betwist zij het causaal verband tussen de beweerdelijke tekortkoming en de schade en de hoogte van de schade. Zij betoogt tevens dat er sprake is van eigen schuld van [eiser] . Achmea concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Toerekenbaar tekortschieten Achmea
4.1.
[eiser] stelt dat Achmea jegens hem toerekenbaar is tekortgeschoten omdat zij hem jarenlang niet de uitkeringen heeft verstrekt waarop hij recht had. Uit het feit dat Achmea uiteindelijk diverse schadeposten heeft vergoed, volgt dat zij zelf ook van oordeel is dat zij toerekenbaar is tekortgeschoten, aldus [eiser] .
4.2.
Achmea betwist dat zij toerekenbaar is tekortgeschoten. Zij voert aan dat zij de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiser] in lijn met artikel 8 van haar polisvoorwaarden heeft beoordeeld op basis van de rapportages van door haar aan te wijzen deskundigen en dat zij dus mocht uitgaan van de rapportages van [naam 2] en [naam 3] . Verder verwijst zij naar de verplichtingen van de verzekerde, die zijn vermeld in artikel 11 van de polisvoorwaarden. Zij voert aan dat [eiser] niet aan die verplichtingen heeft voldaan en dat hij zich tot eind maart 2017 volledig heeft gericht op het opzetten van zijn dierenartsenpraktijk en zich ondanks zijn psychische klachten niet onder behandeling heeft gesteld om van die klachten te herstellen. Pas vanaf 23 juni 2017 heeft [eiser] zich onder behandeling gesteld van HSK en vanaf dat moment heeft zij hem een uitkering verstrekt, aldus Achmea. Op basis van de polisvoorwaarden had [eiser] volgens Achmea dus geen recht op een (volledige) arbeidsongeschiktheidsuitkering in de periode van 18 juni 2014 tot 22 juni 2017. Uit de omstandigheid dat zij naar aanleiding van de door [eiser] uitgebrachte dagvaarding alsnog is overgegaan tot betaling van een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering over voormelde periode en overige schadeposten, kan niet worden afgeleid dat zij de gestelde tekortkoming erkend. Achmea heeft toen besloten om haar bezwaren tegen het rapport van [naam 4] te laten varen omdat zij in het voortraject daarvan heeft nagelaten duidelijkheid te verschaffen over van welke beperkingen van [eiser] [naam 4] diende uit te gaan. Om die reden heeft zij uiteindelijk besloten alsnog een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering aan [eiser] te betalen over voormelde periode en heeft zij eveneens haar standpunt verlaten dat er geen sprake was van arbeidsongeschiktheid omdat [eiser] zich in de periode niet onder medische behandeling van zijn klachten had gesteld, aldus Achmea.
4.3.
De rechtbank overweegt het volgende. Op grond van de tussen partijen geldende polisvoorwaarden is Achmea gehouden een arbeidsongeschiktheidsuitkering aan [eiser] te verstrekken indien er in relatie tot ziekte of ongeval bij hem objectief medisch vast te stellen stoornissen bestaan, waardoor hij beperkt is voor het verrichten van werkzaamheden in zijn bedrijf. De arbeidsongeschiktheid wordt ingevolge artikel 8 van die voorwaarden vastgesteld aan de hand van rapportages van door Achmea aan te wijzen deskundigen. Op grond van artikel 11 van die voorwaarden moest [eiser] zich onder behandeling van een arts stellen, alles doen om zijn herstel te bevorderen en alles nalaten wat zijn herstel kan vertragen of verhinderen.
4.4.
Uit de hiervoor opgenomen feiten volgt dat Achmea in eerste instantie vanaf juli 2013 tot juni 2014 is meegegaan in de hulpvraag van [eiser] om ondersteuning te verlenen bij het opzetten van een nieuwe dierenartspraktijk en dat zij in dat verband [naam 1] heeft ingeschakeld en betaald om [eiser] daarbij te begeleiden. Daarbij is aan [eiser] steeds voorgehouden dat uiteindelijk de arbeidsongeschiktheid zou moeten worden vastgesteld op basis van vaststelling van medische beperkingen voor het verrichten van zijn werkzaamheden. In dat verband is in april 2014 een medische expertise uitgevoerd door psychiater [naam 2] . Op basis daarvan is door de verzekeringsgeneeskundige vastgesteld dat er bij [eiser] geen beperkingen voor het functioneren in zijn praktijk bestaan. Nadat Achmea na afloop van het eerste ziektejaar aan [eiser] heeft meegedeeld dat zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering zou worden afgebouwd en per 1 oktober 2014 zou worden beëindigd, heeft [eiser] via zijn advocaat kenbaar gemaakt dat hij zich nog steeds volledig arbeidsongeschikt achtte en verzocht om een heroverweging van de beslissing. Naar aanleiding daarvan heeft Achmea in januari 2015 een her-expertise laten uitvoeren door psychiater [naam 2] . Op basis daarvan heeft de verzekeringsgeneeskundige geconcludeerd dat er weliswaar sprake is van verergering van de aanpassingsstoornis en dat sprake is van een verminderd energieniveau bij [eiser] , maar dat dat met name van invloed is op zijn privéactiviteiten en niet zozeer op zijn werk. Er zijn toen geen beperkingen vastgesteld voor het functioneren van [eiser] in zijn praktijk, maar er is hem wel behandeling middels psychotherapie geadviseerd. [eiser] heeft zich eind 2014/begin 2015 onder behandeling gesteld van HSK, maar vanwege het feit dat hij geen waarnemer had voor zijn praktijk en geen middelen had om een waarnemer te betalen, kon hij de behandeling bij de psycholoog niet voortzetten. Hierover is tussen de advocaat van [eiser] en Achmea gecorrespondeerd, waarbij Achmea steeds heeft meegedeeld dat zij bereid was een uitkering te verstrekken aan [eiser] wanneer hij met de behandeling zou starten. In 2016 is voorts tussen partijen gecorrespondeerd over een psychiatrische her-expertise op gezamenlijk verzoek en heeft Achmea daarmee ingestemd. Uiteindelijk heeft [eiser] , mede met hulp van [naam 1] , een waarnemer voor zijn praktijk kunnen regelen en is hij op 23 juni 2017 gestart met het behandelingstraject bij HSK. Achmea heeft vanaf dat moment weer een arbeidsongeschiktheidsuitkering aan [eiser] voldaan.
4.5.
Gelet op het voorgaande heeft Achmea conform de polisvoorwaarden gehandeld. Zij heeft conform artikel 8 deskundigen ingeschakeld om de beperkingen voor het functioneren van [eiser] te laten vaststellen. Vervolgens heeft zij op basis van de rapportages van die deskundigen de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld en besloten de arbeidsongeschiktheidsuitkering af te bouwen en te beëindigen, omdat er door de verzekeringsarts geen beperkingen konden worden vastgesteld, [eiser] hele dagen werkzaam bleef om zijn praktijk op te zetten en hij zich niet onder medische behandeling stelde. Zonder nader toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien op grond waarvan Achmea door aldus te handelen is tekortgeschoten in haar verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst. Achmea heeft toen bleek dat [eiser] het niet eens was met haar beslissing tot het afbouwen en stopzetten van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in januari 2015 een her-expertise door [naam 2] laten uitvoeren, maar op basis daarvan konden evenmin beperkingen worden vastgesteld en kon geen mate van arbeidsongeschiktheid worden vastgesteld. Niet gesteld of gebleken is dat de rapportages van [naam 2] en/of de verzekeringsarts en/of de arbeidsdeskundige ondeugdelijk waren. Achmea mocht dus van die rapportages uitgaan.
4.6.
Vervolgens is in de periode van eind januari 2015 tot medio mei 2017 tussen partijen gecorrespondeerd op welke wijze Achmea behulpzaam kon zijn, zodat [eiser] zich onder behandeling van HSK kon laten stellen Vanaf het moment dat [eiser] zich onder behandeling heeft gesteld van HSK (op 23 juni 2017), heeft Achmea de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan [eiser] hervat. Dit is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 11 van de polisvoorwaarden. Ook uit die gang van zaken blijkt niet van enige tekortkoming van Achmea. Het is de keuze van [eiser] geweest om zich, wellicht ten nadele van zijn herstel, eerst en vooral te richten op het opzetten van zijn nieuwe praktijk en zich niet onder behandeling te stellen. Dat kan Achmea niet worden tegengeworpen. Niet gesteld of gebleken is op grond waarvan Achmea gehouden zou zijn te faciliteren dat [eiser] een waarnemer kon aanstellen (en betalen), zodat hij zich onder behandeling van HSK kon stellen. Nog daargelaten dat uit de overgelegde verslagen van [naam 1] blijkt dat hij, [naam 1] , zich op kosten van Achmea ook daarvoor heeft ingezet.
4.7.
Eerst in maart 2016 is namens [eiser] verzocht om een psychiatrische her-expertise op gezamenlijk verzoek. Achmea heeft daaraan zonder dralen meegewerkt en heeft vervolgens in 2018 ingestemd met de inschakeling van arbeidsdeskundige [naam 4] . Uit het enkele feit dat [naam 4] in 2021, dus achteraf, heeft gerapporteerd dat strikt medisch/arbeidsdeskundig gezien [eiser] in de periode van 18 juni 2014 tot 22 juni 2017 volledig arbeidsongeschikt is te beschouwen, kan niet worden afgeleid dat Achmea is tekortgeschoten door in 2014 en 2015 af te gaan op de bevindingen van de door haar ingeschakelde deskundigen. Ook is niet gesteld of gebleken is dat Achmea zich in het traject waarbij op gezamenlijk verzoek een psychiatrische her-expertise door [naam 3] en een arbeidsdeskundig onderzoek door [naam 4] heeft plaatsgevonden, onheus heeft opgesteld of dat zij die deskundigenonderzoeken heeft getraineerd. Weliswaar heeft zij in eerste instantie bezwaar gemaakt tegen de rapportage van [naam 4] , maar zij is uiteindelijk binnen enkele maanden op haar bezwaren teruggekomen. Niet gesteld of gebleken is dan ook dat Achmea niet aan haar verplichting heeft voldaan om op zorgvuldige wijze deskundigenonderzoek te laten plaatsvinden en op basis van de verkregen adviezen vast te stellen of, en in welke mate, er sprake is van arbeidsongeschiktheid, dan wel anderszins in de periode van 18 juni 2014 tot 22 juni 2017 op ondeugdelijke gronden heeft geweigerd tot uitkering over te gaan.
4.8.
Ook de omstandigheid dat Achmea heeft voldaan aan de vorderingen van [eiser] , zoals vermeld in de dagvaarding van 23 juli 2021, kan niet worden beschouwd als een erkenning door Achmea dat zij is tekortgeschoten. Achmea heeft uiteengezet dat zij nadat de dagvaarding was uitgebracht heeft ingezien dat haar bezwaren tegen het rapport van [naam 4] geen stand hielden, omdat zijzelf bij de opdrachtverlening aan [naam 4] (ook) niet duidelijk was geweest over van welke beperkingen bij [eiser] moest worden uitgegaan en dat zij daarna haar standpunt dat er geen recht op uitkering bestond omdat [eiser] zich niet onder behandeling had gesteld heeft laten varen. Dat is geen erkenning van haar tekortschieten, maar voortschrijdend inzicht over haar proceskansen.
4.9.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat niet is komen vast te staan dat Achmea jegens [eiser] is tekortschoten in het nakomen van haar verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst. [eiser] heeft daartoe, gelet op het gemotiveerde verweer van Achmea, onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld. Aan bewijslevering wordt dan ook niet toegekomen. Dat betekent dat er geen grond is voor schadevergoeding. De overige stellingen en verweren van partijen behoeven daarom geen bespreking meer.
4.10.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Achmea worden begroot op:
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
5.428,00
(2 punten × € 2.714,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
8.601,00

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 8.601,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op
17 december 2025.
592

Voetnoten

1.Het rapport van psychiater [naam 2] van 1 april 2014 is niet overgelegd. Deze bevindingen zijn vermeld in de Adviesaanvraag voor Arbeidsdeskundige van 23 april 2014, productie11 bij de conclusie van antwoord.
2.Het rapport van psychiater [naam 2] van 20 januari 2015 is niet overgelegd. Deze bevindingen zijn vermeld in de Adviesaanvraag voor Arbeidsdeskundige van 10 februari 2015, productie 17 bij de conclusie van antwoord.
3.Zie hiervoor productie 17 en 21 bij conclusie van antwoord
4.Het rapport van psychiater [naam 3] van 21 december 2016 is niet overgelegd. De diagnose uit het rapport is vermeld in een brief van mr. Gregoor aan Achmea van 29 november 2017, productie 66 bij conclusie van antwoord