ECLI:NL:RBGEL:2025:10856

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
05/458402
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling voor minderjarige afgewezen; geen ernstige ontwikkelingsbedreiging

Op 27 november 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in een zaak betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] voor de duur van acht maanden verlengd, omdat er nog steeds sprake is van een ernstige bedreiging in haar ontwikkeling. De kinderrechter heeft vastgesteld dat [minderjarige 2] al lange tijd geen contact heeft met haar moeder, wat haar ontwikkeling negatief beïnvloedt. De kinderrechter heeft de Jeugdbescherming Gelderland opdracht gegeven om te onderzoeken welke begeleiding [minderjarige 2] nodig heeft om contactherstel mogelijk te maken.

Voor [minderjarige 1] heeft de kinderrechter het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling afgewezen. De kinderrechter oordeelde dat er geen ernstige ontwikkelingsbedreiging is, omdat [minderjarige 1] zelf heeft aangegeven geen contact met zijn moeder te willen. De kinderrechter heeft benadrukt dat het afdwingen van contact schadelijk kan zijn voor [minderjarige 1] en dat hij op dit moment geen draagvlak heeft voor contactherstel. De kinderrechter heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zutphen
Zaaknummer: C/05/458402 / ZJ RK 25-875
Datum uitspraak: 27 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Gelderland, regio Midden,
gevestigd te Arnhem,
hierna te noemen de GI,
over
[naam minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[naam minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[naam vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 6 november 2025;
  • het evaluatie verslag ondertoezichtstelling van de GI, ontvangen op 21 november 2025;
  • het e-mailbericht van de moeder van 21 november 2025;
  • het e-mailbericht van de vader van 24 november 2025;
  • het e-mailbericht van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van 24 november 2025.
1.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 november 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van één maand verlengd tot 17 december 2025 en iedere verdere beslissing aangehouden, omdat de zij zich onvoldoende geïnformeerd acht om een beslissing te nemen over het verzoek.
1.3.
Op 6 november 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.4.
De vader en de moeder zijn niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder correct zijn opgeroepen. De vader heeft zich voorafgaand aan de mondelinge behandeling per e-mail van 24 november 2025 afgemeld. De moeder heeft aangegeven eventueel te kunnen aansluiten via een Teams-beeldbelverbinding maar heeft geen gebruik gemaakt van de vergaderuitnodiging die aan haar is gestuurd.
1.5.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hun mening kenbaar gemaakt per e-mailbericht.

2.Het standpunt van de moeder

2.1.
Uit het verzoekschrift van de GI komt naar voren dat de moeder twijfelt over of een verlenging van de ondertoezichtstelling nog zin heeft, omdat er volgens haar niets gebeurt.

3.Het standpunt van de vader

3.1.
Uit het verzoekschrift van de GI komt naar voren dat de vader het eens is met het verzoek.

4.De verdere beoordeling

3.1.
De GI heeft verzocht om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van 9 maanden. De kinderrechter heeft in de vorige beschikking de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van een maand en de beslissing voor het overige aangehouden. De kinderrechter moet nog een beslissing nemen over de resterende acht maanden van het verzoek.
[minderjarige 2] – het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt toegewezen
4.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] voor de duur van acht maanden. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige 2] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De kinderrechter vindt het zorgelijk dat [minderjarige 2] al langere tijd geen contact meer heeft met haar moeder. [minderjarige 2] is nog jong en heeft sinds december 2021 geen contact meer gehad met haar moeder. Zij krijgt zo niet de kans haar eigen beeld te vormen van haar moeder of een band met haar op te bouwen. Volgens de GI heeft [minderjarige 2] er last van dat zij zich niet gezien heeft gevoeld door de moeder en heeft zij het vervelend gevonden dat de moeder alleen maar negatief kon praten over de vader. De GI heeft toegelicht dat de moeder moeilijk aan te spreken is op wat de kinderen aan haar teruggeven en kan zij moeilijk reflecteren op haar eigen aandeel waardoor zij zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 1] belast met haar eigen problematiek. Per september 2025 is er echter een nieuwe omgangsregeling opgelegd, waarbij de GI de regie moet voeren om spoedig een herstelgesprek te initiëren en hervatting van het contact – met name tussen de moeder en [minderjarige 2] – waarbij er toegewerkt wordt naar een paar uur per week contact. Tot op heden heeft er geen herstelgesprek tussen de moeder en [minderjarige 2] plaatsgevonden en toont [minderjarige 2] nog weinig openheid tot contact. De jeugdbeschermer heeft met [minderjarige 2] wel een aantal gesprekken gevoerd op school over het feit dat zij geen contact heeft met haar moeder. De jeugdbeschermer ziet voorzichtig wat ruimte ontstaan bij [minderjarige 2] dat zij open zou kunnen staan voor individuele begeleiding dan wel hulpverlening waar zij haar eigen verhaal kan bespreken en de minder fijne ervaringen kan verwerken. Daarom is de jeugdbeschermer momenteel in gesprek met Rubixzorg en JB-zorg om te kijken of zij eventueel de begeleiding kunnen bieden die [minderjarige 2] nodig heeft. De kinderrechter vindt het in het belang van [minderjarige 2] dat de GI de komende tijd verder gaat onderzoeken waar [minderjarige 2] behoefte aan heeft en welke begeleiding en/of hulpverlening daarop aansluit. Daardoor kan mogelijk een draagvlak voor contactherstel ontstaan bij [minderjarige 2] . Tot slot overweegt de kinderrechter dat het afdwingen van contact tussen [minderjarige 2] en haar moeder niet in het belang van [minderjarige 2] is, omdat dit heel schadelijk voor haar kan zijn.
[minderjarige 1] – het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen
4.2.
De kinderrechter is van oordeel dat niet aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter wijst het verzoek van de GI af. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
In december 2022 heeft de kinderrechter de omgangsregeling met de moeder gewijzigd en de regie van de omgang bij de GI neergelegd. De begeleide omgangsmomenten zijn toen goed verlopen, maar in de zomervakantie van 2024 is een (onbegeleid) omgangsmoment tussen de moeder en [minderjarige 1] niet goed verlopen. Sindsdien heeft [minderjarige 1] zijn moeder niet meer willen zien en hij wil zelf bepalen wanneer hij weer contact met haar opneemt. De lijn van de rechtbank is doorgaans dat langdurig geen contact met één van beide ouders als ontwikkelingsbedreiging wordt gezien. Voor [minderjarige 1] ziet de kinderrechter dat anders. Het contact dat [minderjarige 1] in de afgelopen jaren heeft gehad, pakte namelijk niet goed uit en dit deed [minderjarige 1] geen goed. Hernieuwd inzetten op contactherstel terwijl [minderjarige 1] dat niet wil, draagt daarom niet per se bij aan zijn positieve ontwikkeling. Bovendien gaat het in alle andere opzichten goed met de ontwikkeling van [minderjarige 1] . De kinderrechter is daarom van mening dat geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging.
Daarnaast overweegt de kinderrechter nog het volgende. Per september 2025 is er een nieuwe omgangsregeling opgelegd, waarbij de GI de regie moet voeren om spoedig een herstelgesprek te initiëren en hervatting van het contact waarbij er toegewerkt wordt naar een paar uur per week contact. Voor nu geeft [minderjarige 1] aan dat hij niet eerder dan zijn achttiende verjaardag contact met zijn moeder wil. De afgelopen tijd heeft de jeugdbeschermer verschillende gesprekken gevoerd met [minderjarige 1] over het feit dat hij geen contact meer heeft met zijn moeder. Hij heeft in deze gesprekken aangegeven dat het nu goed met hem gaat en hij heeft duidelijk uitgelegd waarom hij op dit moment geen contact wil. Hij is erg teleurgesteld door zijn moeder doordat zij zich niet aan afspraken kan houden door hem onder andere niet te belasten met volwassenzaken. Ook staat hij niet open voor hulpverlening en wil hij vooral dat het afdwingen van het contact met zijn moeder stopt. De kinderrechter vindt het, in navolging van de GI, dan ook niet in het belang van [minderjarige 1] dat het contact tussen hem en zijn moeder wordt afgedwongen, omdat er bij [minderjarige 1] momenteel geen draagvlak voor is. Mocht er in de toekomst bij [minderjarige 1] ruimte ontstaan voor contactherstel met zijn moeder dan kan hij op dat moment alsnog contact zoeken. Dit betekent dat de kinderrechter het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor [minderjarige 1] ook afwijst, omdat deze maatregel op dit moment niet effectief dan wel proportioneel is.
4.3.
Tot slot overweegt de kinderrechter dat de opgelegde omgangsregeling van september 2025 nog wel blijft bestaan maar heeft ten aanzien van [minderjarige 1] geen functie meer heeft, omdat hij niet meer onder de GI valt. Aan deze omgangsregeling kan dan ook geen rechten worden ontleend wat betreft de omgang tussen [minderjarige 1] en de moeder.
4.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van

[naam minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] ,
tot
17 juli 2026;
5.2.
wijst het meer of anders verzochte af;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2025 door mr. M.G.J. Post, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.N. van den Bogaerde als griffier, en op schrift gesteld op 11 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW.