Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- de conclusie na comparitie van [eiser]
3.De feiten
4.Het geschil
€ 10.000,00,
€ 670.000,00. [eiser] heeft hierdoor een schade geleden van (€ 95.000,00 : 2 =)
€ 47.500,00, die door [gedaagde] moet worden vergoed. Daarnaast vordert [eiser] betaling van een bedrag van € 9.600,00 als gevolg van door haar betaalde premies voor de opstalverzekering in de periode nadat de samenleving was beëindigd. Ook komt aan [eiser] de helft van de huurpenningen van de bedrijfsruimte toe. De bedrijfsruimte is sinds 2015 tot eind september 2023 verhuurd geweest. Uitgaande van een huurprijs van € 500,00 per maand en een verhuurperiode van 96 maanden dient [gedaagde] een bedrag van € 24.000,00 aan [eiser] te betalen. Verder heeft [eiser] de laatste termijnbetaling van de hypothecaire geldlening ten bedrage van € 549,49 betaald, omdat [gedaagde] dat had nagelaten en zij door de hypothecaire geldlener daartoe werd aangesproken. [gedaagde] had deze betaling moeten doen, omdat hij de gebruiker was van de woning. [gedaagde] is dit bedrag aan [eiser] verschuldigd. Verder moet de vof nog afgewikkeld worden. Uit de jaarrekening 2008 volgt dat het vermogen van de vof per 31 december 2008 € 127.095,00 bedroeg. Hiervan komt aan [eiser] de helft toe, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 20 mei 20009 ten bedrage van € 140.272,11 per 13 mei 2024. De vordering uit hoofde van de verdeling van de vof komt daarmee uit op een bedrag van € 203.819,00 per 13 mei 2024.
€ 12.089,62 per 13 mei 2024. Ook heeft [eiser] recht op de helft van de huuropbrengsten van de chalets gedurende een periode van vijf jaar. De netto huuropbrengst bedraagt € 240.000,00. [gedaagde] moet de helft van dit bedrag aan [eiser] betalen, vermeerderd met de wettelijke rente ten bedrage van € 58.030,17 per 13 mei 2024. Verder heeft [eiser] een overbedelingsvordering op [gedaagde] van € 35.000,00 voor de inboedel en voertuigen die aan [gedaagde] kunnen worden toebedeeld.
5.De beoordeling
Tegelijk met de in lid 5 bedoelde overbedelingsuitkering dient te worden vergoed of verrekend:
606,48
€ 500,00 per maand, maar dat er ook periodes zijn geweest waarin de winkel niet verhuurd was en dat er ook kosten waren waardoor de netto inkomsten lager waren. In de conclusie van antwoord in conventie heeft [gedaagde] bij randnummer 12 aangekondigd dat hij nog een overzicht van de kosten in het geding zou brengen en dat hij kon aantonen dat hij niet de door [eiser] gestelde huuropbrengsten heeft geïncasseerd. [gedaagde] heeft de gelegenheid gekregen om na de mondelinge behandeling een nadere akte in te dienen. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Gelet hierop heeft [gedaagde] onvoldoende weersproken dat de bedrijfsruimte in de periode 2015 tot eind september 2023 steeds verhuurd is geweest. Uitgaande van de door [eiser] gestelde periode en een huurprijs van
€ 500,00 komt de totale huuropbrengst op € 48.000,00. Op grond van het bepaalde in artikel 3:172 BW Pro komt de helft van de huuropbrengsten toe aan [eiser] . Gelet op het verjaringsverweer van [gedaagde] – zie hiervoor onder 5.11. – is de vordering van [eiser] met betrekking tot de huuropbrengsten die vijf jaar of langer vóór de datum van de dagvaarding door [gedaagde] zijn ontvangen, verjaard. De vordering is opeisbaar geworden vanaf de dag na ontvangst van de huurpenningen door [gedaagde] . Niet gesteld of gebleken is dat [eiser] eerder dan bij de dagvaarding betaling heeft gevorderd van het haar toekomende deel van de huurpenningen. Het vorderingsrecht van [eiser] ten aanzien van de tot 23 juli 2019 door [gedaagde] ontvangen huurpenningen is daarom verjaard. Dit maakt dat aan [eiser] toekomt de helft van de ontvangen huurpenningen over de periode 23 juli 2019 tot eind september 2023. Dit houdt in 50 maanden x € 500,00 = € 25.000,00 ÷ 2 = € 12.500,00. Dit bedrag zal worden toegewezen.
In geval bij de verdeling een partij een gezamenlijke schuld voor zijn rekening neemt, is deze verplicht de ander partij te vrijwaren voor alle aansprakelijkheid deswege.
Ook is er na verkoop van 5 chalets een bedrag van netto € 50.000,00 aan het huis besteed door [gedaagde] . Ook dit geld is afkomstig van de privé bankrekening van [gedaagde] .”