ECLI:NL:RBGEL:2025:10962

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
11734397
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsverplichting en verzuim in overeenkomst tussen H.I.S. Industrie Services VOF en gedaagden

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Gelderland op 12 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen H.I.S. Industrie Services VOF (hierna: H.I.S.) en meerdere gedaagden. H.I.S. vorderde betaling van twee onbetaalde facturen, in totaal € 6.292,00, vermeerderd met wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten. De gedaagden hebben de facturen niet betaald en hebben zich beroepen op tekortkomingen in de uitvoering van de overeenkomst door H.I.S. De rechtbank heeft vastgesteld dat H.I.S. de boorlijmmachines op 14 maart 2024 heeft geleverd en dat de gedaagden in verzuim zijn geraakt door de facturen niet binnen de afgesproken termijn te betalen. De kantonrechter oordeelde dat de gedaagden zich niet konden beroepen op verrekening, omdat H.I.S. niet in verzuim was. De rechtbank heeft de vordering van H.I.S. toegewezen, inclusief de gevorderde buitengerechtelijke kosten en proceskosten. De gedaagden zijn hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het totaalbedrag, dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11734397 \ CV EXPL 25-1725
Vonnis van 12 december 2025
in de zaak van
H.I.S. INDUSTRIE SERVICES VOF,
te Mijdrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: H.I.S.,
gemachtigde: mr. W. Plessius,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [plaats] ,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats] ,
3.
[gedaagde 3],
te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. E.M. Mulder.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 4 juli 2025
- de mondelinge behandeling van 25 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben in 2023 een overeenkomst met elkaar gesloten op grond waarvan H.I.S. boorlijmmachines zou (her)bouwen voor [gedaagden] Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst werkten H.I.S. en [gedaagden] al meer dan tien jaar samen.
2.2.
Op de overeenkomst tussen partijen zijn de Metaalunievoorwaarden 2019 (hierna: algemene voorwaarden) van toepassing.
2.3.
In de algemene voorwaarden is – voor zover van belang – het volgende bepaald:
‘17.2. Tenzij anders overeengekomen vindt betaling plaats binnen 30 dagen na factuurdatum.
17.4.
Het recht van opdrachtgever om zijn vorderingen op opdrachtnemer te verrekenen of om de nakoming van zijn verplichtingen op te schorten is uitgesloten, tenzij er sprake is van surseance van betaling of faillissement van opdrachtnemer of de wettelijke schuldsanering op opdrachtnemer van toepassing is.
17.5.
Ongeacht of opdrachtnemer de overeengekomen prestatie volledig heeft uitgevoerd, is alles wat opdrachtgever uit hoofde van de overeenkomst aan hem verschuldigd is of zal zijn onmiddellijk opeisbaar als:
a. een betalingstermijn is overschreden;
(…)’
2.4.
Op 20 juli 2023 heeft H.I.S. aan [gedaagden] een offerte gestuurd voor een bedrag van € 9.801,00 voor het ontwerpen van vijf boorlijmmachines. In de offerte is bepaald dat betaling moet plaatsvinden binnen 14 dagen na factuurdatum. [gedaagden] heeft de offerte vervolgens geaccepteerd en betaald, met dien verstande dat de opdracht uiteindelijk inhield dat H.I.S. vier in plaats van vijf boorlijmmachines zou leveren. H.I.S. zou op grond van de overeenkomst één machine gedeeltelijk opbouwen, waarbij [gedaagden] de pneumatische en elektrische onderdelen zou regelen en installeren en de andere drie exemplaren van de machines moest H.I.S. in onderdelen aanleveren, zodat [gedaagden] deze vervolgens zelf kon opbouwen met aanvullende onderdelen.
2.5.
Op 14 maart 2024 heeft [gedaagden] de gedeeltelijk opgebouwde machine en de drie andere machines in onderdelen opgehaald bij H.I.S.
2.6.
Op 19 maart 2024 heeft H.I.S. [gedaagden] gefactureerd voor de door H.I.S. te verrichten constructiewerkzaamheden voor een bedrag van € 5.808,00.
2.7.
Op 12 april 2024 heeft [gedaagden] aan H.I.S. een e-mail gestuurd met een opgave van onderdelen die volgens haar niet conform de opdracht waren uitgevoerd en aangepast moesten worden.
2.8.
Op 15 april 2024 heeft H.I.S. op de e-mail van [gedaagden] gereageerd. Afgesproken werd dat [gedaagden] één machine compleet met alle onderdelen zou opbouwen en bij H.I.S. zou bezorgen, zodat H.I.S. de afwijkingen kon controleren.
2.9.
Op 23 mei 2024 heeft [gedaagden] een complete machine met onderdelen aan H.I.S. gestuurd en op 31 mei 2024 een lijst met de aan te passen onderdelen aan haar gemaild.
2.10.
Op 3 juni 2024 reageert H.I.S. op deze e-mail, waarbij zij aangeeft een aantal punten te willen oplossen.
2.11.
Partijen hebben vervolgens tevergeefs geprobeerd om tot een praktische oplossing te komen.
2.12.
Op 5 september 2024 heeft H.I.S. [gedaagden] gefactureerd voor een bedrag van € 484,00, omdat [gedaagden] het aantal gewenste boorlijmmachines had teruggebracht van vijf naar vier stuks en de factuur van 19 maart 2024 nog uitging van een lagere stuksprijs bij een afname van vijf boorlijmmachines.
2.13.
Op zowel de factuur van 19 maart 2024 als 5 september 2024 is vermeld dat de in rekening gebrachte bedragen binnen een termijn van 14 dagen moeten worden betaald.
2.14.
[gedaagden] heeft de facturen van 19 maart 2024 en 5 september 2024 onbetaald gelaten.
2.15.
Op 23 januari 2025 heeft [gedaagden] per mail aan H.I.S. kenbaar gemaakt dat zij de overeenkomst tussen partijen ontbindt en H.I.S. aansprakelijk gesteld voor haar schade.

3.Het geschil

3.1.
H.I.S. vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 5.808,00 en € 484,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen. Daarnaast vordert H.I.S. € 689,00 aan buitengerechtelijke incassokosten en de veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.
3.2.
H.I.S. legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagden] tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst en in verzuim is geraakt door de facturen d.d. 19 maart 2024 en 4 september 2024 niet binnen de betalingstermijn van 14 dagen te betalen. Omdat [gedaagden] niet (op tijd) betaalde, vordert H.I.S. ook de wettelijke handelsrente op grond van artikel 6:119a BW en betaling van de buitengerechtelijke kosten op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit).
3.3.
[gedaagden] voert verweer. [gedaagden] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van H.I.S., dan wel tot afwijzing van de vorderingen van H.I.S., met veroordeling van H.I.S. in de kosten van deze procedure. Zij voert – kort samengevat – aan dat H.I.S. tekortgeschoten is in de uitvoering van de opdracht. [gedaagden] heeft H.I.S. vervolgens meerdere keren in de gelegenheid gesteld om de fouten te herstellen, maar H.I.S. heeft hier niet aan voldaan. H.I.S. is aldus in verzuim geraakt waarop [gedaagden] de overeenkomst schriftelijk heeft ontbonden. Daarnaast heeft [gedaagden] door het tekortschieten van H.I.S. minimaal € 2.500,00 aan schade heeft geleden en zij wil deze schade voorwaardelijk verrekenen met de vordering van H.I.S., namelijk als wordt geoordeeld dat [gedaagden] nog een bedrag aan H.I.S. moet betalen. Verder stelt [gedaagden] zich op het standpunt dat tussen partijen de afspraak bestaat dat pas gefactureerd wordt als het werk correct is opgeleverd en door [gedaagden] is goedgekeurd (artikel 12 algemene voorwaarden). Zo is altijd tussen partijen gehandeld en dit is gebruikelijk in hun branche. Omdat het overeengekomen werk op 19 maart 2024 nog niet correct was uitgevoerd en de machines in haar geheel niet functioneel bruikbaar waren, had H.I.S. op die datum nog niet mogen factureren, aldus [gedaagden] Voor zover H.I.S. een beroep doet op de algemene voorwaarden, acht [gedaagden] een beroep hierop onder de aan de orde zijnde omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Zij betwist verder dat zij wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd is, aangezien zij met de betaling van de facturen niet in verzuim is geraakt.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Zowel H.I.S. als [gedaagden] stellen zich op het standpunt dat de andere partij in verzuim verkeert. H.I.S. is van mening dat [gedaagden] in verzuim is omdat zij de facturen niet binnen de betalingstermijn van 14 dagen heeft betaald. [gedaagden] is daarentegen van mening dat H.I.S. in verzuim is omdat H.I.S. nooit de boorlijmmachines aan haar heeft geleverd zoals tussen partijen is overeengekomen.
4.2.
De vraag die moet worden beantwoord is dan ook welke partij in verzuim verkeert. Het staat vast dat [gedaagden] de machines (voor het eerst) op 14 maart 2024 bij H.I.S. heeft opgehaald. H.I.S. stelt dat het afgesproken werk op dat moment af was, reden waarom zij vervolgens op 19 maart 2024 een factuur aan [gedaagden] heeft gestuurd.
4.3.
De kantonrechter overweegt in dit kader als volgt. H.I.S. had na het afleveren van de boorlijmmachines op 14 maart 2024 een opeisbare vordering op [gedaagden] H.I.S. had op dat moment immers de machines aan [gedaagden] geleverd. [gedaagden] stelt zich weliswaar op het standpunt dat gebruikelijk is dat H.I.S. pas factureert indien het werk formeel is opgeleverd en [gedaagden] ook haar goedkeuring heeft gegeven, maar dat dit de gebruikelijke gang van zaken is, is betwist en is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gebleken. Het stelsel van de algemene voorwaarden is helder: H.I.S. factureert en [gedaagden] moet binnen 30 dagen of een andere overeengekomen termijn betalen (artikel 17.2.), ongeacht of de prestatie volledig is uitgevoerd (artikel 17.5.). [gedaagden] kan daarbij niet opschorten of verrekenen (artikel 17.4.). [gedaagden] stelt in feite dat partijen volledig hiervan afwijkende (betalings)afspraken hebben gemaakt. Dit blijkt echter nergens uit.
4.4.
Het voorgaande betekent dat [gedaagden] de factuur, conform offerte, binnen 14 dagen na 19 maart 2024 had moeten betalen. [gedaagden] heeft nog aangevoerd dat een beroep op artikel 17.2. van de algemene voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, maar heeft nagelaten dit ver strekkende verweer nader te onderbouwen in het licht van het feit dat de algemene voorwaarden expliciet in de offerte op basis waarvan de opdracht is uitgevoerd zijn genoemd als onderdeel van de overeenkomst. Waarom [gedaagden] , niet handelende als consument, niet gehouden zou moeten worden aan dit deel van de overeenkomst, heeft zij niet gesteld. De kantonrechter gaat dan ook voorbij aan dit verweer.
4.5.
Omdat [gedaagden] niet aan haar betalingsverplichting heeft voldaan, is zij in verzuim geraakt. Door het verzuim van [gedaagden] heeft H.I.S. niet in verzuim kunnen raken en kan [gedaagden] zich niet beroepen op de omstandigheid dat H.I.S. zou zijn tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. Om die reden bestaat er op grond van artikel 6:74 BW ook geen grond voor schadevergoeding en gaat het (voorwaardelijke) beroep dat [gedaagden] doet op verrekening niet op. Voor een geslaagd beroep op verrekening heeft [gedaagden] namelijk een tegenvordering nodig om de vordering van H.I.S. mee te verrekenen en die heeft zij niet. H.I.S. is namelijk niet in verzuim en daarom ook niet schadeplichtig.
4.6.
Concluderend moest [gedaagden] als eerst nakomen door het betalen van de factuur van 19 maart 2024 binnen 14 dagen. Nu zij dit heeft nagelaten, is zij in verzuim geraakt en was zij, reeds op grond van de wet en overigens ook op grond van de algemene voorwaarden, ook niet bevoegd om de betaling van de factuur van 5 september 2024 op te schorten en daaropvolgend de gehele overeenkomst (buitengerechtelijk) te ontbinden. Voorgaande betekent dat de vordering tot betaling van de hoofdsom van in totaal € 6.292,00 wordt toegewezen, nu de hoogte van deze facturen op zichzelf niet door [gedaagden] is betwist. De gevorderde wettelijke handelsrente wordt toegewezen zoals in de beslissing vermeld.
4.7.
H.I.S. vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit omdat die tarieven redelijk worden geacht. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 689,00 aan buitengerechtelijke kosten worden toegewezen.
4.8.
[gedaagden] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van H.I.S. worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
362,77
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.718,77
4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.10.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
4.11.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan H.I.S. te betalen een bedrag van € 6.292,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan H.I.S. te betalen een bedrag van € 689,00 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.718,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken 12 december 2025.
62956/560