ECLI:NL:RBGEL:2025:11152

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
ARN 24/8619
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbWet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herhaalde aanvraag Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Eiseres heeft meerdere malen een Wajong-uitkering aangevraagd, waarbij eerdere aanvragen zijn afgewezen omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden. De huidige procedure betreft een herhaalde aanvraag die eveneens is afgewezen door het UWV wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de medische informatie die eiseres heeft ingebracht geen novum vormt, omdat deze niet ziet op het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen op haar achttiende verjaardag. De verzekeringsartsen hebben de medische dossiers zorgvuldig bestudeerd en geconcludeerd dat er geen aanleiding is om eerdere besluiten te herzien.

Eiseres voerde aan dat haar medische en psychische beperkingen onvoldoende zijn meegewogen, maar de rechtbank oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig en de motivering deugdelijk was. Ook het lage IQ en eerdere onwetendheid over de procedure vormen geen nieuwe feiten.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft het bestreden besluit. Eiseres krijgt geen recht op een Wajong-uitkering en wordt niet in de proceskosten veroordeeld.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de herhaalde Wajong-aanvraag is ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8619

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: drs. R. Kaya),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: R.V. Gerritsen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de herhaalde aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt daarom geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 16 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 november 2024 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3. Eiseres, geboren op [geboortedatum] 1987, heeft op 29 maart 2005 een Wajong-uitkering aangevraagd. Deze aanvraag is door het UWV niet in behandeling genomen, omdat eiseres tweemaal niet op het spreekuur van de verzekeringsarts verscheen.
3.1.
In juli 2008 heeft eiseres een mbo-opleiding (Zorg en Welzijn niveau 1) afgerond. Vanaf 24 april 2011 heeft eiseres gedurende gemiddeld vijftien uur per week gewerkt als schoonmaakster in een ziekenhuis. Zij is op 7 februari 2012 uitgevallen voor dit werk wegens rug- en buikklachten ten gevolge van zwangerschap. Met ingang van 16 april 2013 is zij weer geschikt geacht voor de maatgevende arbeid.
3.2.
Op 3 juni 2015 heeft eiseres opnieuw een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend. Deze aanvraag is door het UWV in behandeling genomen als een laattijdige aanvraag, omdat op de aanvraag van 29 maart 2005 niet inhoudelijk is beslist. De aanvraag is met het besluit van 8 oktober 2015 afgewezen, omdat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor een Wajong-uitkering. Volgens de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige beschikt eiseres over mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Het door eiseres gemaakte bezwaar is bij besluit van 12 april 2016 ongegrond verklaard. Het beroep is bij uitspraak van 21 februari 2017 ongegrond verklaard.
3.3.
Op 12 juni 2017 heeft eiseres voor de derde maal een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 15 juni 2017 afgewezen, omdat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Het bezwaar van eiseres is bij besluit van 17 november 2017 ongegrond verklaard, waarbij ook is beslist dat eiseres geen aanspraak maakt op een Wajong-uitkering op grond van een duuraanspraak. Evenmin is er sprake van een toename van de klachten binnen vijf jaar na de achttiende verjaardag van eiseres (Amberbeoordeling). Het beroep is bij uitspraak van 4 juni 2018 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 augustus 2020 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de uitspraak van de rechtbank bevestigd. [1]
3.4.
Op 21 februari 2024 heeft eiseres wederom een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend. Deze aanvraag staat in onderhavige uitspraak centraal.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Met het besluit van 16 mei 2024 is de aanvraag van eiseres om een Wajong-uitkering afgewezen, omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, die aanleiding geven de eerdere beoordeling met betrekking tot het recht op een Wajong-uitkering te wijzigen. Aan het besluit ligt een medisch onderzoek ten grondslag van een arts (getoetst en akkoord bevonden door een verzekeringsarts). De arts overweegt dat eiseres veel ziektes en klachten schetst, echter alleen het onverwacht flauwvallen bij epilepsie kent overlap met de voorgaande medische beoordelingen. Eiseres is onder behandeling geweest bij Expertisecentrum voor epilepsie en slaapgeneeskunde (SEIN). Eiseres heeft in 2022 en 2023 enkele epileptische aanvallen gehad. De arts overweegt dat eiseres één uur aaneengesloten kan werken voor vier uur op een dag. Dit komt overeen met de conclusies uit 2015.
Verder overweegt de arts dat niet is te achterhalen of de aangevoerde klachten op psychosociaal vlak en de complexe thuissituatie eerder speelden. Wel staat vast dat eiseres in 2011 en 2012 heeft gewerkt en dat zij getrouwd was. Deze problematiek kan daarom niet worden meegewogen in het kader van de Wajong. Er is geen sprake van verergering van de reeds bestaande klachten. Er is verder geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die tot herziening dwingt van de eerder genomen beslissingen, aldus de arts.
4.1.
Met het bestreden besluit van 5 november 2024 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd kan niet worden aangemerkt als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Het zijn volgens het UWV reeds bekende gegevens. Daarom kan niet worden teruggekomen op de beslissing van 8 oktober 2015.
Aan het bestreden besluit ligt een medisch onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) ten grondslag. De verzekeringsarts b&b overweegt dat hij zich kan vinden in de recente diagnose epilepsie en accepteert dat eiseres al tijdens haar achttiende levensjaar belemmeringen door deze vorm van epilepsie zal hebben gehad. De recente diagnose werpt daarentegen geen ander licht op de criteria waar het om gaat; de functionele belemmeringen en de vertaling daarvan naar arbeidsvermogen in de zin van de Wajong, zoals vastgesteld in 2015. Er was vanaf 1 juli 2005 tot 1 juli 2010 geen sprake van een ontbrekend arbeidsvermogen. Ook na medio 2010 heeft eiseres nog gewerkt, totdat zij uitviel met zwangerschapsklachten op 7 februari 2012. Later is zij hersteld verklaard en is aan haar een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Zij heeft zich nooit ziekgemeld in de periode dat zij een WW-uitkering ontving. Er was dus in ieder geval arbeidsvermogen tot 15 juli 2014. Er is geen nieuwe informatie ingebracht, waardoor het besluit uit 2015 zou moeten worden herzien.
Is er sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden?
5. Eiseres betoogt dat het UWV onvoldoende rekening heeft gehouden met haar medische en psychische beperkingen. Verder voert eiseres aan dat de intensieve begeleiding die zij krijgt van zorginstanties heeft aangetoond dat zij structureel niet in staat is om zelfstandig te functioneren. Zij heeft een IQ van 50 wat duidt op een ernstig verstandelijke beperking, waardoor zij niet zelfstandig kan participeren op de arbeidsmarkt zonder uitgebreide ondersteuning. Uit de medische gegevens volgt dat zij reeds voor haar achttiende levensjaar substantieel beperkt was. Het UWV heeft ten onrechte gesteld dat eiseres over arbeidsvermogen beschikt. Het bestreden besluit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, aldus eiseres. Tijdens de zitting heeft eiseres nog toegelicht dat zij tijdens de eerdere procedures onvoldoende was voorbereid en onwetend was.
6. De rechtbank oordeelt allereerst dat de beroepsgrond dat het (medisch) onderzoek door het UWV onvoldoende zorgvuldig is geweest, niet slaagt. Uit het rapport van de primaire arts volgt dat het dossier en de beschikbare informatie zijn bestudeerd. De rapportage van de arts is getoetst en geaccordeerd door een verzekeringsarts. Uit het rapport van de verzekeringsarts b&b volgt dat ook door hem dossierstudie is verricht en dat de overgelegde medische stukken bij de beoordeling zijn betrokken. De rechtbank ziet om die redenen geen aanleiding om te oordelen dat de (verzekerings)artsen aanvullend onderzoek hadden moeten doen of aanvullende medische informatie hadden moeten opvragen. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van eiseres hebben gemist. Verder is de rechtbank van oordeel dat de rapporten van de (verzekerings)artsen geen tegenstrijdigheden bevatten en dat de conclusies van de rapporten logisch voortvloeien uit de onderzoeksbevindingen.
7. Tijdens de zitting heeft eiseres te kennen gegeven dat de aanvraag (en dus ook het beroep) alleen betrekking heeft op haar verzoek om terug te komen van het besluit van 8 oktober 2015.
8. Het UWV heeft op het verzoek van eiseres om terug te komen van het besluit van 8 oktober 2015 beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden zal worden getoetst of het UWV zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova) zijn die aanleiding geven het besluit van 8 oktober 2015 te herzien. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. De aanvrager is op grond van artikel 4:6 van Pro de Awb gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan te dragen.
8.1.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of veranderde omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Feiten of omstandigheden waarvan zonder meer duidelijk is dat ze geen rol kunnen spelen bij het besluit worden niet als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden beschouwd. [2]
9. De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht en op juiste gronden heeft geoordeeld dat wat eiseres heeft aangevoerd niet is aan te merken als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. Daarbij is het volgende van belang. Tijdens de eerdere procedures is vastgesteld dat niet is gebleken dat eiseres (duurzaam) niet beschikt over arbeidsvermogen. De rechtbank wijst als voorbeeld naar het rapport van de verzekeringsarts van 21 september 2015, waarin staat dat eiseres één uur aaneengesloten kan werken voor vier uur per dag en dat eiseres beschikt over basale werknemersvaardigheden en een taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie. Dit standpunt is bevestigd door een andere verzekeringsarts in diens rapport van 4 april 2016, waarbij ook is gemotiveerd dat uit de schoonmaakwerkzaamheden van april 2011 tot aan de ziekmelding in februari 2012 blijkt dat eiseres arbeidsvermogen had. De rechtbank heeft in de uitspraak van 21 februari 2017, op grond van deze rapportages, geoordeeld dat niet is gebleken dat eiseres op haar achttiende verjaardag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had. De in de onderhavige procedure overgelegde medische informatie dateert vanaf 2020. Daaruit blijkt dus niet dat eiseres op haar achttiende verjaardag duurzaam geen arbeidsvermogen had en alleen daarom al zijn deze stukken geen novum. Uit de stukken en argumenten die eiseres in deze procedure naar voren heeft gebracht, blijken geen nieuwe feiten met betrekking tot het besluit van 8 oktober 2015. De stukken gaan over de huidige situatie van eiseres, maar dat is bij deze beoordeling niet relevant. De door eiseres ingebrachte medische informatie verschaft geen ander inzicht over haar medische situatie en de daaruit voortvloeiende beperkingen ten tijde van haar achttiende verjaardag (en de vijf jaar daarna). De verzekeringsarts b&b heeft in zijn rapport van 2 november 2024 dan ook navolgbaar en overtuigend gemotiveerd dat, hoewel hij zich kan vinden in de recente diagnose epilepsie en accepteert dat eiseres daaruit al belemmeringen op haar achttiende levensjaar ondervond, de betreffende diagnose geen ander licht laat schijnen op de beoordeling uit 2015. Met betrekking tot de diagnose epilepsie oordeelt de rechtbank nog dat niet is onderbouwd dat deze diagnose van invloed is op de aanwezigheid van arbeidsvermogen op haar achttiende verjaardag. Bovendien is deze diagnose niet nieuw. Uit de brief van Kempenhaeghe van 11 juli 2024 blijkt namelijk dat deze diagnose al in 2015 is gesteld en uit het rapport van de verzekeringsarts van 4 april 2016 blijkt dat eiseres ook in die procedure al heeft aangevoerd dat zij rond haar achttiende verjaardag epilepsie had. De diagnose epilepsie was dus al bekend ten tijde van de eerdere procedures en is ook daarom geen novum.
9.1.
De rechtbank oordeelt verder dat ook het gegeven dat eiseres een laag IQ heeft of in het verleden onwetend zou zijn geweest over de te volgen procedure, geen nieuwe feiten zijn en ook niet afdoen aan de eerdere beoordeling dat niet is gebleken dat eiseres duurzaam geen arbeidsvermogen had. De rechtbank is tot slot van oordeel dat niet is gebleken dat het besluit van 8 oktober 2015 onmiskenbaar onjuist is, zodat de rechtbank geen redenen ziet waarom de afwijzing van de herhaalde aanvraag evident onredelijk zou zijn. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen gelijk. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Ook bestaat er geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.CRvB 14 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2015:1.