ECLI:NL:RBGEL:2025:10879

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
443203
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:87 BWArt. 6:89 BWArt. 7:750 BWArt. 7:754 lid 2 BWArt. 7:758 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aannemingsovereenkomst woningverbouwing: gebreken en bewijs oplevering

Eiser vordert betaling van herstelkosten en bijkomende kosten wegens gebrekkig uitgevoerd werk door gedaagde in een aannemingsovereenkomst voor woningverbouwing. Gedaagde stelt dat het werk op 9 april 2020 is opgeleverd en aanvaard, en betwist tekortkoming en verzuim.

De rechtbank analyseert het deskundigenrapport dat ernstige gebreken constateert aan stucwerk, behang en gietvloer, en beoordeelt de vraag of oplevering heeft plaatsgevonden. Gedaagde krijgt bewijsopdracht om oplevering en acceptatie door eiser aan te tonen.

Indien gedaagde hierin faalt, oordeelt de rechtbank dat sprake is van toerekenbare tekortkoming en verzuim, en dat eiser recht heeft op vervangende schadevergoeding. De rechtbank wijst op noodzakelijke nadere informatie over herstelkosten en prijsniveau en houdt verdere beslissing aan tot na getuigenverhoor en aanvullende stukken.

Uitkomst: Bewijsopdracht voor oplevering aan gedaagde gegeven; verdere beslissing aangehouden tot na getuigenverhoor en aanvullende stukken.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/443203 / HA ZA 24-361
Vonnis van 26 november 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J. Evers,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. C. Cenik.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 12 maart 2025
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 7 juli 2025.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. [eiser] heeft in de periode 2019-2020 een woning (villa) laten bouwen aan [adres 1] .
2.2. Voor het stucwerk, schilderwerk, behangen en de aanleg van een gietvloer heeft [eiser] een overeenkomst gesloten met [gedaagde] , destijds handelend onder de naam [naam 1] . [gedaagde] heeft op 30 oktober 2019 een e-mail verzonden naar [eiser] , waarvan de inhoud als volgt luidt:

(…)Laatst hebben jullie met [naam 2] gesproken en hebben het een en ander afgesproken. Ik zal
nog een algemene info geven.
Voor het stukadoren zullen we 2x voorstrijk doen waarna hoekijzers waterpas geplaatst
zullen worden alvorens we met het stucwerk beginnen.
Op alle muren komt gaasband en de hoekijzers zullen RVS 2cm worden.
Voor het stucwerk zullen we MP75 en Roodband gebruiken.
Na 2 lagen stuc werken we de derde laag met pasta af.
We gaan overal schuren en met speciale kit zullen we de hoeken afkitten.
Voor het schilderwerk zullen we 2x voorstrijk op doen. Hierna zullen we, met de kleuren die jullie willen, 2 of 3 lagen schilderen met wasbare verf.
Na het schilderwerk, gaan we met het behang die jullie ons gaan aanleveren de gewenste
muren behangen.
Alle stuc- en verf benodigdheden zijn voor onze rekening.
Hopelijk zullen we de werkzaamheden zonder ongelukjes op een nette manier afleveren(…).
Jullie hebben met [naam 2] gesproken, de helft van de factuur vooraf en de andere helft na
opleveren.
2.3. [gedaagde] heeft onderaannemers ingeschakeld voor de uitvoering van de met [eiser] overeengekomen werkzaamheden.
2.4. [gedaagde] heeft voor de uitgevoerde werkzaamheden 4 facturen (bedragen inclusief btw) aan [eiser] verzonden:
- factuur 2019010 d.d. 31 oktober 2019 ad € 18.150,00;
- factuur 2019011 d.d. 1 januari 2020 ad € 9.075,00;
- factuur 2019014 d.d. 1 april 2020 ad € 8.954,00;
- factuur 2019015 d.d. 5 mei 2020 ad
€ 7.124,48;
Totaal € 43.303,48
2.5. [eiser] heeft de eerste drie facturen (betreffende verf-en stucwerk) betaald. De vierde factuur (betreffende de gietvloer) heeft hij onbetaald gelaten.
2.6. [eiser] heeft per e-mail van 15 april 2020 aan [gedaagde] onder meer het volgende medegedeeld:

Zoals jullie het ook hebben gezien, zijn de muren helaas na de zoveelste poging nog niet gelukt.
Over de betaling hadden we met jou een afspraak gemaakt. Ondanks dat ik niet wilde betalen voordat stuc en verf werkzaamheden klaar waren, heb ik op jullie aandringen toch nog betaald. We hadden toen afgesproken om de laatste factuur van de gietvloer pas te betalen als de herstelwerkzaamheden naar behoren waren gedaan.
Vandaag heb ik een Nederlands stukadoors bedrijf naar de muren laten kijken (…). Hij zei dat zowel het stucwerk als verfwerkzaamheden bijzonder slecht zijn gedaan.Wij willen dat de muren die in zicht zijn hersteld worden (…)Wij hebben jullie tot twee keer toe de kans gegeven om de muren te herstellen.(…).
[eiser] geeft voorts aan dat hij het herstel van de muren door een ander bedrijf zal laten uitvoeren en dat hij de kosten daarvan in mindering zal brengen op de laatste factuur.
2.7. [gedaagde] heeft daarop per e-mail van 16 april 2020 als volgt geantwoord:

Laten we het doen zoals jij denkt dat het passend is. Ik zal [naam 2] het ook vertellen en de situatie toelichten.
2.8. [eiser] heeft per e-mail van 29 april 2020 aan [gedaagde] te kennen gegeven dat het werk nog steeds niet goed is uitgevoerd. [eiser] heeft daarbij geklaagd over de uitvoering van het schilderwerk en de daarbij gebruikte verf (omdat volgens hem afgesproken zou zijn dat gebruik zou worden gemaakt van de verf van Sigma of Sikkens), alsmede over de uitvoering van het behangwerk.
2.9. [eiser] heeft per e-mail van 3 mei 2020 bij [gedaagde] geklaagd over de kwaliteit van de gietvloer.
2.10. [eiser] heeft bij brief van zijn raadsman van 2 november 2020 aan [gedaagde] diverse gebreken in het werk omschreven. Het betreft het stucwerk, de gietvloer, het schilderwerk en het behang.
In deze brief verzoekt [eiser] [gedaagde] om binnen 14 dagen onder meer te bevestigen dat hij over gaat tot kosteloos herstel van de gebreken, waarbij [eiser] aangeeft dat indien niet binnen 14 dagen tot kosteloos herstel van de gebreken wordt over gegaan, [gedaagde] in verzuim verkeert. [eiser] geeft daarbij aan dat hij in dat geval [gedaagde] geen gelegenheid meer zal bieden om de gebreken te herstellen, maar dat hij de gebreken door derden zal laten herstellen en de kosten daarvan zal verhalen op [gedaagde] .
[gedaagde] heeft aan deze sommatie niet voldaan.
2.11. [gedaagde] heeft bij brief van zijn raadsman van 23 december 2020 aan [eiser] medegedeeld dat op 9 april 2020 oplevering van het werk heeft plaatsgevonden en dat de werkzaamheden naar tevredenheid zijn uitgevoerd. Betwist wordt dat sprake zou zijn van een gebrekkige oplevering. Voorts sommeert [gedaagde] [eiser] tot betaling van de openstaande factuur van 5 mei 2020 ad € 7.124,48.
2.12. [eiser] heeft op 19 maart 2021 door [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) een onderzoek laten uitvoeren naar de door [gedaagde] uitgevoerde werkzaamheden. [gedaagde] was uitgenodigd om bij het onderzoek aanwezig te zijn en is bij de woning verschenen. [gedaagde] is de woning niet binnengegaan, maar heeft zich bij het onderzoek laten vertegenwoordigen door de heer [naam 3] .
2.13. In het rapport van [bedrijf 1] (van 20 mei 2021) komen de volgende passages voor:

1.StukadoorswerkAls uitgangspunt van het stukadoorswerk hebben wij de bestekomschrijving uit het bestek Hoofdstuk 40, Stukadoorswerk aangehouden. Dit zijn immers de eisen en de wensen van de opdrachtgever waaraan het stucwerk dient te voldoen. Deze hebben wij (…) in bijlage 2 toegevoegd. Bij de beoordeling van het oppervlak hebben wij de methode aan gehouden zoals aangegeven in richtlijn 3.8 van het Technisch Bureau Afbouw (TBA) en de oppervlakteboordelingscriteria stukadoorswerk binnen. Bedoelde richtlijn en methode betreffen een algemeen aangewende beoordelingsrichtlijnen. Deze documenten hebben
wij in bijlage 3, respectievelijk bijlage 4 (…) toegevoegd. Het stukadoorswerk valt onder groep 1.
a.VlakheidWij hebben het stucwerk gecontroleerd met een stalen rij van 2 meter. Conform de boordelingscriteria mag het stucwerk een vlakheidstolerantie hebben van 5 millimeter bij een onderlinge afstand van 2 meter tussen 2 meetpunten.
Bij nameting stelden wij op meerdere posities een afwijking vast die groter was dan 5 millimeter. Onder andere op de eerste verdieping in de slaapkamers (…), de overloop en de vide.
Op de begane grond in de nis in het toilet, de gemetselde penanten in de woonkamer (…), in en langs de dagkanten van de raamkozijnen en het stucwerk op de wanden aan de linker- en rechterzijgevel van de woonkamer.
In het plafond van de entree/vide troffen wij de grootste afwijkingen aan (…). Bij het plafond vallen de afwijkingen binnen groep 4 bij de beoordelingscriteria en mogen daarom een afwijking van 5 millimeter over een lengte van 2000 millimeter vertonen.
Bij onze opdracht en na onze inspectie ontvingen wij van uw cliënt foto’s van het stucwerk op de wand aan de voor- en achtergevelzijde in de woonkamer (…). Deze wanden had cliënt voor onze inspectie inmiddels later herstellen.
Uit de opnamen blijkt dat deze met zogenoemd strijklicht zijn genomen. Bij de beoordeling is dit type licht niet toegestaan.
Echter, uit de opnamen kunnen wij wel vaststellen dat het stucwerk op betreffende wanddelen niet aan de beoordelingscriteria voldoet.
b.Vlakheid en te lood
Conform de TBA-richtlijn 3.8, Beoordelingsmethoden oppervlakken zijn aan het waterpas en/of te lood stukadoren geen eisen/criteria vastgelegd. Indien een opdrachtgever wenst
dat een betreffend vlak(ken) waterpas en/of te lood afgewerkt dient te worden dan dient dit voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden te zijn overeengekomen en schriftelijk te zijn vastgelegd. Uw cliënt deelde ons desgevraagd mede dat in het persoonlijk onderhoud met de wederpartij enkel gesproken is over vlakke wanden. Cliënt gaat er vanuit dat (gestukadoorde) wanden altijd te lood en/of waterpas worden opgeleverd. De enige eis aan het te lood afwerking bedraagt een maximale afwijking van 2 millimeter per meter.
Hoewel wij met een waterpas van 2 meter hebben gemeten konden wij vaststellen dat er niet aan de eis van 2 millimeter per meter is voldaan. Op meerdere posities, zowel op de begane
grond als op de eerste verdieping, wijken de wand meer dan 5 millimeter per meter verticaal af (…).
c.Stucprofielen
Cliënt deelde ons desgevraagd mede dat zij met de wederpartij meerdere keren de toepassing van stucprofielen heeft besproken. Hierbij is aan de wederpartij blad W02 (bijlage 1) overlegd. Op dit blad wordt duidelijk weergegeven waar en welke type
stucstopprofiel er aangebracht had moeten worden.
Bij onze inspectie stelden wij vast dat de stuc-stopprofielen rondom de binnendeurkozijnen en boven het plint ontbreken (…)
d.Verlichting
Rondom de inbouwspots in de eetkamer en keuken laat de randafwerking te wensen over (…). Dergelijke afwerking voldoet niet aan hetgeen wat men mag verwachten als zijnde goed en deugdelijk werk.
e.Vervuiling
Met name bij de draaikiepramen in de woonkamer troffen wij ernstige vervuiling aan op het houtwerk en de roestvrij stalen scharnieren van het raam (…).

2.Behangwerk

Tijdens onze inspectie constateerden wij op enkele posities kiervorming tussen de behangbanen (…)
De randafwerkingen ter plaatse van de kozijnopeningen laten te wensen over. De overlappen zijn te klein, er zijn plakstukken aangebracht en het behang is niet in een stuk op dagkanten aangebracht (…). Het behang is in inwendige hoeken door-geplakt. Ter plaatse is het behang gaan ‘trekken’ (…). Door het strijklicht zijn oneffenheden in het behang duidelijk zichtbaar geworden (…)

3.Gietvloer

Op de hele begane grondvloer is door de wederpartij een twee-componenten gietvloer aangebracht. Bij onze inspectie stelden wij vast dat er sprake is van blaasvorming in de gietvloer in keuken richting de doorgang naar de hal/entree (…).
In gietvloer, achter de voordeur zijn oneffenheden in de gietvloer zichtbaar, een zogenoemde sinaasappelhuid (…).
In badkamer op de eerste verdieping is ook een gietvloer aangebracht. Het afschot en de randafwerking bij de draingoot in de doucheruimte laat te wensen over (…).
Met de richting en de wijze waarop het afschot is aangebracht.
Door de aangebrachte gietvloer is het niet meer mogelijk de vloerplinten onder de keuken te monteren. De beschikbare hoogte is te laag voor de plinten.
Tot slot werden wij door uw cliënt geattendeerd op een vervuiling met coating op het houtwerk van het keukenblok (…).
2.14.
Met betrekking tot de
oorzaakvan de geconstateerde gebreken vermeldt het rapport van [bedrijf 1] het volgende:

1.Stukadoorswerk
De oorzaak van de geconstateerde gebreken in het stukadoorswerk ligt ons inziens in het feit dat er te gemakzuchtig is gewerkt. Er is op geen enkele wijze rekening gehouden met de richtlijnen die worden gesteld aan stukadoorswerk in het dagelijks verkeer zoals aangegeven door Technisch Bureau Afbouw.
Op meerdere posities heeft de wederpartij de lijn van de vloerplinten gevolgd. Hierdoor wordt op een aantal posities de vlakheidsrichtlijn niet gehaald. Ons inziens had de wederpartij de lijn van de vloerplinten eerst moeten controleren alvorens te beginnen met het stukwerk. Elke oneffenheid in het stukadoorswerk valt immers op.
De wederpartij heeft de detaillering zoals aangegeven op de tekening vanbijlage 1niet gerespecteerd en uitgevoerd. Dit ondanks het feit dat cliënt dit meerdere malen bij de wederpartij kenbaar had gemaakt. De afgevaardigde van de wederpartij die bij onze inspectie aanwezig was deelde ons mede hiervan niet op de hoogte te zijn.
De vervuilingen op de kozijnen zijn veroorzaakt door het niet afdekken van de gevelkozijnen hoewel dit gebruikelijk is.
2.Behangwerk
De oorzaak van de gebreken in het behangwerk is ons inziens gelegen in het feit dat er geen sprake is van goed vakmanschap.
3.Gietvloer
De ‘sinaasappelhuid’ in de gietvloer ter plaatse van de voordeur in de hal/entree is veroorzaakt doordat de gietvloer hier ter plaatse te dik is aangebracht.
De blaasvorming in de gietvloer is (…) naar onze mening veroorzaakt door dampspanning. Ter plaatse was de ondervloer nog te vochtig bij het aanbrengen van de gietvloer. Omdat de
blaasvorming zich enkel op deze positie manifesteert ligt het voor de hand dat de vloer enkel op deze positie te vochtig was door bijvoorbeeld een omgevallen/-gestoten emmer/beker met water. Bij de vochtmeting van de vloer, voor het aanbrengen van de gietvloer, is dit niet geconstateerd.
2.15.
[bedrijf 1] komt tot de volgende conclusie:

Door de geconstateerde gebreken voldoet het werk niet aan de verwachting en de gestelde eisen van cliënt. Het ligt dan ook in de lijn dat alle gebreken hersteld dienen te worden.
2.16.
Over de wijze van herstel komt [bedrijf 1] tot de volgende aanbevelingen.

1.Stukadoorswerk
Het totaal oppervlak aan stukadoorswerk bedraagt circa 1200 m², inclusief het stukadoorswerk achter het behang. Het overgrote deel van het stukadoorswerk voldoet niet aan de richtlijnen.
Allereerst dient al het behang in de hal/entree te verwijderd te worden. Voor het herstel van de gebreken in het stukadoorswerk dienen alle hoekprofielen verwijdert te worden en opnieuw recht en waterpas gesteld te worden. Rondom alle binnendeurkozijnen dient het stukadoorswerk verwijderd te worden (14 stuks). Hier dienen stucstopprofielen aangebracht te worden. Dit geldt tevens boven alle vloerplinten (circa 450 m²).
Na het aanbrengen van de stucprofielen dienen alle te herstellen wanden voorzien te worden van een hechtprimer. Hierna kunnen de wanden worden voorzien van strak en glad stucwerk.
Nadat het stukadoorswerk is herstelt kunnen de wanden opnieuw worden voorzien van de eindafwerking in de vorm van saus- en behangwerk.
De vervuilingen op de raamkozijnen dienen met zorg te worden verwijderd.
2.Behangwerk
Zoals boven aangegeven kan na het gereedkomen van het herstelde stucwerk het behang opnieuw worden aangebracht.
3.Gietvloer
Deelherstel van de gietvloer is niet mogelijk. Wij stellen dan ook voor om de vloer in hal/entree tot aan de toegang naar de woonkamer/keuken er uit te frezen. Ter plaatse van de doorgang en onder aansluitende deurkozijnen kan een overgangsprofiel worden aangebracht waarna er een nieuwe gietvloer kan worden aangebracht.”
2.17.
[bedrijf 1] begroot de kosten van herstel van de gebreken als volgt:
Stukadoorwerk
1. stucloper / afdekken 450 m² € 6.525,00
2. verwijderen behangwerk 144 m² € 2.880,00
3. verwijderen hoekprofielen 250 m € 1.625,00
4. stellen hoekprofielen 250 m € 2.000,00
5. vrijhakken vloerplinten 450 m € 2.250,00
6. vrijhakken deurkozijnen 56 m € 280,00
7. stellen stucstopprofielen 516 m € 7.740,00
8. voorstrijken wanden 1056 m² € 7.920,00
9. stukadoren wanden 1200 m² € 42.000,00
10. schoonmaken raamkozijnen
€ 500,00
Totaal inclusief btw
€ 73.720,00
Behangwerk
Ondergrond zie
11. stukadoorwerk 1pst (…)
12. aanbrengen nieuw behang 144 m² €
12.240,00
Totaal herstel behangwerk inclusief btw €
12.240,00
Gietvloer
13. Uitfrezen bestaande gietvloer 41 m² € 1.025,00
14. aanbrengen overgangsprofielen 7 m € 105,00
15. aanbrengen nieuwe gietvloer 41 m² € 3.075,00
16. herstel keukenblad
€ 800,00
Totaal gietvloer inclusief btw € 5.005,00
Schilderwerk
17. Sauswerk binnenwanden 1056 m² € 36.960,--
Het totaal van deze bedragen komt uit op een bedrag van € 127.925,00 (inclusief btw).
2.18.
[eiser] heeft bij brief van 9 juli 2021 het rapport van [bedrijf 1] aan [gedaagde] verzonden en hem medegedeeld dat [eiser] sinds 17 november 2020 in verzuim verkeert en dat hij zijn vordering tot nakoming omzet in een vordering tot vervangende schadevergoeding. [eiser] sommeert [gedaagde] tot betaling van een bedrag van
€ 127.500,-- vermeerderd met een bedrag van € 1.815,-- aan buitengerechtelijke kosten.
2.19.
[gedaagde] heeft bij brief van zijn raadsman van 12 augustus 2021 aan [gedaagde] het volgende laten weten:
“(…)
De oplevering van de werkzaamheden die mijn cliënte heeft verricht heeft plaatsgevonden op 9 april 2020. Bij deze oplevering waren uw cliënten aanwezig, de heer [naam 4] en de heer [gedaagde] . De werkzaamheden door cliënte zijn naar tevredenheid uitgevoerd. Uw cliënten hebben die dag het uitgevoerde werk van cliënte aanvaard.(…)
Over de inhoud van het rapport zal ik kort zijn. De gestelde gebreken waren -voor zover deze al aanwezig zijn en aan cliënte toe te rekenen zouden zijn- bij de oplevering al zichtbaar zijn en aanvaard.De zogenaamde kosten die uw cliënten nog zouden moeten maken zijn volslagen absurd (…).
2.20.
[eiser] heeft bij brief van 29 september 2021 [gedaagde] nogmaals gesommeerd tot betaling. Uit de daarop volgende brief van de raadsman van [gedaagde] blijk dat [gedaagde] niet tot betaling zal overgaan. Vervolgens is nog tevergeefs getracht om tot een minnelijke oplossing te komen.
2.21.
Bij brief van 28 augustus 2023 heeft de opvolgend raadsman van [eiser] het volgende aan [gedaagde] medegedeeld:

(…)
Onder verwijzing naar de eerder gevoerde correspondentie wijs ik erop dat uw cliënte, [naam 1] , in verzuim is.
Er heeft een onafhankelijk deskundigenonderzoek plaatsgevonden door [bedrijf 1] . De
deskundige is tot de conclusie gekomen dat het door [naam 1] verrichte werk gebrekkig is en niet voldoet aan de eisen van goed en deugdelijk werk. De herstelkosten zijn begroot op een bedrag van €127.500,00.
Cliënt heeft de vordering tot nakoming omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding als bedoeld in artikel 6:87 BW Pro.
Cliënt heeft thans een vordering op [naam 1] van €129.315,00. Ik verwijs naar de sommatiebrieven van 9 juli en 29 september 2021 waarin is gesommeerd tot betaling van dit bedrag over te gaan.
Aan deze sommaties is geen gehoor gegeven. Derhalve staat cliënt thans op het punt om betaling in rechte af te dwingen (…).”
3. Het geschil
in conventie
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 127.925,-- in hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 24 juli 2021, althans 23 oktober 2024,
b. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 2.072,40 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten,
c. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 1.815,00 ter zake van kosten van het deskundigenrapport,
d. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure (inclusief de nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten indien deze niet binnen 14 dagen na dit vonnis zijn voldaan.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering tegen de achtergrond van de feiten het volgende ten grondslag.
[gedaagde] is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst.
[gedaagde] verkeert in verzuim omdat hij na ingebrekestelling geen gelegenheid heeft gemaakt van de mogelijkheid om de gebreken te herstellen.
[gedaagde] is aansprakelijk voor de schade die hij hierdoor lijdt en nog zal lijden.
Hij heeft zijn vordering tot nakoming omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding ex artikel 6:87 BW Pro.
[gedaagde] heeft aan meerdere sommaties om de schade te vergoeden niet voldaan.
Zijn raadsman heeft meerdere brieven aan [gedaagde] verzonden met als doel om tot een oplossing buiten rechte te komen. Hij maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Conform de staffel als bedoeld in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten komt een bedrag van € 2.072,40 voor vergoeding in aanmerking.
Hij was genoodzaakt om de kwaliteit van het werk door een deskundige te laten onderzoeken. [bedrijf 1] heeft daarvoor een bedrag van € 1.815,00 in rekening gebracht.
3.3.
[gedaagde] stelt dat de hoofdvordering van [eiser] is verjaard. Het werk is op 9 april 2020 door hem opgeleverd en het werk is toen door [eiser] akkoord bevonden.
De gebreken die door [eiser] worden aangevoerd hadden door hem bij de oplevering opgemerkt kunnen worden, zodat hij daarover later niet meer kan klagen.
Er is sprake van een inspanningsverbintenis. Die is hij nagekomen. Met [eiser] is niet afgesproken aan welke kwaliteitseisen het werk moest voldoen. Hij heeft -ondanks dat dit met [eiser] was afgesproken- geen concept-rapport van [bedrijf 1] ontvangen, zodat hij geen invloed heeft kunnen uitoefenen op het rapport van [bedrijf 1] . Hij betwist dat hij toerekenbaar tekort is geschoten.
Ook is hij niet in verzuim geraakt. [eiser] heeft geen aanspraak op schadevergoeding. De gevorderde schadevergoeding is buitenproportioneel.
Aan [eiser] komt geen aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten toe. Dit geldt ook voor de kosten van de door [eiser] ingeschakelde deskundige.
3.4.
[gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure (alsmede de nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten indien deze niet binnen 14 dagen na dit vonnis zijn voldaan.
3.5.
Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.6.
[gedaagde] vordert - samengevat dat de rechtbank- bij vonnis:
a. [eiser] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 7.124,48, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum van de factuur van 5 mei 2020, althans een door de rechtbank te bepalen datum,
b. [eiser] veroordeelt om de kosten van deze procedure alsmede in de nakosten, beide kosten te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze niet binnen 14 dagen na dit vonnis zijn voldaan.
3.7.
[gedaagde] stelt dat [eiser] de factuur van 5 mei 2020, waarvoor een betalingstermijn van 14 dagen geldt, nog moet betalen.
3.8.
[eiser] beroept zich primair op opschorting van zijn betalingsverplichting omdat [gedaagde] zijn werkzaamheden ondeugdelijk heeft uitgevoerd en niet tot herstel is overgegaan. Subsidiair doet [eiser] een beroep op verrekening omdat zijn vordering op [gedaagde] de vordering van [gedaagde] op hem overtreft.
3.9.
[eiser] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure alsmede in de nakosten.
3.10.
[gedaagde] betwist dat [eiser] een beroep op opschorting dan wel op verrekening toekomt.
3.11.
Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie
De aard van de overeenkomst
4.1.
Op grond van artikel 7:750 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) verbindt de aannemer zich om een werk van stoffelijke aard tot stand te brengen en op te leveren.
Onder een werk van stoffelijke aard wordt tevens begrepen het tot stand brengen van een bewerking (zoals verandering, verbetering of verbouwing van een woning).
De door [eiser] met [gedaagde] gesloten overeenkomst heeft betrekking op verandering/verbetering van de woning en kwalificeert dan ook als een overeenkomst van aanneming van werk.
Is de hoofdvordering verjaard?
4.2.
[gedaagde] stelt dat er na de brief van [eiser] van 29 september 2021 geen nieuwe sommaties aan hem zijn gezonden. [eiser] heeft de verjaringstermijn niet tijdig gestuit, zodat de vordering van [eiser] op grond van het bepaalde in artikel 7:761 BW Pro is verjaard.
4.3.
Artikel 7:761 lid 1 BW Pro luidt als volgt:

Elke rechtsvordering wegens een gebrek in het opgeleverde werk verjaart door verloop van twee jaren nadat de opdrachtgever ter zake heeft geprotesteerd. Indien de opdrachtgever de aannemer een termijn heeft gesteld waarbinnen deze het gebrek zal kunnen wegnemen, begint de verjaring pas te lopen bij het einde van die termijn, of zoveel eerder als de aannemer te kennen heeft gegeven het gebrek niet te zullen herstellen.”
4.4.
[eiser] heeft op 15 april 2020 bij [gedaagde] geklaagd over de uitgevoerde werkzaamheden.
Uit de brief van de raadsman van [gedaagde] van 23 december 2020 kan worden afgeleid dat [gedaagde] niet tot herstel van de door [eiser] aangevoerde gebreken wenst over te gaan.
Bij brief van 9 juli 2021 heeft [eiser] jegens [gedaagde] aanspraak gemaakt op vervangende schadevergoeding en heeft hij [gedaagde] gesommeerd tot betaling. Die sommatie heeft [eiser] bij brief van 29 september 2021 herhaald.
De hiervoor (in r.o. 2.21.) weergegeven inhoud van de brief van de raadsman van [eiser] aan de raadsman van [gedaagde] van 28 augustus 2023 kan niet anders worden verstaan dan als een door [eiser] aan [gedaagde] geboden laatste kans om alsnog tot betaling over te gaan alvorens tot dagvaarding zal worden overgegaan. In zoverre heeft deze brief tevens de kracht van een sommatie. Dit wordt niet anders doordat [gedaagde] ter zitting heeft verklaard dat de brief van 28 augustus 2023 moet worden gezien als schikkingsonderhandelingen en dat er geen uitdrukkelijk voorbehoud zou zijn gedaan dat bij mislukken van de onderhandelingen aanspraak zou worden gemaakt op het in die brief genoemde bedrag van € 129.315,--.
4.5.
Door de brief van 28 augustus 2023 (die binnen 2 jaar na de brief van 29 september 2021 is verstuurd, dus tijdig) is de verjaring gestuit. Dat betekent dat vanaf dat moment een nieuwe verjaringstermijn van 2 jaar is gaan lopen.
Nu de inleidende dagvaarding op 23 oktober 2024 is betekend, heeft [eiser] zijn rechtsvordering tot vervangende schadevergoeding tijdig ingesteld.
Het beroep op verjaring wordt dan ook verworpen.
Heeft oplevering van het werk plaatsgevonden?
4.6.
[eiser] betwist dat het werk is opgeleverd en meer in het bijzonder bestrijdt hij met klem dat hij het werk heeft aanvaard.
4.7.
[gedaagde] heeft ter onderbouwing van zijn andersluidende stelling weliswaar een schriftelijke verklaring van [naam 4] van 21 december 2024 in het geding gebracht die de stelling van [gedaagde] lijkt te ondersteunen, maar de rechtbank kent vooralsnog geen overtuigende bewijskracht aan deze verklaring toe. Immers, in de (hiervoor in r.o. 2.6. vermelde) brief van 15 april 2020 klaagt [eiser] bij [gedaagde] over de muren en geeft hij aan dat hij [gedaagde] al tot twee keer toe in de gelegenheid heeft gesteld om de muren te herstellen. Bij deze stand van zaken ligt het vooralsnog niet erg voor de hand dat [eiser] het werk van [gedaagde] op 9 april 2020 zonder voorbehoud zou hebben aanvaard.
4.8.
Nu [gedaagde] heeft aangeboden om door middel van getuigen te bewijzen dat het werk op 9 april 2020 is opgeleverd en er door [eiser] geen klachten naar voren zijn gebracht over de door [gedaagde] uitgevoerde werkzaamheden, zal [gedaagde] tot dat bewijs worden toegelaten.
4.9.
[eiser] heeft in dit verband weliswaar aangevoerd dat de getuigen die [gedaagde] wil doen horen niet objectief zijn zodat aan hun verklaringen geen, althans beperkte bewijskracht uit gaat ( [eiser] bestrijdt de juistheid van de door [gedaagde] in het geding gebrachte verklaring van [naam 4] d.d. 21 december 2024), maar de rechtbank gaat aan deze stelling voorbij.
Het is immers aan de rechtbank om na afloop van het getuigenverhoor te beoordelen welke bewijskracht aan de door de getuigen ter zitting afgelegde verklaringen dient te worden toegekend. Een prognose daarover voorafgaand aan het getuigenverhoor is dan ook niet aan de orde.
4.10.
Mocht [gedaagde] in het bewijs slagen, dan is hij op grond van het bepaalde in artikel 7:758 lid 3 BW Pro ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die [eiser] op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken.
4.11.
Voor het geval dat [gedaagde] niet in het bewijs mocht slagen, overweegt de rechtbank reeds nu -om proceseconomische redenen- als volgt.
Is [gedaagde] tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst?
4.12.
[gedaagde] stelt dat er bij de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst geen sprake is van een resultaatsverbintenis, maar van een inspanningsverbintenis. Hij heeft zich bovenmatig ingespannen om aan de wensen van [eiser] te voldoen en betwist dan ook dat hij is tekortgeschoten in de nakoming van de met [eiser] gesloten overeenkomst.
4.13.
De rechtbank volgt [gedaagde] hierin niet. Uit de tekst van artikel 7:750 lid 1 BW Pro volgt reeds dat sprake is van een resultaatsverbintenis. [gedaagde] heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd gesteld dat hij met [eiser] zou hebben afgesproken dat op hem slechts een inspanningsverbintenis zou rusten.
Dit betekent dat de stelling van [gedaagde] dat hij zich bovenmatig heeft ingespannen niet tot de conclusie zal leiden dat hij niet toerekenbaar tekortgeschoten is. Niet is komen vast te staan dat er specifieke afspraken tussen partijen zouden zijn gemaakt over het te bereiken resultaat van de overeengekomen werkzaamheden. Dit betekent dat in deze als uitgangspunt geldt dat het door [gedaagde] uitgevoerde werk moet voldoen aan de eisen van goed en deugdelijk werk. De vraag of [gedaagde] zich voldoende heeft ingespannen is in dit verband dus niet van belang.
4.14.
[gedaagde] betwist dat hij tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst. Hij voert aan dat [eiser] na 9 april 2020 door derden werkzaamheden in de woning heeft laten verrichten en dat de beweerde gebreken evengoed door [eiser] of door de door hem ingeschakelde derden zijn veroorzaakt.
4.15.
[eiser] heeft ter zitting aangevoerd dat [bedrijf 2] in opdracht van hem werk dat noodzakelijk was om de woning bewoonbaar te maken in maart / april 2020 heeft uitgevoerd. Het gaat daarbij om het stuken van twee muren in de woonkamer, de muur bij de keuken en de muur in het gastenverblijf (waarover hierna meer). [eiser] stelt dat hij verder geen herstelwerkzaamheden meer heeft verricht of door derden laten verrichten.
Tegenover de gemotiveerde betwisting van de zijde van [eiser] heeft [gedaagde] zijn andersluidende stelling niet, althans volstrekt onvoldoende nader onderbouwd, zodat er in deze niet van zal worden uitgegaan dat [eiser] na april 2020 nog herstelwerkzaamheden aan de woning heeft uitgevoerd dan wel heeft laten uitvoeren.
4.16.
[eiser] baseert zijn stelling dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst op het rapport van [bedrijf 1] .
4.17.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om op het (concept-)rapport van [bedrijf 1] te reageren, terwijl aan hem de toezegging is gedaan dat hij daartoe wel de gelegenheid zou krijgen.
[eiser] heeft het bestaan van de door [gedaagde] gestelde toezegging weersproken. Hierop heeft [gedaagde] niet meer gereageerd. De rechtbank merkt hierbij nog op dat -anders dan het geval is wanneer een deskundigenonderzoek op verzoek van de rechtbank wordt gelast- de wederpartij van degene in wiens opdracht een deskundigenonderzoek heeft plaatsgevonden- behoudens andersluidende opdracht van de opdrachtgever aan de deskundige- geen aanspraak kan maken op toezending van een (concept-)rapport waarop de wederpartij kan reageren voordat de partijdeskundige een definitief rapport zal opstellen.
Dit betekent dat de rechtbank in het feit dat [gedaagde] geen mogelijkheid heeft gekregen om zijn visie op de bevindingen van [bedrijf 1] aan laatstgenoemde kenbaar te maken en daarmee mogelijk invloed zou hebben gehad op het eindrapport van de deskundige, geen aanleiding wordt gevonden om het rapport van [bedrijf 1] op voorhand als bewijsmiddel terzijde te schuiven.
4.18.
De rechtbank zal bij de beoordeling van de stelling van [eiser] dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten dan ook het rapport van [bedrijf 1] als uitgangspunt nemen. De rechtbank heeft [bedrijf 1] in andere zaken als deskundige benoemd. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de deskundigheid van [bedrijf 1] te twijfelen.
Het stukadoorswerk
4.19.
[gedaagde] heeft niet gesteld dat [bedrijf 1] bij de beoordeling van het stucwerk ten onrechte de in het rapport vermelde uitgangspunten heeft gehanteerd.
[gedaagde] heeft de oordelen van de deskundige niet, althans niet voldoende gemotiveerd tegengesproken (op een punt na, dat hierna zal worden besproken). Dat het stucwerk in zijn algemeenheid oneffenheden kan vertonen mag zo zijn, maar dat is niet waar het hierbij om gaat. De door de deskundige geconstateerde gebreken aan het stucwerk hebben geen betrekking op verwaarloosbare oneffenheden in het stucwerk.
4.20.
[gedaagde] bestrijdt niet dat hij met [eiser] aanvankelijk is overeengekomen dat hij stucprofielen zou plaatsen. [gedaagde] voert echter aan dat daarvan met instemming van [eiser] is afgeweken omdat het plaatsen van stucprofielen vanwege de dikte van het stucwerk niet mogelijk was. [eiser] heeft dit verweer van [gedaagde] (dat ondersteund wordt door een als productie 4 overgelegde schriftelijke -zij het niet ondertekende en niet gedateerde- verklaring) niet tegengesproken. De afwezigheid van stucprofielen kan dan ook niet worden aangemerkt als een tekortkoming van [gedaagde] .
4.21.
[eiser] heeft ter zitting aangevoerd dat [bedrijf 2] in opdracht van hem werk dat noodzakelijk was om de woning bewoonbaar te maken in maart / april 2020 heeft uitgevoerd. Het gaat daarbij om het stuken van twee muren in de woonkamer, de muur bij de keuken en de muur in het gastenverblijf.
4.22.
[bedrijf 1] maakt in zijn rapport (op bladzijde 6) melding van het feit dat hij na zijn inspectie van [eiser] foto’s heeft ontvangen van het stucwerk op de wand aan de voor- en achtergevelzijde in de woonkamer en dat [eiser] deze wanden voor de inspectie van [bedrijf 1] door derden had laten herstellen. Op bladzijde 6 geeft de deskundige als zijn oordeel te kennen dat het stucwerk op de betreffende wanddelen niet aan de beoordelingscriteria voldoet. De door de deskundige vastgestelde gebreken in het stucwerk op de wanden in de woonkamer kunnen dan ook niet aan [gedaagde] worden toegerekend, omdat deze gebreken niet door hem zijn veroorzaakt. Het verweer van [gedaagde] dat de hier bedoelde foto’s geen weergave zijn van de eindtoestand van het stucwerk ter plaatse, behoeft dan ook geen nadere bespreking.
4.23.
De deskundige heeft geen opmerkingen gemaakt die specifiek betrekking hebben op het stucwerk aan de muur bij de keuken en de muur in het gastenverblijf. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat het werk van [bedrijf 2] aan deze muren aan de door de deskundige gehanteerde beoordelingscriteria voldoet. Doordat [eiser] herstelwerkzaamheden heeft laten uitvoeren door [bedrijf 2] , kan niet meer worden vastgesteld of die werkzaamheden -gelet op de door de deskundige gehanteerde beoordelingscriteria- wel nodig zijn geweest. De waarneming van [bedrijf 2] (productie 8 van [eiser] ) dat het stucwerk in de keuken hobbelig is, is daarvoor te weinig concreet. Over de muren van de slaapkamers zijn door [bedrijf 2] geen opmerkingen gemaakt.
4.24.
[gedaagde] stelt dat hij circa 350 m² aan muuroppervlak heeft gestukt, terwijl deze werkzaamheden afgesproken waren als spackspuit, waardoor de werkzaamheden voor [eiser] 8 tot 9 euro duurder zouden uitvallen. Hierbij is sprake van meerwerk.
[eiser] bestrijdt dat sprake is van meerwerk. Wat daarvan ook zij, ook al zou er sprake zijn van meerwerk doet dat er niet aan af dat het stucwerk moet voldoen aan de eisen van goed en deugdelijk werk.
4.25.
Uit het vorenstaande volgt dat de uitgevoerde stukadoorswerkzaamheden op heel veel punten niet voldoen aan de eisen van goed en deugdelijk werk.
4.26.
Ter zitting heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij tegen [eiser] heeft gezegd dat sommige muren niet helemaal recht waren en dat dat kwam doordat de metselaar zijn werk niet goed had gedaan. Desgevraagd heeft [gedaagde] verklaard dat hij [eiser] niet schriftelijk heeft gewaarschuwd dat sommige muren niet helemaal recht waren en dat dit consequenties zou hebben voor het te bereiken resultaat van het door hem uit te voeren stukadoorswerk. Een schriftelijke (en ondubbelzinnige) waarschuwing is echter op grond van het bepaalde in artikel 7: 754 lid 2 BW wel vereist. Dit betekent dat het feit dat volgens [bedrijf 1] op een aantal plaatsen niet is voldaan aan de eis dat bij het te lood afwerken van een gestukadoorde wand een maximale afwijking van 2 millimeter per meter binnen de tolerantiegrens valt, aan [gedaagde] moet worden toegerekend.
Het gaat volgens [bedrijf 1] om meerdere posities, zowel op de begane grond als op de eerste verdieping, waarbij de wand meer dan 5 millimeter per meter verticaal afwijkt.
Het behangwerk
4.27.
[gedaagde] heeft het onderbouwde oordeel van [bedrijf 1] op het uitgevoerde behangwerk niet, althans niet voldoende weersproken. Het behangwerk voldoet daarmee niet aan de eisen van goed en deugdelijk werk.
Dit werk heeft [gedaagde] laten uitvoeren door [naam 4] . Naar [eiser] toe is [gedaagde] aansprakelijk voor de door de deskundige geconstateerde gebreken aan het behangwerk.
4.28.
[gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat hij aan [eiser] schriftelijk heeft medegedeeld dat hij “een stukje van het behangwerk zou plakken” en dat [eiser] het behangwerk nadien heeft goedgekeurd. [eiser] heeft dit met klem weersproken. Hierop heeft [gedaagde] niet meer gereageerd, zodat de rechtbank aan dit verweer van [gedaagde] voorbij gaat.
De gietvloer
4.29.
[gedaagde] stelt ter zitting dat de gietvloer door een onderaannemer van hem is gelegd en dat deze de vloer na een klacht van [eiser] heeft gerepareerd. Na de oplevering is de onderaannemer nog een keer teruggegaan naar de woning van [eiser] om een blauwe onderlaag -die zichtbaar was- te repareren.
4.30.
Daargelaten dat [eiser] ter zitting heeft bestreden dat dit gebrek is verholpen, heeft [bedrijf 1] andere gebreken aan de gietvloer (waaronder blaasvorming) vastgesteld, welke zodanig zijn dat de gietvloer op de begane grond geheel moet worden verwijderd en op nieuw aangebracht moet worden.
De gietvloer op de begane grond voldoet daarmee niet aan de eisen van goed en deugdelijk werk.
De deskundige heeft weliswaar ook een opmerking gemaakt over de gietvloer in de badkamer op de eerste verdieping, maar hij heeft ter zake geen voorstel tot herstel gedaan, zodat de rechtbank aan dit onderdeel van het rapport verder voorbij zal gaan.
4.31.
[gedaagde] heeft de bevindingen van [bedrijf 1] voor het overige niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken. De door [bedrijf 1] geconstateerde gebreken aan het stucwerk, het behang en de gietvloer staan daarmee vast.
Deze gebreken worden (op de hiervoor vermelde uitzonderingen met betrekking tot het stucwerk na) aan [gedaagde] toegerekend. Voor zover het werkzaamheden betreft die [gedaagde] heeft laten uitvoeren door de door hem ingeschakelde onderaannemers, komen de daarbij gemaakte fouten van onderaannemers in zijn relatie tot [eiser] voor rekening en risico van [gedaagde] .
Overige gebreken
4.32.
[eiser] stelt dat er schade is aan de bar van het kookeiland met de gietvloer. [bedrijf 1] maakt in haar rapport melding van een vervuiling met coating op het houtwerk van het keukenblok. Kennelijk is dit wat [eiser] bedoelt, in ieder geval heeft [gedaagde] dat zo begrepen. In het rapport van [bedrijf 1] staat op bladzijde 13 een foto van het bovenblad van het keukenblok afgebeeld, waarop een kleine witte stip is te zien.
[gedaagde] betwist bij gebrek aan wetenschap dat er op de keukenbar c.q. het keukenblad is gemorst. Deze betwisting is -gegeven het feit dat [gedaagde] en zijn onderaannemers in de woning werkzaamheden hebben verricht- gelet op de aard en omvang van die werkzaamheden- onvoldoende gemotiveerd.
4.33.
[eiser] stelt dat schade is ontstaan aan de plinten en aan het schilderwerk van de plinten. [bedrijf 1] heeft geen beschadiging van (het schilderwerk van) de plinten vastgesteld. [eiser] heeft overigens ook geen aanspraak gemaakt op de kosten van herstel ter zake, zodat de rechtbank aan de stelling van [eiser] dan ook voorbij gaat.
4.34.
[eiser] heeft nog aangevoerd dat de tegels van het toilet zijn besmeurd met Knauf alsmede dat het afval niet is afgehaald.
4.35.
[gedaagde] heeft ter zitting betwist dat de tegels vies zouden zijn. [gedaagde] voert aan dat je het meteen tijdens de werkzaamheden ziet als tegels vies zijn geworden en dat hij de tegels direct als het nog nat is schoonmaakt. Hij betwist dat hij verantwoordelijk is voor de door [eiser] gestelde vervuiling van de tegels in het toilet. Het afval heeft hij in de daartoe bestemde afvalcontainers gegooid. Hij heeft geen afvalresten in of rond de woning achtergelaten.
4.36.
[bedrijf 1] heeft niet vastgesteld dat er tegels van het toilet zijn besmeurd. [eiser] heeft zijn andersluidende stelling ter zake niet onderbouwd. [bedrijf 2] maakt immers slechts melding van met Knauf, verf en kit besmeerde kozijnen in de woonkamer.
4.37.
[eiser] heeft zijn stelling dat het afval niet is afgehaald tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] niet nader onderbouwd.
4.38.
[eiser] heeft overigens geen kosten opgevoerd voor het schoonmaken van de tegels en het verwijderen van het afval.
4.39.
[eiser] heeft nog aangevoerd dat de verfwerkzaamheden bijzonder slecht zijn verricht. [bedrijf 1] heeft daarvan in haar rapport geen melding gemaakt. [bedrijf 1] heeft slechts aangegeven dat nadat het stukadoorswerk is hersteld de wanden opnieuw kunnen worden voorzien van onder meer sauswerk.
Verkeert [gedaagde] in verzuim?
4.40.
[gedaagde] heeft ter zitting aangevoerd dat [eiser] hem na 9 april 2020 niet meer in de gelegenheid heeft gesteld om de gebreken te herstellen. Hem werd na 9 april 2020 de toegang tot de woning van [eiser] ontzegd. Hij is aansprakelijk gesteld voor gebreken die hij niet met eigen ogen heeft kunnen waarnemen, zodat er geen verzuim aan zijn zijde is.
4.41.
Dit verweer kan [gedaagde] niet baten. Uit de e-mail van [eiser] van 15 april 2020 kan immers worden afgeleid dat [gedaagde] meerdere kansen heeft gehad om de muren te herstellen, zonder dat dit tot een bevredigend resultaat heeft geleid. Dit is door [gedaagde] niet bestreden. Van [eiser] kon in redelijkheid niet worden gevergd om [gedaagde] nogmaals in de gelegenheid te stellen om de gebreken aan de muren te herstellen.
Overigens heeft [eiser] bij brief van 2 november 2020 [gedaagde] de gelegenheid gegeven om tot herstel van de in die brief vermelde gebreken over te gaan. Uit de brief van 23 december 2020 kan worden afgeleid dat [gedaagde] niet tot herstel van de gebreken wenst over te gaan. In die brief wordt geen melding gemaakt van het feit dat [gedaagde] eerder door [eiser] de toegang tot diens woning is ontzegd.
4.42.
[gedaagde] stelt dat [eiser] slechts aanspraak kan maken op schadevergoeding indien hij na ingebrekestelling niet overgaat tot herstel van de gebreken. [eiser] heeft hem nimmer schriftelijk gesommeerde om de beweerde gebreken binnen een redelijke termijn te herstellen, bij gebreke waarvan hij aanspraak zal maken op schadevergoeding. De hiervoor onder 2.10. vermelde brief van 2 november 2020 kan niet als een ingebrekestelling worden aangemerkt omdat [eiser] voordien door derden herstelwerkzaamheden in de woning had laten verrichten.
4.43.
De rechtbank volgt [gedaagde] niet in dit verweer. De brief van 2 november 2020 kan als een ingebrekestelling worden gekwalificeerd. Het enkele feit dat [eiser] voordien door derden
enige-door [gedaagde] niet nader omschreven- herstelwerkzaamheden heeft laten verrichten betekent niet dat [gedaagde] dus had mogen blijven stilzitten. Zoals hiervoor is overwogen heeft [eiser] vóór 2 november 2020 alleen een gedeelte van het stucwerk door derden laten herstellen, zodat ervan uit wordt gegaan dat de overige gebreken aan het stucwerk, de gebreken aan de gietvloer, het schilderwerk en het behang waarvan in die brief melding wordt gedaan, vóór 2 november 2020 niet waren opgelost. Nu [gedaagde] niet aan de sommatie heeft voldaan, is hij in verzuim geraakt.
4.44.
Dit betekent dat [eiser] met recht zijn vordering tot nakoming bij brief van 9 juli 2021 heeft omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding.
Vervangende schadevergoeding
4.45.
[gedaagde] stelt dat op verzoek van [eiser] gewijzigde afspraken zijn gemaakt in die zin dat [eiser] hem bij e-mail van 15 april 2020 heeft medegedeeld dat hij herstelwerkzaamheden door een ander bedrijf zal laten uitvoeren en dat de kosten in mindering zullen worden gebracht op de laatste factuur. Hij heeft dat voorstel van [eiser] per e-mail van 16 april 2020 uit coulance akkoord bevonden. De gemaakte afspraken waren ter finale kwijting. [eiser] is op deze nieuwe afspraken teruggekomen door per e-mail van 29 april 2020 met gewijzigde wensen te komen. Na de reeds gemaakte afspraak, kon hij niet instemmen met de aanvullende wensen van [eiser] . [eiser] kan daarom jegens hem geen aanspraak meer maken op de bij dagvaarding gevorderde schadevergoeding.
4.46.
Naar het oordeel van de rechtbank staat het door [gedaagde] aanvaarde voorstel van [eiser] niet in de weg aan de vordering tot schadevergoeding zoals deze door [eiser] bij dagvaarding is ingesteld. Aan de inhoud van de e-mail van 15 april 2020 kan [gedaagde] immers niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat de aanspraak op herstel van gebreken beperkt was tot de gebreken waarvan [eiser] in deze e-mail melding heeft gemaakt (stucwerk en verfwerkzaamheden).
4.47.
[eiser] vordert geen vergoeding van reeds door hem gemaakte herstelkosten, zodat de rechtbank voorbij gaat aan de stelling van [gedaagde] dat facturen en betalingsbewijzen ontbreken.
4.48.
[gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen aard en omvang van de door [bedrijf 1] voorgestelde herstelwerkzaamheden.
4.49.
[gedaagde] betwist enkel de hoogte van de herstelkosten. Hij stelt dat de kosten niet nader zijn onderbouwd en dat deze kosten -mede in het licht van de door hem gefactureerde werkzaamheden- exorbitant zijn. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [gedaagde] ter zitting een schriftelijke verklaring van [bedrijf 3] d.d. 26 juni 2025 in het geding gebracht. [bedrijf 3] stelt dat de in het rapport van [bedrijf 1] vermelde eenheden en de daaraan gekoppelde (totaal)bedragen niet inzichtelijk worden gemaakt alsmede dat de bedragen per eenheid verre van marktconform zijn.
Ter zitting heeft [gedaagde] daaraan toegevoegd dat [bedrijf 1] voor het aanbrengen van stucloper (een afdekmateriaal om vloeren te beschermen tegen beschadiging tijdens het stuken, schilderen of latex spuiten, toevoeging rechtbank) een bedrag rekent van € 14,50 per m², terwijl bij de Gamma 35 m² aan stucloper wordt verkocht voor € 18,99, hetgeen neerkomt op € 0,54 per m². Voor het enkel verwijderen van behangwerk en hoekprofielen wordt door [bedrijf 1] € 2.880,-- respectievelijk € 1.625,-- gerekend. Voor stucwerk aan de wanden wordt € 35,-- per m² gerekend, terwijl de gemiddelde prijs voor het stuken van muren ligt tussen de € 10,-- en € 20,-- per m². Voor een klein vlekje op het keukenblad wordt € 800,-- gerekend. Voor schilderwerk wordt een bedrag in rekening gebracht dat neerkomt op € 35,-- per m², terwijl de gemiddelde prijs voor binnenschilderwerk € 20,-- per m² bedraagt.
4.50.
De rechtbank verwerpt de stelling van [gedaagde] dat de btw over de herstelkosten buiten beschouwing moet worden gelaten. Indien [eiser] de gebreken door derden laat herstellen, ontvangt hij daarvoor een factuur inclusief btw. Die btw is voor [eiser] niet verrekenbaar omdat hij geen ondernemer is.
4.51.
In het licht van het rapport van [bedrijf 1] heeft [gedaagde] zijn stelling dat nergens uit blijkt dat de herstelkosten voorvloeien uit zijn werkzaamheden volstrekt onvoldoende onderbouwd, zodat aan dit causaliteitsverweer voorbij wordt gegaan.
4.52.
De rechtbank is -voor het geval dat [gedaagde] niet slaagt in het bewijs en anders dan [gedaagde] heeft verzocht- vooralsnog niet voornemens om de woning van [eiser] te bezichtigen om zich een oordeel te kunnen vormen over de huidige stand van zaken. Evenmin acht de rechtbank vooralsnog het inwinnen van een deskundigenbericht noodzakelijk naar de vraag of de door [bedrijf 1] berekende herstelkosten tegen het prijspeil van 20 mei 2021 (de datum waarop [bedrijf 1] haar rapport heeft uitgebracht) marktconform zijn.
4.53.
De rechtbank gaat ervan uit dat [bedrijf 1] het aantal (vierkante) meters heeft vastgesteld na nameting daarvan. Uit het rapport van [bedrijf 1] valt echter niet op te maken of bij de vermelding dat de muren voor een oppervlakte van 1.200 m² opnieuw moeten worden gestukadoord de oppervlakten van de twee muren in de woonkamer, de muur van de keuken en de muur in het gastenverblijf buiten beschouwing zijn gelaten. De oppervlakte van de hier bedoelde muren dient immers in mindering te worden gebracht op de opnieuw te stuken oppervlakten omdat -zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen- de kosten van het opnieuw laten stuken van bedoelde muren niet voor rekening van [gedaagde] behoren te komen.
De rechtbank verzoekt [eiser] om aan [bedrijf 1] te vragen om de oppervlakten van de hier bedoelde muren aan hem op te geven.
4.54.
De rechtbank verzoekt [eiser] tevens om [bedrijf 1] te vragen om te reageren op het commentaar dat door [gedaagde] is gegeven op de hoogte van de door [bedrijf 1] gehanteerde prijzen per 20 mei 2021.
4.55.
De rechtbank merkt op dat -in het geval dat [bedrijf 1] bij de berekening van de kosten van het schilderwerk is uitgegaan van verf van het merk Sikkens dan wel Sigma- de kosten moeten worden aangepast aan de prijs van de door [gedaagde] gebruikte verf van Hornbach (prijspeil op 20 mei 2021).
[gedaagde] heeft immers gemotiveerd betwist dat hij met [eiser] is overeengekomen dat hij verf van het merk Sikkens dan wel van het merk Sigma zou gebruiken. Tegenover welke betwisting [eiser] zijn andersluidende stelling, niet dan wel onvoldoende heeft geadstrueerd.
Daarbij komt dat [gedaagde] overigens heeft aangevoerd dat [eiser] heeft kunnen zien dat hij aan de hand van zichtbaar aanwezige verfblikken had kunnen zien dat gebruik werd gemaakt van verf van Hornbach en dat [eiser] daar toen niet tegen heeft geprotesteerd. Dat heeft [eiser] niet bestreden. Dit betekent dat [eiser] er zich jegens [gedaagde] thans niet meer op kan beroepen dat [gedaagde] tekort is geschoten door gebruik te maken van verf van Hornbach. Dit volgt uit het bepaalde in artikel 6:89 BW Pro. Daarbij komt dat [eiser] overigens niet stelt dat de door [gedaagde] gebruikte verf van Hornbach (totaal) niet geschikt is voor binnenschilderwerk.
De rechtbank verzoekt [eiser] om aan [bedrijf 1] te vragen welke prijs per verfblik zij heeft gehanteerd bij de begroting van de kosten van het schilderwerk (sauswerk van de binnenwanden) en te vragen om deze prijs zonodig aan te passen aan de prijs van verf van Hornbach.
4.56.
Partijen moeten er rekening mee houden dat aansluitend aan het getuigenverhoor een mondelinge behandeling kan plaatsvinden om aan partijen inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun standpunten nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Zij moeten daarom in persoon op de getuigenverhoren verschijnen.
[eiser] wordt verzocht om de door hem van [bedrijf 1] ontvangen antwoorden op de hiervoor weergegeven vragen tijdig voor de zitting in te dienen.
4.57.
Iedere verdere beslissing op de vorderingen van [eiser] (ook die ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten en de kosten van het rapport van [bedrijf 1] ) zal worden aangehouden.
in reconventie
4.58.
[eiser] heeft zich ter zake van zijn betalingsverplichting van de factuur ad
€ 7.124,48 beroepen op verrekening. Aangezien thans nog niet vaststaat of [eiser] jegens [gedaagde] aanspraak kan maken op vergoeding van herstelkosten van de gebreken, zal iedere verdere beslissing in reconventie worden aangehouden tot aan het eindvonnis in conventie.
5. De beslissing
De rechtbank
in conventie
5.1.
laat [gedaagde] toe om door middel van getuigen te bewijzen dat op 9 april 2020 oplevering van het werk heeft plaatsgevonden en dat [eiser] toen akkoord is gegaan met de kwaliteit van de door [gedaagde] verrichte werkzaamheden,
5.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 10 december 2025voor opgave door [gedaagde] van de namen van de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden
januari 2026tot en met
april 2026, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
5.3.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. F.M.C. Boesberg, in het gerechtsgebouw te Zutphen, Martinetsingel 2,
5.4.
bepaalt dat [eiser]
uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoorde schriftelijke reactie van [bedrijf 1] op de hiervoor onder 4.52., 4.53., en 4.54. weergegeven vragen aan de rechtbank en de wederpartij moet toesturen,
5.5. houdt iedere verdere beslissing aan.
in reconventie
5.6. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.M.C. Boesberg en in het openbaar uitgesproken op
26 november 2025.
Th/FB