ECLI:NL:RBGEL:2025:10858

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
05/458621
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot ondertoezichtstelling wegens gebrek aan ernstige ontwikkelingsbedreiging

Op 27 november 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, uitspraak gedaan in een zaak betreffende een verzoek tot ondertoezichtstelling van een minderjarige, ingediend door de Raad voor de Kinderbescherming. De kinderrechter heeft het verzoek afgewezen, omdat er geen sprake was van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. De moeder van de minderjarige, die vrijwillige hulpverlening accepteert, vertoont een positieve ontwikkeling en zorgt voor stabiliteit in het leven van het kind. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de moeder adequaat reageert op de behoeften van de minderjarige en dat er geen concrete aanwijzingen zijn voor een ontwikkelingsbedreiging. De kinderrechter heeft ook overwogen dat de instabiliteit in het verleden van de moeder op dit moment geen bepalende factor is en dat een ondertoezichtstelling contraproductief zou zijn. De kinderrechter heeft de beslissing op schrift gesteld op 11 december 2025, en tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zutphen
Zaaknummer: C/05/458621 / ZJ RK 25-888
Datum uitspraak: 27 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Gelderland, locatie Arnhem,
hierna te noemen de Raad,
over
[naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. mr. R.R. Wijnakker uit Arnhem,
[naam vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de Raad met bijlagen, ontvangen op 28 oktober 2025;
  • het verweerschrift van mr. Wijnakker met producties, ontvangen op 25 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De vader is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel correct is opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 augustus 2025 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 15 november 2025.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 augustus 2025 een spoedmachtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 12 september 2025. Bij beschikking van 27 augustus 2025 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 3 september 2025 beëindigd.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling het verzoek gehandhaafd en toegelicht.

4.Het standpunt van de moeder

4.1.
Door en namens de moeder is verzocht om het verzoek van de Raad niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen. De moeder meent dat er geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en heeft dit uitvoering toegelicht in een verweerschrift. Daarnaast is tijdens de mondelinge behandeling nogmaals benoemd dat uit het verslag van I-nova zorg (productie 15) blijkt dat sprake is van goed genoeg ouderschap. Met [minderjarige] gaat het goed. Hij is vrolijk, oogt gezond en reageert ontspannen op zijn omgeving. Ook erkent de moeder op dit moment dat er geen contact is tussen de vader en [minderjarige] . Als vader niet op korte termijn stappen onderneemt om zijn leven op de rit te krijgen en beschikbaar te zijn voor [minderjarige] , is moeder voornemens de rechter te vragen het gezag van vader te beëindigen. Mocht vader in de toekomst wel duurzaam beschikbaar blijken te zijn voor [minderjarige] , dan zal moeder zich ervoor inspannen contact mogelijk te maken. De moeder heeft al een tijdje geen relatie meer en zij heeft ook geen plannen om te verhuizen. Zij kan blijven wonen bij haar eigen moeder. Ook is de moeder sinds kort full time aan het werk in hetzelfde bedrijf als waar haar eigen moeder werkt. Zij kunnen samen reizen en [minderjarige] gaat naar een gastouder. Dit gaat allemaal heel goed. Het leven van de moeder en [minderjarige] is stabiel. Verder betwist de moeder dat zij zelf niet in staat of bereid is zorg te accepteren die nodig zou zijn om een eventuele ernstige ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. De moeder heeft zelf Yunio Voorzorg gesproken om het contact weer op te hogen naar twee of drie keer in de week. Ook is door toedoen van het aflopen van de (voorlopige) ondertoezichtstelling de betrokkenheid van I-nova zorg weggevallen, terwijl de moeder deze hulp als helpend heeft ervaren. De moeder gaat binnenkort in gesprek met de gemeente of deze zorg alsnog vrijwillig kan worden ingezet.
Concluderend stelt de moeder dat zij zich ten volle in voor de zorg van [minderjarige] . Zij is belastbaar en laat zich hierin adviseren en ondersteunen door het consultatiebureau, de huisarts, de fysiotherapeut, l-novazorg en oma (mz). Zij is wel degelijk bereid en in staat eventuele noodzakelijke hulpverlening te regelen, zoals zij ook prima in staat is gebleken de medische zorg voor [minderjarige] te regelen, zo nodig met hulp van haar netwerk.

5.Het standpunt van de GI

5.1.
De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de moeder zelf op zoek gaat naar passende hulpverlening voor zichzelf en [minderjarige] en de samenwerking aan gaat. De moeder onderneemt de stappen die nodig zijn en daarom acht de GI een ondertoezichtstelling niet nodig. Ook zal gezien het verleden van de moeder en het wantrouwen richting de jeugdzorg een ondertoezichtstelling contraproductief kunnen werken.

6.De beoordeling

6.1.
De kinderrechter is van oordeel dat niet aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter wijst het verzoek van de Raad af. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Er moet voor een ondertoezichtstelling sprake zijn van een ernstige ontwikkelingsbedreiging die pas kan worden aangenomen als daarvoor in de actuele situatie van [minderjarige] concrete aanwijzingen voor zijn. Op dit moment zijn daar naar het oordeel van de kinderrechter onvoldoende concrete aanwijzingen voor. Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is het de kinderrechter gebleken dat I-Nova zorg– die betrokken was tijdens de voorlopige ondertoezichtstelling – aangeeft dat er sprake is van ‘goed genoeg ouderschap’. De moeder reageert adequaat op [minderjarige] , vraagt advies aan hulpverlening en zij zorg voor stabiliteit en rust. [minderjarige] ontwikkelt zich goed. Dat [minderjarige] in augustus met spoed uit huis is geplaatst maakt dat niet anders. De kinderrechter overweegt dat als er sprake was geweest van een andere samenwerking en informatievoorziening tussen de moeder en de Raad de (spoed) uithuisplaatsing waarschijnlijk voorkomen had kunnen worden. Dat betekent dat de recente instabiliteit in het leven van [minderjarige] de moeder niet kan worden nagedragen en daarnaast dat de (spoed)uithuisplaatsing ook geen reden is om een ernstige ontwikkelingsbedreiging op aan te nemen. Belangrijk is dat de moeder hiervoor ook al bezig was met passende hulpverlening voor haarzelf en [minderjarige] zoals opvoedondersteuning. Ook nadat de voorlopige ondertoezichtstelling was beëindigd heeft de moeder zelf gevraagd om de frequentie van de hulpverlening van Yunio Voorzorg te verhogen en gaat de moeder met de gemeente in gesprek of de hulpverlening van I-nova zorg ook betrokken kan blijven vanuit het vrijwillig kader. Verder laat de moeder zich adviseren door het consultatiebureau, de huisarts, fysiotherapie en de oma (mz) en heeft de moeder [minderjarige] aangemeld bij een gastoudergezin. Ook werkt werkt de moeder momenteel 38 uur in de week om een goede toekomst voor haar en [minderjarige] op te bouwen. De kinderrechter overweegt dat de moeder al een langere tijd een positieve ontwikkeling laat zien. Anders dan de raadsvrouw vindt de kinderrechter dat factoren uit het verleden wel degelijk kunnen meewegen bij het bepalen van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. In het verleden van de moeder is sprake geweest van instabiliteit, zorgelijke omstandigheden en ongezonde partnerkeuzes. De kinderrechter is niettemin van oordeel dat dit verleden op dit moment geen bepalende factor is. De moeder heeft namelijk laten zien te kunnen breken met dit verleden, verstandige keuzes te maken en hulpverlening en adviezen ter harte te nemen. Tot slot overweegt de kinderrechter dat meeweegt dat een ondertoezichtstelling waarschijnlijk contraproductief zal werken gezien het wantrouwen van de moeder door haar eigen verleden in de jeugdzorg. Soms kan dit wantrouwen maken dat een ouder niet de juiste hulp accepteert. Maar deze moeder heeft laten zien dat zij goed in de samenwerking is met hulpverlening die bij haar aansluit en met wie zij een band kan opbouwen. Het voortzetten hiervan lijkt in vrijwillig kader een grotere kans van slagen te hebben.
6.2.
De kinderrechter ziet enige zorgen in de opvoedvraag van [minderjarige] als hij op den duur ouder wordt. Het is de vraag of de moeder ook dan voldoende kan aansluiten en voldoende belastbaar blijft. Dit is echter zover in de toekomst gelegen dat dat geen reden kan zijn om een ondertoezichtstelling uit te spreken. De kinderrechter vertrouwt er op dat de moeder de hulpverlening in het vrijwillig kader zal blijven accepteren en in de toekomst haar weg tot hulpverlenende instanties weet te vinden als daar aanleiding voor is.
6.3.
Op basis van het voorgaande komt de kinderrechter tot het oordeel dat – voor zover nog sprake zou zijn van een ontwikkelingsbedreiging – het niet langer noodzakelijk is dat er hulpverlening in het gedwongen kader wordt ingezet.
6.4.
De kinderrechter zal op grond van voorstaande het verzoek van de GI afwijzen. De kinderrechter gaat ervan uit dat de GI zal zorgen dat de zaak goed wordt overgedragen aan de hulpverlening in het vrijwillig kader.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2025 door mr. M.G.J. Post, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.N. van den Bogaerde als griffier, en op schrift gesteld op 11 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW.