ECLI:NL:RBGEL:2025:10999

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
456268
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot medewerking aan verkoop van een woning na belangenafweging tussen ex-partners

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland op 15 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen twee ex-partners, [eiser] en [gedaagde], die gezamenlijk eigenaar zijn van een woning. De vordering van [eiser] strekte tot medewerking van [gedaagde] aan de verkoop van de woning, na een beëindiging van hun affectieve relatie en de opzegging van hun samenlevingsovereenkomst. De voorzieningenrechter heeft de procedure en de feiten in detail bekeken, waaronder de financiële situatie van beide partijen en de gevolgen van een BKR-registratie voor [gedaagde].

De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat [gedaagde] niet in staat is om een alternatieve woonruimte te vinden, mede door haar BKR-registratie, en dat het belang van [gedaagde] bij het behoud van haar huidige woonruimte zwaarder weegt dan het belang van [eiser] bij de verkoop van de woning. De vordering van [eiser] is afgewezen, en de proceskosten zijn gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze uitspraak benadrukt de noodzaak van een zorgvuldige belangenafweging in zaken van onverdeelde eigendom en de impact van financiële verplichtingen op de mogelijkheden van partijen om te verhuizen.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/456268 / KG ZA 25-315
Vonnis in kort geding van 15 december 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: “ [eiser] ”,
advocaat: mr. D. van Alst,
tegen
[gedaagde],
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: “ [gedaagde] ”,
advocaat: mr. A.T. Eisenmann.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 9;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6;
- de aanvullende producties 10 tot en met 14 van [eiser] ;
- de aanvullende producties 7 tot en met 10 van [gedaagde] ;
- de mondelinge behandeling van 1 december 2025;
- de pleitnota van [eiser] ;
- de pleitnota van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] en [gedaagde] hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Op 30 juli 2003 hebben zij een samenlevingsovereenkomst met elkaar gesloten.
2.2.
[eiser] en [gedaagde] zijn gezamenlijk eigenaar van de woning gelegen aan [adres 1] (hierna: de woning). Op de woning rust een hypotheek ten behoeve van Rabobank. De maandelijkse lasten worden voldaan door [gedaagde] met dien verstande dat [eiser] de inleg van de opbouwhypotheek € 311,83 voldoet.
2.3.
Er is een geldleningsovereenkomst van 6 april 2012. Deze overeenkomst is door beide partijen ondertekend. Op basis van deze overeenkomst is een bedrag van € 12.000,00 aan partijen verstrekt (hierna: de lening).
2.4.
Op 1 juni 2023 heeft [eiser] per aangetekende brief de samenlevingsovereenkomst opgezegd en de affectieve relatie tussen partijen verbroken. Op diezelfde dag heeft [eiser] de woning verlaten en zelf een huurwoning betrokken in [plaatsnaam] . [gedaagde] woont ten tijde van dit vonnis nog in de woning.
2.5.
Op enig moment is gestaakt met de terugbetaling van de lening. Dit heeft erin geresulteerd dat beide partijen zijn opgenomen in het BKR-register.
2.6.
Met een brief van 7 december 2023 heeft [eiser] [gedaagde] verzocht medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning. [gedaagde] heeft op 3 januari 2024 gereageerd op deze brief en heeft daarin naar voren gebracht dat zij geen medewerking kan verlenen aan de verkoop van de woning omdat zijzelf niet aan nieuwe woonruimte kan komen wegens de BKR-registratie. Daarop heeft [eiser] per brief van 7 februari 2024 gereageerd en [gedaagde] nogmaals verzocht om medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning, het wettelijk uitgangspunt daarbij (nogmaals) benadrukt en [gedaagde] tot 1 juli 2024 de tijd gegeven om alsnog gehoor te geven aan het verzoek van [eiser] . Dit heeft zij niet gedaan.
2.7.
Bij exploot van 19 april 2024 heeft de kredietverstrekker na meerdere aanmaningen aanspraak gemaakt op haar vordering alsmede de daardoor aan haar verschuldigd geraakte rente over de lening. Op 18 augustus 2025 waren partijen in verband met de geldleningsovereenkomst nog € 6.370,87 verschuldigd aan de kredietverstrekker.
2.8.
Op enig moment is [eiser] gestopt met bijdragen in de hypothecaire en de overige huishoudelijke lasten, behoudens de inleg voor de opbouwspaarrekening.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert, samengevat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. [gedaagde] te veroordelen haar volledige en onmiddellijk medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning waaronder in ieder geval begrepen:
a. het ondertekenen en retourneren van een verkoopopdracht aan [makelaar naam 1] dan wel [makelaar naam 2] ;
b. het op eerste verzoek verstrekken van alle stukken en informatie die de makelaar verlangt;
c. het opvolgen van redelijke aanwijzingen van de makelaar, waaronder – maar niet beperkt tot – adviezen inzake vraag- en laatprijs, prestatie, styling en advertentietekst;
d. het opstellen van de woning voor bezichtigingen, open dagen en noodzakelijke opnames (foto’s, keuring, energielabel);
e. het toegang verschaffen tot de woning aan potentiële kopers, makelaars en noodzakelijke derden;
f. het zich onthouden van contact met potentiële kopers anders dan op advies van de makelaar.
Het voorgaande op straffe van een dwangsom.
2. [gedaagde] te veroordelen binnen één week na een schriftelijke verzoek van de makelaar of [eiser] , het (voorlopige) koopcontract te ondertekenen indien naar het oordeel van de makelaar een redelijk bod is uitgebracht.
3. [gedaagde] te veroordelen binnen één week na schriftelijk verzoek van [eiser] haar volledige medewerking te verlenen aan de levering van de woning, waaronder het verschijnen bij de instrumenterende notaris en het meewerken aan het verlijden van de notariële akte van levering.
4. Te bepalen dat, indien [gedaagde] in gebreke blijft de uitvoering van het onder 1, sub a, 2 of 3 bepaalde, dit vonnis in de plaats treedt van haar vereiste medewerking, toestemming of handtekening.
5. [gedaagde] te veroordelen de woning in het geval van verkoop uiterlijk 48 uur vóór de dag van eigendomsoverdracht te ontruimen en verlaten met medeneming van alle personen en zaken, onder afgifte van alle sleutels aan de instrumenterende notaris, op straffe van een dwangsom.
6. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van eventuele feitelijke ontruiming, indien zij niet aan het onder 5 bepaalde voldoet.
7. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. In geval de vordering tot medewerking aan verdeling wordt toegewezen verzoekt [gedaagde] een termijn daarvoor vast te stellen van zes maanden en ook als voorwaarde voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis, op de voet van artikel 3:178 lid 2 BW op te nemen dat [eiser] [gedaagde] een bedrag dient te voldoen van € 12.189,32. Tot slot verzoekt [gedaagde] als voorwaarde in dat geval op te nemen, dat de woning door een erkend taxateur wordt getaxeerd, waarbij wordt bepaald dat [gedaagde] haar medewerking niet hoeft
te verlenen voor een bod dat lager ligt dan de maximum verkoopprijs.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Vordering tot medewerking verkoop woning
4.1.
De voorzieningenrechter stelt het volgende voorop. Uitgangspunt is dat niemand kan worden verplicht in een onverdeelde gemeenschap te blijven. Op grond artikel 3:178 BW kan ieder van de deelgenoten te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed vorderen. Een deelgenoot kan dus niet “gevangengehouden” worden in een gemeenschap. Bij het voorgaande geldt echter eveneens dat de aard en functie van een kort geding vergen dat een beslissing van de voorzieningenrechter steeds mede gebaseerd wordt op een afweging van de belangen van partijen.
4.2.
Hoewel de voorzieningenrechter het (spoedeisend) belang van [eiser] bij toewijzing van de vorderingen onderkent, is hij van oordeel dat in onderhavig geval vooralsnog het belang van [gedaagde] bij afwijzing van de vorderingen zwaarder weegt en overweegt daartoe als volgt.
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat geen van hen in staat is de woning over te nemen, dat de woning daarom op termijn aan een derde zal moeten worden verkocht en [gedaagde] daarvoor de woning zal moeten verlaten.
Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] op korte termijn medewerking moet verlenen aan verkoop van de woning. [eiser] heeft daartoe gesteld dat hij al tweeëneenhalf jaar de verkoop van de woning heeft uitgesteld en [gedaagde] daarmee ruim de tijd heeft gehad om een alternatieve woonruimte te vinden. Van [eiser] kan volgens hem niet worden verlangd dat hij nog langer in een onverdeelde gemeenschap blijft. Volgens [eiser] vormt de BKR-registratie geen belemmering voor [gedaagde] om een (sociale) huurwoning te huren en is er dus alternatieve woonruimte beschikbaar voor [gedaagde] .
[gedaagde] heeft betwist dat zij nu in staat is aan alternatieve woonruimte te komen en voert aan dat zij daardoor bij verkoop van de woning in een acute noodsituatie terecht zal komen. Volgens [gedaagde] komt zij theoretisch wel in aanmerking voor een sociale huurwoning, maar is zij al twee jaar zonder succes bezig om een dergelijke woning toegewezen te krijgen. Door de krappe woningmarkt is dit nog niet gelukt. Ook een andere koopwoning is voor haar geen optie, omdat [gedaagde] , naast de helft van opbrengst van de woning, geen aanvullende financiering kan krijgen door de BKR-registratie. Volgens [gedaagde] is de BKR-registratie het resultaat van de passieve houding van [eiser] . Huren in de vrije sector is voor [gedaagde] financieel niet haalbaar.
4.4.
De voorzieningenrechter overweegt dat zo lang [gedaagde] BKR-geregistreerd is een financieringsinstelling, zoals een bank, geen hypothecaire lening zal verstreken voor de aanschaf van een koopwoning door [gedaagde] . Dat betekent dat eerst de BKR-registratie afgewikkeld moet worden voordat dit een optie is. Het is de voorzieningenrechter vooralsnog onduidelijk op welke wijze de BKR-registratie ongedaan kan worden gemaakt of kan worden gewijzigd. Wat wel vaststaat is dat voor die ongedaanmaking of wijziging in ieder geval nodig is dat de daaraan gekoppelde geldlening volledig wordt afgewikkeld. Het ligt op de weg van [eiser] om ervoor te zorgen dat dit gebeurt. Immers is de geldlening, naar [eiser] desgevraagd zelf heeft verklaard, in overwegende maten afgesloten en ingezet voor de nakoming van een aan zijn zijde bestaande alimentatieverplichting en dus voor dat deel ten goede van hem is gekomen. Bovendien is gebleken dat [eiser] al voor langere tijd in ieder geval tot de mondelinge behandeling van dit kort geding niet of nauwelijks heeft bijgedragen aan de afbetaling van de lening en zich daar verder ook niet voor heeft ingespannen. [eiser] heeft verklaard dat hij wegens gezondheidsredenen daar niet toe is gekomen en hoewel de voorzieningenrechter daar begrip voor heeft, komt dit voor zijn risico. Dit verklaart overigens ook niet waarom [eiser] de aflossing van de lening later nadat zijn gezondheid was verbeterd niet heeft hervat.
4.5.
Wat betreft de stellingen van [eiser] dat [gedaagde] ook de mogelijkheid heeft om een woning te huren in de sociale, dan wel vrije, sector geldt nog het volgende. Wat betreft het huren van een sociale huurwoning acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat [gedaagde] zich gedurende tweeëneenhalf jaar zonder succes heeft ingespannen om een dergelijke huurwoning te verkrijgen. Dit blijkt uit het door [gedaagde] overgelegde overzicht met haar reacties op aangeboden sociale huurwoningen. Ook is het een feit van algemene bekendheid dat in verband met de overspannen woningmarkt het zeer moeilijk is om een sociale huurwoning toegewezen te krijgen, ook met een urgentieverklaring, wat [gedaagde] overigens niet heeft. Een sociale huurwoning biedt dus op korte termijn geen oplossing. Van [gedaagde] kan niet worden verlangd dat zij als alternatief in de vrije sector een huurwoning zoekt met een hoge huur, gelet op haar financiële positie en de BKR-registratie en hetgeen daarover is overwogen onder 4.4.
Conclusie
4.6.
Gelet op het voorgaande weegt naar oordeel van de voorzieningenrechter het belang van [gedaagde] bij het behoudt van haar huidige woonruimte vooralsnog zwaarder dan het belang van [eiser] bij een veroordeling tot medewerking tot verkoop van de woning zonder dat daarbij de BKR-registratie ongedaan is gemaakt. Dat betekent dat de vorderingen zullen worden afgewezen.
Proceskosten
4.7.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.F. van den Berg en in het openbaar uitgesproken en ondertekend door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen op 15 december 2025.
1863