ECLI:NL:RBGEL:2025:11049

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
329625
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplichtigheid aan medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden

Op 11 december 2025 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van medeplichtigheid aan het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden. De zaak betreft een ontvoering die plaatsvond tussen 15 november 2021 en 31 december 2021, waarbij het slachtoffer, geboren in Irak, werd vastgehouden in een woning in Nederland. De verdachte, die samen met een medeverdachte in de woning woonde, werd beschuldigd van het faciliteren van deze ontvoering door de woning ter beschikking te stellen en geen hulp te bieden aan het slachtoffer. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor medeplegen, maar dat de verdachte wel medeplichtig was aan de vrijheidsberoving. De rechtbank sprak de verdachte vrij van het tweede feit, dat betrekking had op de voorbereiding van het bewerken van cocaïne, omdat er geen bewijs was dat de verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van de aangetroffen goederen. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 24 maanden op, rekening houdend met de ernst van het feit en de overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/329625-22
Datum uitspraak : 11 december 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats] (Irak),
wonende aan [adres 1] .
raadsvrouw: mr. J.G. Roethof, waargenomen door mr. M.J.R. Roethof, beiden advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
zij in/op of omstreeks de periode van 15 november 2021 tot en met 31 december 2021, te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, [slachtoffer] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden,
door,
- die [slachtoffer] geblinddoekt naar een afgesloten (zolder)ruimte te brengen, gelegen in een woning gelegen aan de [adres 2] te [plaats] , zonder hem te vertellen op welke locatie hij zich bevond, en/of
- die [slachtoffer] in die (zolder)ruimte tegen zijn wil vast te houden, en/of
- die [slachtoffer] in die (zolder)ruimte vast te ketenen/binden, althans zijn bewegingsruimte te beperken, en/of
- te beletten dat die [slachtoffer] de woning kon verlaten;
(Artikel art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
een of meer (onbekend gebleven) persoon/personen in/op of omstreeks de periode van 15 november 2021 tot en met 31 december 2021, te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, [slachtoffer] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door,
- die [slachtoffer] geblinddoekt naar een afgesloten (zolder)ruimte te brengen, gelegen in een woning gelegen aan de [adres 2] te [plaats] , zonder hem te vertellen op welke locatie hij zich bevond, en/of
- die [slachtoffer] in die (zolder)ruimte tegen zijn wil vast te houden, en/of
- die [slachtoffer] in die (zolder)ruimte vast te ketenen/binden, althans zijn bewegingsruimte te beperken, en/of
- te beletten dat die [slachtoffer] de woning kon verlaten,
tot en/of bij het plegen van welk feit, zij, verdachte, in/op of omstreeks de periode van 15
november 2021 tot en met 31 december 2021, te [plaats] ,
opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of behulpzaam is geweest door
- haar woonruimte, zijnde die [adres 2] , ter beschikking te stellen, althans te delen, aan/met die onbekend gebleven persoon/of personen,
- die [slachtoffer] geen hulp te bieden;
2.
zij op of omstreeks 10 februari 2022 te [plaats] , althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen van cocaïne, en/of een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,
- voorwerpen, vervoermiddelen en/of stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan zij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door het voorhanden hebben van (onder andere)
- een (grote) hoeveelheid grondstof(fen) (te weten (in totaal) (ongeveer) 2 kg kaliumpermanganaat, 175 kg caustic soda (natriumhydroxide), 400 kg calciumchloride, 875 liter ethelacetaat, 75 kg natriumbisulfiet, 40 liter zoutzuur, 20 liter zwavelzuur,
- een zeer groot aantal jerrycans van verscheidene formaten,
- een of meer blauw(e) ton(en)
ten behoeve van de productie van die cocaïne en/of een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 primair tenlastegelegde. De officier van justitie heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat verdachte van het onder feit 2 tenlastegelegde vrijgesproken dient te worden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit. De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [slachtoffer] in de woning aan de [adres 2] in [plaats] opzettelijk van zijn vrijheid beroofd werd gehouden. Daarnaast kan verdachte niet als medepleger of medeplichtige worden aangemerkt. Verdachte heeft geen uitvoeringshandelingen verricht en heeft geen actieve gedraging verricht die kan worden aangemerkt als het ter beschikking stellen van de ruimte om [slachtoffer] vast te houden. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van de aangetroffen goederen.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
De bewijsmiddelen
[slachtoffer] verklaarde op 31 december 2021 dat hij op 17 november 2021 in Villepinte in Frankrijk was ontvoerd en dat hij sindsdien in een donkere zolderruimte geboeid had gezeten. Toen hij bij de plek aankwam waar hij gedurende die tijd vast had gezeten, moest hij meerdere trappen op. De ruimte waar hij vast zat, was bereikbaar via een vlizotrap. Hij zat vast met handboeien en aan die handboeien zat een ketting. [slachtoffer] had alleen de ruimte om naar een emmer te gaan om zijn behoefte te doen en om naar een matras te gaan waarop hij kon liggen. Meer loopruimte had hij niet. [slachtoffer] had een muts over zijn hoofd, tot over zijn neus. Er kwam een man die af en toe iets tegen hem zei. Er kwam een man eten brengen en die gooide dan een bord naar hem toe. Ook werden de emmers gewisseld. Op 31 december 2021 kon [slachtoffer] zijn handboeien afschuiven en uit de woning ontsnappen via een raam. Tijdens het afleggen van zijn verklaring zagen verbalisanten lange nagels en een lange baard bij [slachtoffer] . Daarnaast toonde [slachtoffer] zijn hand, waarop verbalisanten rode vlekken zagen. [2]
Door de autoriteiten in Frankrijk werd op 15 november 2021 een Europees opsporingsbericht uitgevaardigd. Het ging om de vermissing van [slachtoffer] . Uit de e-mailberichten tussen de Nederlandse politie en de Franse politie bleek dat [slachtoffer] op 14 november 2021 in Villepinte was ontvoerd. [3]
[slachtoffer] verklaarde tijdens latere verhoren in Frankrijk dat hij op 14 november 2021 tussen 21:00 uur en 23:00 uur in Frankrijk werd ontvoerd en in een auto werd vervoerd. De rit duurde voor zijn gevoel een uur. Toen werd er gestopt. Dit duurde lang, een paar uur. Hij werd op een andere plek in de auto gezet. Bij een andere stop moest [slachtoffer] weer een paar uur wachten. In een bestelbus reden ze nog twee of drie uren voordat hij bij de plek kwam waar hij werd vastgehouden. In het huis waar hij werd vastgehouden, woonde ook een stel beneden hem. Het stel was er vanaf het begin. De man van het stel sprak een keer in het Frans met de persoon die hem eten gaf. De man van het stel bleef steeds op de beneden verdiepingen. Er was een andere man die [slachtoffer] vrijwel altijd eten bracht. Er was een derde man die wel naar boven kwam, maar niets tegen [slachtoffer] zei. Die man verdween ongeveer op de helft van zijn opsluiting. Hij weet dat die man een keer enorme ruzie had met de vrouw van het stel. [4]
Getuige [getuige] zag op 31 december 2021 een man bij haar woning. De man was erg bang en in paniek en vertelde [getuige] dat hij ontvoerd was geweest. [5]
De politie heeft de woning aan de [adres 2] in [plaats] op 10 februari 2022 (forensisch) onderzocht. De woning was voorzien van twee woonlagen en een zolderverdieping. Op de zolder, toegankelijk via een vlizotrap, werden haren aangetroffen en veiliggesteld (onder andere [SIN-nummer 1] ). Ook werd er een bord in beslag genomen ( [SIN-nummer 2] ). [6]
De haar voorzien van [SIN-nummer 1] en het bord voorzien van [SIN-nummer 2] werden onderworpen aan een DNA-onderzoek.
De wortel van de haar is veiliggesteld als [DNA-profiel 1] . Het DNA op de haarwortel kan afkomstig zijn van [slachtoffer] . Het is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA-profiel [DNA-profiel 1] afkomstig is van [slachtoffer] , dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige (niet aan [slachtoffer] verwante) persoon.
Het DNA op de bemonsteringen van het bord ( [DNA-profiel 2] en [DNA-profiel 3] ) kan afkomstig zijn van minimaal twee personen, waarbij een relatief grote hoeveelheid DNA afkomstig kan zijn van [slachtoffer] . Voor de beide afgeleide DNA-hoofdprofielen [DNA-profiel 2] en [DNA-profiel 3] geldt dat het meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer de relatief grote hoeveelheid DNA afkomstig is van [slachtoffer] , dan wanneer de relatief grote hoeveelheid DNA afkomstig is van een willekeurige (niet aan [slachtoffer] verwante) persoon. [7]
Het lopen op de zolderverdieping en openen van de vlizotrap in de woning aan de [adres 2] was volgens een verbalisant duidelijk hoorbaar op de eerste verdieping. [8] [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op de muur en op de houten vloer heeft geslagen, maar dat niemand hem hoorde of wilde horen. [9]
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij samen met medeverdachte woonde op het adres de [adres 2] in [plaats] . [10]
In het onderzoek werd een iPhone Pro Max in beslag genomen en onderzocht. De gekoppelde Apple ID’s waren: [mailadres 1] en [mailadres 2] . Het gebruikte telefoonnummer was [telefoonnummer] . [11] De politie zocht op 3 oktober 2022 telefonisch contact met verdachte. Zij spraken met verdachte op het telefoonnummer [telefoonnummer] . [12]
Als in de plaats [plaats] gebruik wordt gemaakt van het mobiele netwerk, kunnen volgens het Antenneregister telecommasten aangestraald worden die zijn geplaatst in de omliggende plaatsen: Herwen, Lobith, Pannerden en Millingen aan de Rijn. De historische telecomgegevens van onder andere het telefoonnummer [telefoonnummer] werden opgevraagd over de periode van
1 oktober 2021 tot en met 14 januari 2022. Het telefoonnummer [telefoonnummer] straalde in de periode 1 december 2021 tot en met 1 januari 2022 op verschillende tijdstippen voornamelijk de telecommasten aan in Millingen aan de Rijn, Herwen en Pannerden. [13]
Tussenconclusies
De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] op 14 november 2021 tussen 21:00 uur en 23:00 uur in Frankrijk is ontvoerd, gedurende uren in verschillende voertuigen is vervoerd en tussendoor meerdere uren moest wachten voordat hij aankwam op de plek waar hij werd vastgehouden. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de aankomst op dit adres op 15 november 2021 is geweest.
De rechtbank concludeert op basis van de resultaten van het DNA-onderzoek, met inachtneming van de rest van het dossier, dat er DNA van [slachtoffer] is aangetroffen op de zolder van de woning aan de [adres 2] in [plaats] . De rechtbank stelt vast dat het deze zolder was – die ook past in de omschrijving van [slachtoffer] - waar [slachtoffer] is geweest. De rechtbank ziet geen andere verklaring hoe het DNA van [slachtoffer] op deze zolder kan zijn terechtgekomen. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij gedurende de gehele periode op dezelfde plek heeft verbleven.
[slachtoffer] verklaarde verder dat hij vastgeketend zat met handboeien aan een ketting. Deze verklaring wordt ondersteund door het waarnemen van de verbalisanten van rode vlekken bij de hand van [slachtoffer] . Ook had [slachtoffer] een lange baard en lange nagels. Daarnaast verklaarde getuige [getuige] dat [slachtoffer] bang en in paniek was nadat hij bij haar aan de deur verscheen op
31 december 2021. De rechtbank stelt gelet op het voorgaande vast dat [slachtoffer] tegen zijn wil op de zolder werd vastgehouden. Hij werd door twee mannen verzorgd.
De rechtbank stelt vast dat verdachte en medeverdachte de bewoners waren van de woning aan de [adres 2] in [plaats] en dat verdachte daar ook veelvuldig aanwezig was in de tenlastegelegde periode. Aangever heeft verklaard over (onder andere) een vrouwelijke bewoonster, die er vanaf het begin was. Dit strookt met de constatering dat het telefoonnummer dat aan verdachte te linken is ( [telefoonnummer] ) in de periode van 1 december 2021 tot en met
31 december 2021 veelvuldig telecommasten aanstraalde in de omgeving van [plaats] . De rechtbank concludeert dat verdachte in de ten laste gelegde periode dus veelal in of rondom haar woning in [plaats] was.
Vrijspraak Medeplegen
De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of verdachte als medepleger van wederrechtelijke vrijheidsberoving kan worden aangemerkt. Anders dan door de officier van justitie gesteld, is de rechtbank van oordeel dat van medeplegen van verdachte geen sprake is.
Ondanks dat verdachte de bewoonster was van de woning aan de [adres 2] in [plaats] en dat verdachte daar in de tenlastegelegde periode veelvuldig aanwezig was, blijkt niet uit het dossier dat verdachte enige uitvoeringshandelingen heeft verricht of op een andere wijze een bijdrage van enig gewicht heeft geleverd aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving zelf. [slachtoffer] verklaarde over een stel dat op de benedenverdieping aanwezig was, maar dat zij niet bij hem boven zijn geweest. Er kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte een bijdrage heeft geleverd aan de bewaking en/of verzorging van [slachtoffer] of bij de voorbereiding van de wederrechtelijke vrijheidsberoving betrokken is geweest, dan wel medeverantwoordelijk was voor de beslissing om [slachtoffer] op zijn zolder vast te houden. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair tenlastegelegde.
Medeplichtigheid
Zoals hierboven vastgesteld, was verdachte in de periode 15 november 2021 tot en met
31 december 2021 veelvuldig in haar woning aan de [adres 2] in [plaats] .
De rechtbank is van oordeel dat verdachte geweten moet hebben dat er in die periode een persoon op haar zolder werd vastgehouden. [slachtoffer] is gedurende een periode van 46 dagen verzorgd door twee verschillende mannen. Die mannen moeten zich dus ook steeds door de woning bewogen hebben om [slachtoffer] eten te brengen en om emmers met ontlasting te legen. Daarnaast heeft [slachtoffer] verdachte ruzie horen maken met één van de bewakers. Bovendien heeft de politie geconstateerd dat geluiden op de zolder en van het openen van de vlizotrap duidelijk hoorbaar waren op de eerste verdieping, waar verdachte sliep.
Verdachte heeft gedurende deze hele periode nagelaten om in te grijpen.
De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving door aan meerdere (onbekend gebleven) personen haar woning ter beschikking te stellen en door geen hulp te bieden aan [slachtoffer] .
De rechtbank acht het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2
Het staat niet ter discussie dat er tijdens de doorzoeking van de woning aan de [adres 2] in [plaats] op 1 februari 2022 onder andere een grote hoeveelheid grondstoffen, te weten
2 kilogram kaliumpermanganaat, 175 kilogram caustic soda (natriumhydroxide), 400 kilogram calciumchloride, 875 liter ethylacetaat, 75 kilogram natriumbisulfiet, 40 liter zoutzuur, 20 liter zwavelzuur, een zeer groot aantal jerrycans van verscheidene formaten en meerdere blauwe tonnen, zijn aangetroffen. Op de tenlastelegging staan enkel de goederen die in de schuur werden aangetroffen. De goederen die zijn aangetroffen (achter een schot) in een slaapkamer en in een caravan zijn niet tenlastegelegd.
Uit het dossier blijkt dat de politie op 1 januari 2021 ook bij de woning van verdachte heeft rondgekeken. De politie is toen ook in de schuur geweest. Het stond vol met spullen, maar er is niet vastgesteld wat er op dat moment allemaal in de schuur stond.
Verdachte heeft verklaard dat zij niets van de goederen af wist. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat verdachte wist dat de genoemde goederen in haar schuur stonden en dus ook niet dat zij voorwerpen/stoffen voorhanden had waarvan zij wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat die bestemd waren tot het plegen van een strafbaar feit (bewerken en/of vervaardigen cocaïne). Er kwamen namelijk meerdere personen op het erf en er stonden veel goederen in de schuur gestald. Ook heeft verdachte verklaard dat zij nooit in de schuur kwam.
De rechtbank zal verdachte daarom, overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de verdediging, vrijspreken van het onder feit 2 tenlastegelegde.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
een ofmeer
dere(onbekend gebleven
) persoon/personen in
/op of omstreeksde periode van 15 november 2021 tot en met 31 december 2021, te [plaats] , tezamen en in vereniging met
een ander ofanderen
, althans alleen,opzettelijk, [slachtoffer] , wederrechtelijk van de vrijheid
heeft/hebben beroofd en/ofberoofd
hebbengehouden, door,
- die [slachtoffer] geblinddoekt naar een afgesloten
(zolder
)ruimte te brengen, gelegen in een woning gelegen aan de [adres 2] te [plaats] , zonder hem te vertellen op welke locatie hij zich bevond, en
/of- die [slachtoffer] in die
(zolder
)ruimte tegen zijn wil vast te houden, en
/of- die [slachtoffer] in die
(zolder
)ruimte vast te ketenen
/binden, althans zijn bewegingsruimte te beperken,en
/of- te beletten dat die [slachtoffer] de woning kon verlaten,
tot en/ofbij het plegen van welk feit, zij, verdachte, in
/op of omstreeksde periode van 15
november 2021 tot en met 31 december 2021, te [plaats] ,
opzettelijk gelegenheid
en/of middelen en/of inlichtingenheeft verschaft en
/ofbehulpzaam is geweest door
- haar woonruimte, zijnde die [adres 2]
te [plaats], ter beschikking te stellen
, althans te delen,aan
/metdie onbekend gebleven
persoon/ofpersonen,
- die [slachtoffer] geen hulp te bieden.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1, subsidiair:
medeplichtigheid aan medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden. De officier van justitie heeft hierbij rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft strafoplegging bepleit dat rekening dient te worden gehouden met de minimale rol van verdachte, haar persoonlijke omstandigheden en de overschrijding van de redelijke termijn.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Op 14 november 2021 werd [slachtoffer] door onbekend gebleven personen ontvoerd in Frankrijk en vervolgens naar een woning in [plaats] gebracht. [slachtoffer] is 46 dagen op de zolder van de woning vastgehouden, waarbij hij werd geblinddoekt en vastgeketend. Hij kreeg af en toe te eten en moest zijn behoefte doen op een emmer die zo nu en dan werd geleegd. Vanwege handboeien en een ketting waaraan hij vastzat kon hij zich slechts zeer beperkt bewegen op de zolder. [slachtoffer] had geen zicht op zijn vrijheid. Enkel doordat hij uiteindelijk zijn handen kon bevrijden, kon hij de woning uitvluchten.
Verdachte en medeverdachte hebben hun woning ter beschikking gesteld en daarmee het ontvoerd houden van [slachtoffer] gefaciliteerd. Zij hebben niets gedaan om hem te helpen of om de situatie te beëindigen. De immense angst en onzekerheid die [slachtoffer] voelde, blijkt duidelijk uit het dossier. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk. De omstandigheden waaronder dit feit heeft plaatsgevonden vindt de rechtbank zeer ernstig en verontrustend. Verdachte heeft met haar handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] .
De rechtbank heeft kennis genomen van de justitiële documentatie van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder in aanraking met politie en justitie is gekomen.
Een gevangenisstraf van aanzienlijke duur is in dit geval op zijn plaats vanwege de ernst van het feit. De rechtbank heeft bij oplegging van de straf rekening gehouden met straffen die rechters in vergelijkbare zaken opleggen. Ook houdt de rechtbank rekening met artikel 282 lid 4 Sr. Dit artikel bepaalt dat de in het lid 1 bepaalde straffen ook van toepassing zijn op hem die opzettelijk tot de wederrechtelijke vrijheidsberoving een plaats verschaft.
Daarnaast houdt de rechtbank er rekening mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Uitgangspunt is namelijk dat de behandeling ter terechtzitting moet zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaar nadat tegen de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. Omdat verdachte op 10 oktober 2022 is aangehouden had binnen twee jaar daarna, dus uiterlijk op 10 oktober 2024, vonnis moeten zijn gewezen. De datum van dit vonnis, 11 december 2025, betekent een overschrijding van de redelijke termijn van 14 maanden. De rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigen. De rechtbank zal deze overschrijding verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat de op te leggen gevangenisstraf zal worden gematigd.
De feiten en omstandigheden zoals hierboven genoemd rechtvaardigen al met al een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van het onder feit 2 ten laste gelegde feit;
 verklaart bewezen dat verdachte het overige ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
24 (vierentwintig) maanden.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.P.T. Blokhuis (voorzitter), mr. R.M. Schoo en mr. S.W. van Kasbergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Wisseborn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 december 2025.
mr. E. Wisseborn en mr. S.W. van Kasbergen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600- 2022480976, gesloten op 29 november 2022 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal aangifte [slachtoffer] , p. 49-54.
3.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 62 en 69.
4.Schriftelijk bescheiden, te weten: processen-verbaal, prefecture de police, p. 160-173.
5.Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 31.
6.Het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres 2] [plaats] ), p. 187-188.
7.Een schriftelijk bescheid, te weten: Rapport Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een mogelijke gijzeling/ontvoering in [plaats] op 31 december 2021, van het Nederlands Forensisch Instituut van 6 april 2022, p. 263-266.
8.Het proces-verbaal van bevindingen van 27 juni 2023, aanvullend procesdossier, p. 3.
9.Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] van 28 april 2025 bij de RC, p.7.
10.De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 november 2025.
11.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 227.
12.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 312.
13.Het proces-verbaal van bevindingen voorzien van proces-verbaalnummer 20230628.1445, nagekomen processtukken, ingekomen op 3 juli 2023, ongenummerd.