ECLI:NL:RBGEL:2025:11179

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
437424
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot vernietiging en ontbinding van een geldleningsovereenkomst en nakoming van een jachtcombinatie-overeenkomst

In deze zaak vorderden de eisers, bestaande uit drie partijen, de vernietiging en ontbinding van een geldleningsovereenkomst met een hotel, alsook nakoming van een jachtcombinatie-overeenkomst. De rechtbank Gelderland, zitting houdende in Arnhem, heeft op 17 december 2025 uitspraak gedaan. De eisers stelden dat zij door onjuiste mededelingen en een onjuiste voorstelling van zaken door de gedaagden, waaronder een hotel en een financiële holding, in hun betalingsverplichtingen zijn benadeeld. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van een onjuiste mededeling of tekortkoming van de zijde van de gedaagden. De vorderingen van de eisers werden afgewezen, en de rechtbank oordeelde dat de gedaagden recht hadden op betaling van achterstallige jachtgelden door een van de eisers. De rechtbank stelde vast dat de gedaagden niet in gebreke waren gebleven en dat de eisers niet voldoende bewijs hadden geleverd voor hun claims. De rechtbank veroordeelde de eisers tot betaling van de proceskosten aan de gedaagden.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/437424 / HA ZA 24-325
Vonnis van 17 december 2025
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

gevestigd te [plaats 1] ,
2.
[eiser 2],
wonende te [plaats 2] , gemeente [plaats 3] ,
3.
[eiser 3],
wonende te [plaats 2] , gemeente [plaats 3] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
hierna afzonderlijk te noemen: [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] ,
advocaat: mr. J. van Schendel,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

gevestigd te ( [postcode] ) [plaats 4] ( [land] ),
2.
[gedaagde 2],
gevestigd te [plaats 5] , gemeente [plaats 6] ,
3.
[gedaagde 3],
wonende te [plaats 5] , gemeente [plaats 6] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde 1] of Hotel , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ,
advocaat: mr. V.W.J.H. Kobossen.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 december 2024 en de daarin genoemde processtukken,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 mei 2025,
- het e-mailbericht van 6 juni 2025 waarin partij [gedaagde 3] de vorderingen in reconventie sub 1 en 2 (jegens [eiser 3] ) intrekt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

Partijen
2.1.
[eiser 1] is een vennootschap die zich onder meer richt op het doen van investeringen en beleggen van middelen in onroerende zaken, effecten en andere vermogensbestanddelen. Enig bestuurder (vanaf 17 maart 2025) en aandeelhouder van [eiser 1] is [bedrijf] Enig bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf] is [eiser 2] .
2.2.
[gedaagde 1] is een hotel in [plaats 4] in [land] , waarvan [gedaagde 2] enig aandeelhouder en bestuurder is.
2.3.
[gedaagde 2] is een financiële holding van de heer [gedaagde 3] en zijn echtgenote.
2.4.
[eiser 2] en [gedaagde 3] hebben lange tijd tot elkaar in een zakelijke en vriendschappelijke relatie gestaan. Inmiddels zijn partijen gebrouilleerd.
Het Hotel
2.5.
Op 30 april 2021 is tussen [gedaagde 2] en [eiser 1] een bij een Duitse notaris vastgelegde overeenkomst tot stand gekomen op basis waarvan [gedaagde 2] verkoopt en levert aan [eiser 1] de helft van de aandelen in het kapitaal van het Hotel tegen een prijs van € 12.500,-. De koopprijs van de aandelen dient [eiser 1] op 15 mei 2021 bij te schrijven op de rekening van [gedaagde 2] . [eiser 1] stelt uiterlijk op 15 mei 2021 als rentedragende geldlening een bedrag van
€ 700.000,- aan het Hotel ter beschikking, overeenkomstig de op dezelfde datum door de notaris vastgelegde geldleningsovereenkomst tussen [eiser 1] en het Hotel .
2.6.
Op 15 mei 2021 heeft [eiser 1] niet € 12.500,- betaald voor de aandelen in het kapitaal van het Hotel en heeft zij ook niet het volledige bedrag van
€ 700.000,- aan het Hotel als rentedragende lening ter beschikking gesteld.
2.7.
Bij e-mailbericht van 20 december 2022 heeft een medewerker verbonden aan het kantoor van de notaris aan [eiser 2] geschreven dat hij in gebreke was met het nakomen van de betalingsverplichtingen zoals opgenomen in de notariële akte van 30 april 2021.
2.8.
Op 30 januari 2023 heeft [gedaagde 3] aan [eiser 2] een e-mailbericht doorgestuurd. In het desbetreffende e-mailbericht is een overzicht opgenomen van de omzet over 2019 tot en met 2023, zonder daarbij te vermelden waarop die omzet betrekking heeft. Wel wordt verwezen naar een lodge die nog niet in het overzicht is opgenomen en naar de prijs per nacht van die lodge, waarvan de ‘Nebenkosten’ zijn uitgezonderd. Onder die “Nebenkosten” wordt verstaan: ‘Endreinigung, Servicekosten (Gas/Wasser/Strom), Umweltabgabe, Kurtax, Miete von Bettwäsche/Handtücher/ Küchentücher)’.
2.9.
Op 8 maart 2023 heeft [gedaagde 3] aan [eiser 2] een e-mailbericht doorgestuurd. In het desbetreffende e-mailbericht is het volgende te lezen:
(…) Ich habe Ihnen gerade unvollständige Zahlen gesendet. Sie haben die Zahlen der 40-Personen-Miete gehabt. Hinzu komt der Umsatz der 30-Personen-Vermietung. Also weitere 28.504,32 Euro. Die Nebenkosten betragen hier (zu Hause bezahlt) 27.000,00 Euro.
Zusammengefasst ein Gesamtumsatz von 202.860,00 Euro. (…)
2.10.
Op 24 mei 2023 heeft de Duitse advocaat namens [gedaagde 2] [eiser 1] gesommeerd om € 12.500,- te betalen voor de aandelentransactie en
€ 700.000,- te betalen op grond van de lening vermeerderd met rente en kosten. Hieraan heeft [eiser 1] geen gehoor gegeven.
2.11.
Op verzoek van de Duitse advocaat heeft de notaris vervolgens een executoriale titel afgegeven van de notariële akte.
2.12.
Op 1 september 2023 hebben [gedaagde 2] en het Hotel de executoriale titel van de notariële akte aan [eiser 1] laten betekenen.
2.13.
Op 17 november 2023 heeft [eisers] de geldleningsovereenkomst vernietigd, ontbonden dan wel opgezegd en terugbetaling gevorderd van de reeds betaalde bedragen. Ook heeft zij haar verplichtingen uit hoofde van de jachtcombinatie-overeenkomst opgeschort.
De jachtcombinatie-overeenkomst
2.14.
Op enig moment hebben [gedaagde 3] en [eiser 2] een “jachtcombinatie-overeenkomst” gesloten
.In die overeenkomst staat onder meer:
(…) Het doel van de jachtcombinatie “Fallgrube” is het gezamenlijk pachten van 160 hectare grond voor een termijn van 10 jaar. Aanvang pacht April 2022.
Gezamenlijk worden alle kosten zoals, pacht, eventueel wildschade en overname Jachtinrichtingen gedeeld. Alle verder eventuele kosten zullen door [eiser 2] en [gedaagde 3] samen gedragen worden.
(…) De inbreng van de combinanten evenals hun aandelen in de activa en de opbrengsten van het jachtbedrijf zijn gelijk. (…)
De combinanten verbinden zich er toe:
- De bijdragen in de kosten van de jacht binnen twee weken na binnenkomst van de pacht rekening op een bekendgemaakte rekening te betalen, verdere kosten binnen 14 dagen na melding over te maken. (…)
Mondelinge afspraken bij dit contract zijn ongeldig. Elke wijziging van dit contract moet ook schriftelijk worden gedaan.
Prijzen:
Pacht per hectare Euro 67,00 excl. BTW (Mehrwertsteuer)
164 hectare Euro € 10.988,00 per jacht-jaar excl. BTW (Mehrwertsteuer) (…)
2.15.
Op 1 november 2023 heeft [gedaagde 3] [eiser 2] een factuur gezonden voor het betalen van de helft van de jachtkosten, zijnde en bedrag van € 5.230,29. Deze factuur heeft betrekking op het jachtjaar 2022/2023. [eiser 2] heeft deze factuur onbetaald gelaten.
2.16.
Partijen zijn ten aanzien van de afwikkeling van dit deel van hun zakelijke relatie niet tot een regeling gekomen.

3.Het geschil

In conventie
3.1.
Na vermindering van eis vordert [eisers] in conventie bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
[gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om aan [eiser 1] , althans aan [eiser 2] en [eiser 3] , een bedrag te betalen van
€ 397.856,59, vermeerderd met wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 17 november 2023, althans de dag van dagvaarding, tot aan de dag van volledige betaling;
[gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de buitengerechtelijke incassokosten van € 3.764,28, vermeerderd met wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 17 november 2023, althans de dag van dagvaarding, tot aan de dag van volledige betaling;
[gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten en nakosten, vermeerderd met wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na betekening van het vonnis tot aan de dag van volledige betaling.
3.2.
[eisers] stelt dat [eiser 1] uit hoofde van de tussen haar en [gedaagde 2] gesloten overeenkomst van geldlening een bedrag van € 397.856,59 heeft betaald aan of ten behoeve van het Hotel . Zij heeft de geldleningsovereenkomst vernietigd op grond van dwaling (artikel 6:228 BW) althans bedrog (artikel 3:44 BW), toen zij erachter kwam dat de boekhouding van het Hotel niet klopte. Volgens [eisers] kwam een gedeelte van de omzet van het Hotel niet voor in de financiële stukken, namelijk de post “service fees” die contant door gasten van het Hotel werd betaald. Zij stelt dat [gedaagden] bij de koop van de aandelen en het sluiten van de geldleningsovereenkomst heeft verzwegen dat de boekhouding niet op orde was. In zoverre is zij door [gedaagden] op het verkeerde been gezet. Voor zover de vernietiging niet mocht slagen, heeft [eiser 1] de geldleningsovereenkomst ontbonden dan wel opgezegd. Door het onrechtmatig handelen van [gedaagden] kan van [eiser 1] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet worden verwacht dat zij haar verplichtingen onder de overeenkomsten na blijft komen. Uitsluitend en voor zover de betalingen verricht door [eiser 2] en [eiser 3] niet aan [eiser 1] kunnen worden toegerekend, vorderen [eiser 2] en [eiser 3] de door hen gedane betalingen als onverschuldigde betaald terug.
3.3.
[gedaagden] voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren hoofdelijke veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure. Zij betwist dat [eisers] haar een bedrag van in totaal € 397.856,59 heeft betaald. Ook betwist zij dat sprake is van een grond om tot vernietiging, ontbinding dan wel opzegging van de geldleningsovereenkomst over te gaan.
In reconventie
3.4.
Na vermindering van eis vordert [gedaagde 3] in reconventie dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht zal verklaren dat [eiser 2] gehouden is om aan [gedaagde 3] te betalen de helft van hetgeen jaarlijks verschuldigd is aan [betrokkene] ingevolge de met deze semi-overheid gemaakte afspraken zolang de (onder-)pachtafspraken tussen [gedaagde 3] en [eiser 2] van kracht zijn;
[eiser 2] zal veroordelen tot betaling van € 5.230,29 aan reeds achterstallige jachtgelden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 weken na factuurdatum;
[eiser 2] zal veroordelen in de proceskosten.
3.5.
[gedaagde 3] stelt dat tussen hem en [eiser 2] een jachtcombinatie-overeenkomst bestaat op grond waarvan beide partijen gehouden zijn de helft van de jachtkosten te betalen die [betrokkene] bij [gedaagde 3] in rekening brengt. Voor het jachtjaar 2022/2023 kwam dit voor beide partijen neer op een bedrag van € 5.230,29. [gedaagde 3] heeft [eiser 2] daarvoor een factuur gezonden op 1 november 2023, maar [eiser 2] heeft de factuur onbetaald gelaten. De rechtbank begrijpt dat [gedaagde 3] na vermindering van eis, waarbij de vorderingen die waren ingesteld jegens [eiser 2] -Vermeulen zijn ingetrokken, enkel vordert dat [eiser 2] in de proceskosten wordt veroordeeld en niet ook [eiser 2] -Vermeulen. In zijn vordering had hij bij deze vordering aanvankelijk ook opgenomen dat voormelde personen “ieder naar de mate van zijn belang in het verweer” dienden te worden veroordeeld.
3.6.
[eiser 2] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde 3] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde 3] , met veroordeling van [gedaagde 3] in de kosten van deze procedure. [eiser 2] erkent dat tussen partijen een jachtcombinatie overeenkomst bestaat op grond waarvan hij gehouden is om 50% van de pachtsom aan [gedaagde 3] te voldoen. [eiser 2] voert echter aan dat hij zij betalingsverplichting heeft opgeschort, omdat het vanwege de gebrouilleerde verhoudingen tussen partijen voor hem niet meer veilig was om op het desbetreffende terrein te jagen en hij in conventie een aanzienlijke vordering op [gedaagde 3] heeft.
3.7.
Op de verdere stellingen van partijen zal, voor zover relevant, hierna worden ingegaan.

4.De beoordeling

Bevoegde rechter
4.1.
Nu [gedaagde 1] een rechtspersoon is naar buitenlands recht en de vordering uit dien hoofde een internationaal karakter draagt, dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen.
4.2.
De Nederlandse rechter is op grond van artikel 25 van de in deze zaak toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012 (EEX-Vo 2012) bevoegd van het geschil in conventie kennis te nemen, nu partijen in artikel 9 van de geldleningsovereenkomst een forumkeuze voor de Nederlandse rechter hebben gedaan. De rechtbank acht zich op grond van artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1215/2012 (EEX-Vo 2012) eveneens bevoegd om van het geschil in reconventie kennis te nemen, nu [gedaagde 3] en [eiser 2] woonplaats hebben in Nederland.
Toepasselijk recht
4.3.
Op grond van artikel 3 van de toepasselijke Verordening (EG) nr. 593/2008 (Rome I) wordt een overeenkomst beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen. Voor wat betreft de geldleningsovereenkomst zijn partijen in artikel 9 van de geldleningsovereenkomst overeengekomen dat Nederlands recht van toepassing is. Voor wat betreft de jachtcombinatie overeenkomst hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht gekozen.
De geldleningsovereenkomst
4.4.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser 1] gesteld dat haar vorderingen alleen op de geldleningsovereenkomst zien. Volgens [eiser 1] heeft zij die overeenkomst rechtsgeldig vernietigd, ontbonden dan wel opgezegd. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
4.5.
Niet in geschil is dat [eiser 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 1] op 30 april 2021 de afspraken hebben gemaakt zoals in r.o. 2.5. weergegeven en dat [eiser 1] deze niet, althans niet tijdig en volledig is nagekomen.
4.6.
In de dagvaarding stelt [eiser 1] dat zij op 8 maart 2023 (zie r.o. 2.9) voor het eerst bekend is geraakt met het feit dat het Hotel structureel bepaalde inkomsten buiten de boekhouding hield, namelijk de contante inning van de service fees bij klanten van het Hotel . Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser 1] bij monde van [eiser 2] echter verklaard dat zij ten tijde van het sluiten van de geldleningsovereenkomst in 2021 al wist dat de service fees buiten de boekhouding werden gehouden, maar dat hij in de veronderstelling verkeerde dat dit incidenteel gebeurde. Als [eiser 1] had geweten dat dit structureel was, dan had zij nimmer de geldleningsovereenkomst gesloten, aldus [eiser 1] .
4.7.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de overgelegde stukken niet dat het Hotel incidenteel dan wel structureel inkomsten buiten de boeken heeft gehouden. Uit de e-mailberichten van 30 januari en 8 maart 2023 waar [eiser 1] naar verwijst, kan worden afgeleid dat een deel van de omzet bestaat uit “Nebenkosten” en dat deze ter plaatse worden voldaan. De rechtbank begrijpt dat deze door [eisers] worden aangeduid als service fees. Uit de e-mailberichten kan echter niet worden afgeleid dat deze betalingen zwart, dat wil zeggen buiten de boekhouding om, zijn voldaan. Deze stelling is ook gemotiveerd door [gedaagden] betwist. Het e-mailbericht van 8 maart 2023 was volgens haar gericht aan potentiële kopers waarin een eerdere opgave van de omzet werd gecorrigeerd. De kosten die ter plaatse moeten worden voldaan staan volgens haar in de boekhouding.
4.8.
Daarbij komt dat [eiser 1] kennelijk volgens haar eigen stellingen al ten tijde van het sluiten van de akte op de hoogte was van deze gestelde schaduwboekhouding en daarnaar desalniettemin geen onderzoek heeft gedaan. [eiser 1] heeft niet weersproken dat zij bij het sluiten van de geldleningsovereenkomst is bijgestaan (door juristen, fiscalisten en boekhouders) en in elk geval de balans heeft gezien. Het had op haar weg gelegen om daar op dat moment nader onderzoek naar te doen en bijvoorbeeld vragen over te stellen. Niet gebleken is dat zij dit heeft gedaan. Bovendien hebben [eiser 1] en haar bestuurder ervaring met investeren in vastgoed. Indien zij daadwerkelijk twijfelde aan de boekhouding, had het op haar weg gelegen om daarover iets op te nemen in de overeenkomst c.q. akte. Ook dit heeft zij nagelaten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser 2] enerzijds verklaard dat [eiser 1] pas het restant van het geleende bedrag wilde betalen nadat de boekhouding op orde was en anderzijds dat zij deze gedachte nooit aan [gedaagden] kenbaar heeft gemaakt. Van een andersluidende afspraak dan in de geldleningsovereenkomst is opgenomen, is het ook volgens [eiser 1] niet gekomen.
4.9.
Het voorgaande betekent dat van een onjuiste mededeling of een onjuiste voorstelling van zaken als bedoeld in artikel 3:44 BW respectievelijk artikel 6:228 BW geen sprake is en [eiser 1] geen beroep toekomt op vernietiging op grond van dwaling of bedrog. Voor zover [eiser 1] heeft beoogd ontbinding en opzegging van de overeenkomst aan haar vordering ten grondslag te leggen, heeft zij niet onderbouwd hoe deze grondslag tot terugbetaling van het door haar gevorderde geldbedrag moet leiden. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [gedaagden] Ook het beroep van [eisers] op artikel 6:162 BW en artikel 6:248 BW heeft zij niet onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat. Ook kan op basis van het voorgaande niet geoordeeld worden dat eventueel door [eiser 2] en [eiser 3] gedane betalingen onverschuldigd zijn betaald, waarbij in het midden kan blijven welk bedrag door wie aan [gedaagden] is betaald. De vorderingen van [eisers] zullen daarom worden afgewezen.
De jachtcombinatie-overeenkomst
4.10.
Niet in geschil is dat tussen [gedaagde 3] en [eiser 2] vanaf april 2022 een jachtcombinatie-overeenkomst bestaat waarin [gedaagde 3] [eiser 2] voor de duur van 10 jaar het medepachtrecht heeft verleend om op 160 hectare jachtgrond de jacht uit te oefenen volgens de regels van [betrokkene] tegen betaling van de helft van de jachtkosten die [betrokkene] bij [gedaagde 3] in rekening brengt. Daarnaast is niet in geschil dat [eiser 2] de bij hem in rekening gebrachte jachtkosten voor het jachtjaar 2022/2023 niet aan [gedaagde 3] heeft voldaan.
4.11.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van [eiser 2] op opschorting niet. Nog daargelaten dat de vorderingen in conventie voor afwijzing gereed liggen en een beroep op opschorting om die reden al niet slaagt, zijn de vorderingen in conventie ingesteld tegen [eiser 1] en niet tegen [eiser 2] in persoon. Daarnaast is niet gebleken dat het voor [eiser 2] onmogelijk is om de jacht uit te oefenen zoals overeengekomen. Uit de jachtcombinatie-overeenkomst volgt niet dat [eiser 2] slechts op het terrein aanwezig mag zijn als [gedaagde 3] ook aanwezig is. Bovendien heeft [gedaagde 3] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de angst van [eiser 2] onterecht is door te verklaren “ik zal niets doen” en “ik ben een heel nette jager”. Dit betekent dat de rechtbank aanleiding ziet om de vorderingen in reconventie toe te wijzen als hierna te melden. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de dag waarop de conclusie van eis in reconventie (21 augustus 2024) is genomen tot de dag van volledige betaling.
Conclusie
4.12.
[eisers] wordt in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom – hoofdelijk – de proceskosten (inclusief de helft van de nakosten van € 278,-) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- griffierecht
6.617,00
- salaris advocaat
7.004,00
(2 punten × € 3.502,00)
- nakosten
139,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
13.760,00
4.13.
[eiser 2] wordt in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief de helft van de nakosten van € 278,-) betalen. Vanwege de beperkte omvang van het geschil in reconventie zal geen punt worden toegekend voor de mondelinge behandeling, nu in conventie reeds een punt voor de mondelinge behandeling is toegekend. De proceskosten van [gedaagde 3] worden begroot op:
- salaris advocaat
521,00
(1 punt × € 521,-)
- nakosten
139,00
Totaal
660,00

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van [gedaagden] , tot aan dit vonnis begroot op € 13.760,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart de proceskostenveroordeling onder r.o. 5.2. uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.4.
verklaart voor recht dat [eiser 2] gehouden is om aan [gedaagde 3] te betalen de helft van hetgeen jaarlijks verschuldigd is aan [betrokkene] ingevolge de met deze semi-overheid gemaakte afspraken zolang de (onder-)pachtafspraken tussen [gedaagde 3] en [eiser 2] van kracht zijn,
5.5.
veroordeelt [eiser 2] om aan [gedaagde 3] te betalen een bedrag van € 5.230,29 aan achterstallige jachtgelden voor het jaar 2022/2023, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2024 tot aan de dag van volledige betaling,
5.6.
veroordeelt [eiser 2] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde 3] tot aan dit vonnis begroot op € 660,00,
5.7.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af
Dit vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Olthof en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.