ECLI:NL:RBGEL:2025:11221

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
181334
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van een man voor belaging en bedreiging van een politieagente met gevangenisstraf en TBS met voorwaarden

Op 11 december 2025 heeft de Rechtbank Gelderland een 28-jarige man veroordeeld voor belaging en bedreiging van een politieagente. De rechtbank legde een gevangenisstraf van zes maanden op, met daarnaast een terbeschikkingstelling (TBS) met voorwaarden. De verdachte had in de periode van 3 mei 2024 tot en met 1 juni 2024 bedreigende berichten gestuurd via sociale media naar het slachtoffer, die werkzaam is bij de politie. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en belaging. De officier van justitie had gevorderd dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was, wat door de rechtbank werd bevestigd op basis van psychologische rapporten. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de impact op het slachtoffer en de eerdere veroordelingen van de verdachte voor vergelijkbare feiten. De rechtbank legde ook een contactverbod op voor vijf jaar, met vervangende hechtenis bij overtreding. De benadeelde partij, het slachtoffer, kreeg een schadevergoeding van €750,- aan smartengeld toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank besloot dat de TBS met voorwaarden moest worden opgelegd, ondanks de tegenstrijdige houding van de verdachte ten aanzien van klinische opname.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05-181334-24 + 05-150099-23 (tul)
Datum uitspraak : 11 december 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1997 in [geboorteplaats] , Soedan,
wonende aan de [adres] .
Raadsvrouw: mr. S. Grilk, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij, een of meermaals, in of omstreeks de periode van 3 mei 2024 tot en met 1 juni
2024 te Ede, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf
tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door voornoemde [slachtoffer] op Facebook en/of Instagram en/of door het account van de politie op Instagram de woorden toe te voegen "Ik pak je nog wel", "1-0 voor ons he", ""Opp blazen" R.I.P Bigi Dagoe" en/of "Je hebt ze aangifte laten doen, dat wil zeggen er gaat een dode vallen bij jou", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl dit feit werd gepleegd tegen voornoemde [slachtoffer]
in diens hoedanigheid van ambtenaar van de politie, en deze bedreiging
aldus schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde geschiedde;
2
hij in of omstreeks de periode van 3 mei 2024 t/m 1 juni 2024 te Ede, althans in Nederland,
wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van (verbalisant) [slachtoffer] , door
- die [slachtoffer] berichten te sturen via Instagram en/of via Facebook Messenger
en/of
- berichten naar het Instagram-account van de politie Veenendaal te sturen,
met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden
en/of vrees aan te jagen.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1, omdat de woorden zoals ten laste gelegd niet kwalificeren als een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling. Daarnaast zijn er geen bijzondere omstandigheden waardoor de uitlatingen toch als bedreiging kunnen worden aangemerkt. Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
Aangeefster, die werkzaam is bij de politie, heeft verklaard dat zij in januari 2023 via meerdere kanalen op sociale media bedreigende berichten heeft ontvangen. De verdachte, [verdachte] , is daarvoor veroordeeld en heeft onder andere een contactverbod met aangeefster opgelegd gekregen. Op 1 juni 2024 zag zij dat zij in haar DM op Instagram één bericht had ontvangen en 10 berichten op haar Facebook, waaronder het volgende bericht:
“Oppblazen” R.I.P. Bigi dagoe.Aangeefster schrok hier heel erg van. Het liedje Opp blazen van Bigi Dagoe heeft ze opgezocht en dit is een liedje dat gaat over mensen doodschieten. [2]
Verdachte heeft verklaard dat hij bovenstaand bericht heeft gestuurd. [3]
De rechtbank is van oordeel dat de woorden ‘
“Oppblazen” R.I.P. Bigi dagoe’ een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht opleveren. Gelet op de tekst zelf én de omstandigheden waaronder deze uitlating heeft plaatsgevonden en bezien de context waarin deze is gedaan, te weten de eerdere veroordeling voor het sturen van bedreigende en intimiderende berichten en de inhoud van het liedje, is de rechtbank van oordeel dat bij aangeefster de vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen. De woorden "Je hebt ze aangifte laten doen, dat wil zeggen er gaat een dode vallen bij jou" zijn gestuurd naar het account van de politie. Omdat uit deze woorden zelf niet blijkt, maar ook niet uit de directe context waarin deze zijn gedaan, dat deze bedreiging is gericht tegen aangeefster zelf, spreekt de rechtbank verdachte hiervan partieel vrij. De rechtbank zal verdachte ook van de overige bewoordingen uit de tenlastelegging vrijspreken, omdat deze woorden naar het oordeel van de rechtbank geen bedreiging opleveren.
Feit 2
Ten aanzien van het sturen van berichten naar [slachtoffer] via Instagram en Facebook Messenger en naar het Instagram-account van de politie Veenendaal is er sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 5 t/m 7;
- het proces-verbaal bevindingen, p. 21 t/m 32, met fotoblad op p. 35 t/m 61;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 november 2025.
Gelet op de veroordeling voor belaging van aangeefster van eind januari 2024 (die verdachte dus heeft ‘voortgezet’) en de intensiteit van de berichten (waarin onder andere wordt gesproken over de partner en het neefje van aangeefster en de paarden die zij bezit) is de rechtbank van oordeel dat, hoewel het dit keer een korte periode betreft en een beperkt aantal berichten, verdachte stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke vrijheid en levenssfeer van aangeefster. Hiermee is opnieuw sprake van belaging, dit keer in de periode van 3 mei 2024 tot en met 1 juni 2024.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1
hij,
een of meermaals, in
of omstreeksde periode van 3 mei 2024 tot en met 1 juni
2024 te Ede, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf
tegen het leven gericht
en/of met zware mishandeling, door voornoemde [slachtoffer] op Facebook
en/of Instagram en/of door het account van de politie op Instagramde woorden toe te voegen "
Ik pak je nog wel", "1-0 voor ons he",""Opp blazen" R.I.P Bigi Dagoe"
en/of "Je hebt ze aangifte laten doen, dat wil zeggen er gaat een dode vallen bij jou", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,terwijl dit feit werd gepleegd tegen voornoemde [slachtoffer]
in diens hoedanigheid van ambtenaar van de politie, en deze bedreiging
aldus schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde geschiedde;
2
hij in
of omstreeksde periode van 3 mei 2024 t/m 1 juni 2024 te Ede, althans in Nederland,
wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van (verbalisant) [slachtoffer] , door
- die [slachtoffer] berichten te sturen via Instagram en
/ofvia Facebook Messenger
en
/of
- berichten naar het Instagram-account van de politie Veenendaal te sturen,
met het oogmerk die [slachtoffer] ,
te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden
en/ofvrees aan te jagen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
feit 2:
belaging

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachteen
overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
Onder verwijzing naar het rapport van de psychiater van 28 januari 2025 en het rapport van de psycholoog van 31 januari 2025 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is.
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van het voorarrest, en daarnaast een terbeschikkingstelling (tbs) met voorwaarden waarbij de voorwaarden van het maatregelenrapport van de reclassering overgenomen moeten worden met daarbij de extra voorwaarde dat verdachte, als overbruggingsplek, verblijft bij [verblijfsplek]. De officier van justitie heeft daarbij gevorderd om de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De officier van justitie heeft verder gevorderd om een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr op te leggen in de vorm van een contactverbod met aangeefster, met 10 dagen hechtenis per overtreding. De maatregel ex artikel 38v Sr moet gelden voor een periode van 2 jaar en de totale hechtenis duurt maximaal 6 maanden.
Ten aanzien van de voorwaarden waaronder de voorlopige hechtenis is geschorst heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze moeten worden aangevuld met de voorwaarde dat verdachte, na afloop van de klinische behandeling, verblijft in een beschermd- of begeleidwoneninstelling.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ook op het standpunt gesteld dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is.
De raadsvrouw heeft bepleit om te volstaan met een gevangenisstraf conform het voorarrest of de gevangenisstraf zoals geëist door de officier van justitie. Daarbij kan tbs met voorwaarden worden opgelegd met de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met uitzondering van de voorwaarde die ziet op de klinische behandeling. De ernst van het tenlastegelegde verhoudt zich onvoldoende tot de voorwaarde van opname in een zorginstelling/klinische behandeling. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat het lang kan duren voordat iemand geplaatst kan worden in een kliniek. In de ruim vier maanden dat de voorlopige hechtenis van verdachte nu onder voorwaarden is geschorst, heeft hij laten zien dat hij niet terugvalt in delict- dan wel psychotisch gedrag. Daarnaast heeft hij werk gevonden, waar ze zeer tevreden zijn over zijn functioneren.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging en belaging van het slachtoffer, die politieagente is en ook enkel in die hoedanigheid verdachte kent. Verdachte heeft in een korte tijd berichten gestuurd naar het privé Instagram account en Facebook account van het slachtoffer en het Instagram account van de politie Veenendaal, die diep ingrepen op het privé leven van het slachtoffer. Hiermee heeft verdachte het slachtoffer veel angst aangejaagd, mede omdat hij slechts een paar maanden daarvoor was veroordeeld voor belaging van ditzelfde slachtoffer. Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat deze nieuwe berichten het slachtoffer (opnieuw) veel stress hebben opgeleverd. Ze is langere tijd angstig geweest en heeft vaak het gevoel gehad dat ze constant over haar schouder moest kijken en moest waken voor de veiligheid van haarzelf en haar dierbaren. Dat heeft haar diep geraakt. De rechtbank acht het extra kwalijk dat verdachte deze feiten heeft begaan tegen een politieagente. Politieagenten doen hun werk hoofdzakelijk voor anderen, namelijk de samenleving. Zij worden steeds vaker geconfronteerd met agressie, geweld, bedreigingen en andere vormen van intimidatie. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij daaraan heeft bijgedragen.
Strafblad
Uit de justitiële documentatie van 22 oktober 2025 blijkt dat verdachte op 29 januari 2024 is veroordeeld voor belaging en dat een gevangenisstraf van 3 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en een contactverbod van 5 jaar is opgelegd. Op
14 december 2020 is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk voor brandstichting. Aan het voorwaardelijk strafdeel waren bijzondere voorwaarden verbonden. Op 8 november 2021 is de tenuitvoerlegging van dit laatste voorwaardelijk strafdeel bevolen.
Toerekenbaarheid
Ter beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van de psychiater van 28 januari 2025 en het rapport van de psycholoog van 31 januari 2025.
Uit het rapport van de psychiater blijkt dat bij verdachte sprake is van een schizofreniespectrum/ psychotische stoornis, persoonlijkheidsstoornis, verslaving, verstandelijke beperking en veel psychosociale problemen. Dit was ook zo ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde. De psychotische stoornis was niet zo ernstig dat deze zijn oordeelsvermogen en daaruit voortkomend gedrag in die mate beïnvloedde dat hij geen enkele vrijheid van denken of handelen meer had. Dit neemt niet weg dat de combinatie van deze stoornissen als psychische stoornis in de zin van de wet, het denken, voelen, oordelen en handelen wel beïnvloedde en daarmee doorwerkte in het tenlastegelegde. De psychiater adviseert om het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.
Uit het rapport van de psycholoog blijkt dat verdachte lijdt aan een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis, een antisociale persoonlijkheidsstoornis met paranoïde en narcistische trekken, zwakbegaafdheid en een ernstige stoornis in het gebruik van cannabis. Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten. Volgens de psycholoog kon verdachte door de beperkingen vanuit de zwakbegaafdheid onvoldoende de consequenties van zijn handelen overzien. Vanuit de betrekkingswaan voortkomend uit de ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis was verdachte ervan overtuigd dat de politie het op hem had gemunt en werd de boosheid richting het slachtoffer verder aangewakkerd en nam de spanning toe. De cannabisverslaving had daarbij een versterkend negatief effect op de werking van het werkgeheugen. Vanuit de antisociale persoonlijkheidsstoornis met paranoïde en narcistische trekken kenmerkt verdachte zich door een neiging tot zelfgerichtheid, impulsiviteit, een persistente behoefte aan wraak en een beperkt empathisch vermogen waardoor hij niet stilstaat bij de consequenties van zijn gedrag voor anderen/het slachtoffer. Hierbij handelde hij vanuit onvoldoende adequate copingvaardigheden direct als hij een idee had. De psycholoog adviseert om het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.
De rechtbank is, gelet op het advies van de rapporterende deskundigen, van oordeel dat de feiten verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.
Tbs maatregel met voorwaarden
Uit het rapport van de psychiater blijkt dat het risico op recidive in delinquent, waaronder gewelddadig of (verbaal) agressief gedrag (zeer) hoog is. Daarbij speelt een belangrijke rol dat verdachte zich weinig lijkt aan te trekken van een eerdere veroordeling en het contactverbod dat hij opgelegd had gekregen. Volgens de psychiater is voor de aanpak van de combinatie van een schizofreniespectrum/psychotische stoornis, persoonlijkheidsstoornis, verslaving, verstandelijke beperking en veel psychosociale problemen, zoals huisvesting, dagbesteding en gebrek aan sociale (beschermende) contacten een klinisch forensisch behandeling geïndiceerd met daarna een langdurig en beveiligd resocialisatietraject. Verdachte zal medicamenteus op de meest optimale medicatie moeten worden ingesteld voor zijn psychotische stoornis en continu moeten worden gemotiveerd en er op worden gewezen om dit te blijven innemen. Daarnaast zal door middel van een gestructureerde vorm van (klinische) op zijn niveau aangepaste psychotherapie de persoonlijkheidsstoornis van verdachte moeten worden behandeld en zal hij een intensieve klinische behandeling voor zijn verslaving met veel aandacht voor terugvalpreventie moeten volgen. Het besef en inzicht in zijn problematiek zijn bij verdachte minimaal, waarschijnlijk mede door zijn lichte verstandelijke beperking. Verdachte zal ten gevolge van de combinatie van stoornissen levenslang een blijvende kwetsbaarheid houden. Dit betekent dat verdachte langdurig in een voldoende beveiligde omgeving zal moeten verblijven van waaruit snel kan worden ingegrepen indien hij weer een terugval in middelengebruik heeft. Gezien de combinatie van stoornissen en problemen bij verdachte en het hoge recidivegevaar heeft verdachte eigenlijk een vorm van beveiliging nodig waarbij verdachte gedurende zijn gehele behandeltraject in het kader van bescherming van de maatschappij snel in zorg en beveiliging opgeschaald kan worden indien hij weer terugvalt in drugsgebruik of ander gevaarlijk, recidive bevorderend of crimineel gedrag vertoont. De psychiater heeft de voorkeur voor een stevige stok achter de deur constructie, bijvoorbeeld een tbs met voorwaarden. Gelet op de chroniciteit van de problematiek is het verstandig om oplegging van een GVM te overwegen. Een andere modaliteit is (gemaximeerde) tbs met dwangverpleging. Eventueel kan hier dan ook de GVM aan worden toegevoegd, aangezien de problematiek van verdachte een lang behandel- c.q. begeleidingstraject vergt en de verwachting is dat verdachte externe drang/dwang nodig zal hebben om in behandeling te blijven. Vanuit gedragsdeskundig oogpunt heeft dit de voorkeur van de psychiater omdat daarmee de voorgestelde behandeling goed kan worden uitgevoerd.
De psycholoog schat het recidiverisico voor gewelddadig gedrag in als hoog. Vanuit de combinatie van stoornissen zijn er veel risicofactoren voor geweld en is er een hoog risico op recidive met een belagingsdelict. Er zijn weinig beschermde factoren aanwezig. Bij de combinatie van stoornissen zoals hiervoor genoemd en kwetsbaarheden is doorgaans een sterke intrinsieke motivatie dan wel een hoge mate van externe structurering van belang om een kans van slagen te hebben. Bij verdachte is sprake van een zeer beperkte intrinsieke motivatie voor behandeling. Er zijn voor verdachte vooral argumenten te vinden voor een klinisch traject. Gezien de behandelings- en delicthistorie heeft verdachte tot op heden onvoldoende geprofiteerd van de geboden behandeling en begeleiding. Ondanks eerder ingezette ambulante hulpverlening en reclasseringstoezicht is verdachte gerecidiveerd. Dit is een argument om verdachte in een klinisch traject de behandeling te laten volgen, waarna hij kan oefenen met de opgedane vaardigheden vanuit de behandeling en vanuit daar kan worden toegewerkt naar een ambulante behandeling. Voor deze behandeling is een hoog beveiligingsniveau en hoog zorgniveau passend, omdat verdachte niet eerder klinisch is behandeld voor zijn problematiek. Volgens de psycholoog is behandeling noodzakelijk om het recidiverisico te verminderen en zijn er geen andere alternatieven beschikbaar. Daarom moet worden gedacht aan tbs. Tijdens het onderzoek gaf verdachte aan met geen enkele voorwaarde mee te zullen werken en om die reden is volgens de psycholoog de enige optie om een (gemaximeerde) tbs met dwangverpleging op te leggen. Daarnaast is een GVM na de tbs passend om verdachte langdurig te blijven volgen en te motiveren tot een duurzame gedragsverandering vanuit de hoop dat hij tijdens een gedwongen behandeling alsnog enig probleeminzicht en motivatie ontwikkelt om zijn gedrag te veranderen.
In het reclasseringsrapport van 7 november 2025 schat de reclassering het recidiverisico in als gemiddeld tot hoog. Verder staat er beschreven dat zij, ondanks het positieve verloop van de schorsing van de preventieve hechtenis bij [verblijfsplek], nog steeds van mening zijn dat klinische behandeling in een tbs voorwaardenkader, ten aanzien van de geconstateerde problematiek en het vergroten van inzicht in de problematiek noodzakelijk is teneinde de draagkracht van verdachte te vergroten en hem meer handvatten te kunnen geven om zich uiteindelijk staande te kunnen houden in de maatschappij op de lange termijn en om het recidiverisico te verminderen. De reclassering adviseert positief over de tbs met voorwaarden, mits verdachte ter zitting aangeeft mee te willen werken aan de bijzondere voorwaarden. Indien dit niet het geval is dan ziet de reclassering geen enkele mogelijkheid, in geen enkel kader, om reclasseringsinterventies in te zetten. Als verdachte instemt dan adviseert de reclassering de volgende voorwaarden: geen strafbaar feit plegen, meewerken aan reclasseringstoezicht, meewerken aan time-out, niet naar het buitenland, meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, beschermd/begeleid wonen of maatschappelijke opvang, drugsverbod, alcoholverbod, contactverbod met het slachtoffer, locatieverbod met elektronische monitoring en dagbesteding.
Verder adviseren zij de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden en daarnaast om een GVM op te leggen.
Verdachte heeft ter terechtzitting van 27 november 2025 verklaard zich aan alle geadviseerde voorwaarden te houden, behoudens de voorwaarde die ziet op de klinische opname. Hij wil niet klinisch opgenomen worden.
De rechtbank stelt vast dat de bewezenverklaarde feiten misdrijven zijn als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onder 2, Sr waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is. Verder is de rechtbank van oordeel dat bij verdachte tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens bestond. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.
Gelet op de inhoud van de rapporten van de psychiater, de psycholoog en de reclassering is de rechtbank van oordeel dat opname in een zorginstelling (klinische opname) noodzakelijk is om het risico op recidive te verlagen. Uit de voornoemde rapporten blijkt dat verdachte een zeer beperkt ziekte-inzicht heeft en gelet op de combinatie van stoornissen intensieve klinische behandeling nodig heeft. De rechtbank is dan ook van oordeel dat enkel ambulante behandeling, zoals voorgesteld door de verdediging, geen optie is.
Deze klinische behandeling kan plaatsvinden binnen de tbs met dwangverpleging of de tbs met voorwaarden. Beide kaders zijn in beginsel passend. Alles afwegende zal de rechtbank, ondanks dat de verdachte op dit moment niet heeft ingestemd met de klinische opname, verdachte toch de kans geven om deze klinische behandeling in het kader van tbs met voorwaarden te ondergaan. De rechtbank heeft bij deze afweging ook betrokken dat verdachte eerder in het kader van zijn schorsing heeft ingestemd met klinische opname bij de Woenselse Poort, waar verdachte ook (nog steeds) op een wachtlijst staat. Daarbij komt dat de officier van justitie ook tbs met voorwaarden heeft gevorderd. De rechtbank is zich ervan bewust dat de reclassering negatief heeft geadviseerd over een dergelijke maatregel als verdachte niet instemt met alle voorgestelde voorwaarden, maar de rechtbank is van oordeel dat verdachte in dit specifieke geval het voordeel van de twijfel moet worden gegeven in de zin van tbs met voorwaarden in plaats van tbs met dwangverpleging. Daarbij weegt dus ook mee dat verdachte de afgelopen maanden over een langere periode heeft aangegeven wél mee te zullen werken aan klinische opname, zodat zijn motivatie hiervoor wisselend is te noemen. Ten slotte heeft de rechtbank de indruk dat verdachte onvoldoende overziet dat de rechtbank tbs dwangverpleging beschouwt als het enige alternatief, en dat het schrappen van de klinische behandeling als voorwaarde geen optie is. Daarbij merkt de rechtbank op dat als verdachte niet alsnog opnieuw akkoord gaat met de voorwaarde van de klinische behandeling, zij verwacht dat een omzetting naar tbs met dwangverpleging in de rede ligt, dan wel dat de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgeheven. De rechtbank realiseert zich dus dat de kans op omzetting in tbs dwangverpleging nadrukkelijk aanwezig is.
De bewezenverklaarde feiten zijn geen misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Op grond van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht is de maatregel dan ook wel in duur gemaximeerd, indien verdachte zich niet aan de voorwaarden houdt en later alsnog dwangverpleging wordt bevolen.
Ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen stelt de rechtbank voorwaarden betreffende het gedrag. De rechtbank neemt de voorwaarden over die de reclassering heeft geadviseerd. Daaraan zal worden toegevoegd dat verdachte verblijft bij [verblijfsplek] als overbruggingsplek totdat klinische opname mogelijk is.
De officier heeft gevorderd dat de tbs-maatregel en de daaraan gekoppelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. De rechtbank ziet hier in onderhavig geval de meerwaarde niet van in, nu verdachte zich dient te houden aan gelijkluidende voorwaarden in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis, en omdat de beoogde kliniek, De Woenselse Poort, heeft aangegeven verdachte pas te zullen opnemen zodra het vonnis onherroepelijk is (en kennelijk niet met een dadelijk uitvoerbaar verklaard vonnis).
Gevangenisstraf
Gelet op de ernst van de feiten acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. De rechtbank heeft daarbij in strafverzwarende zin meegenomen dat het slachtoffer een politieagente is en dat verdachte een paar maanden ervoor was veroordeeld voor belaging van ditzelfde slachtoffer en hier ook een contactverbod opgelegd heeft gekregen. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf zoals geëist door de officier van justitie passend en geboden en zal deze dan ook opleggen voor de duur van 6 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel
De officier heeft gevorderd dat de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr wordt opgelegd.
De rechtbank overweegt dat uit de stukken blijkt dat sprake is van een combinatie van verschillende stoornissen en verdachte hierdoor levenslang een blijvende kwetsbaarheid zal houden. Vanwege de chroniciteit van de problematiek wordt het passend geacht om een GVM op te leggen. Door het opleggen van een GVM is het mogelijk om ook na afloop van de (gemaximeerde) terbeschikkingstelling toezicht uit te blijven oefenen op verdachte. De rechtbank is daarom van oordeel dat het opleggen van de GVM aangewezen is ter bescherming van de algemene veiligheid van personen. Aan de eisen voor het opleggen van deze maatregel is voldaan.
Vrijheidsbeperkende maatregel
De officier heeft verder gevorderd dat de maatregel strekkende tot vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38v Sr wordt opgelegd. De raadsvrouw heeft zich hier tegen verzet, omdat dit ook al is opgelegd in 2024.
De rechtbank zal ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen. Deze maatregel houdt in dat verdachte gedurende vijf jaren geen contact mag opnemen met het slachtoffer. Dit is een langere periode dan door de officier van justitie is geëist, maar de rechtbank acht dat passend vanwege de eerdere veroordeling.
De rechtbank zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor iedere keer dat verdachte niet aan de maatregel voldoet. Deze hechtenis bedraagt 10 dagen per overtreding, met een totale duur van maximaal zes maanden, en heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.
Hoewel aan de voorwaarden voor de dadelijke uitvoerbaarheid wordt voldaan, zal de rechtbank dit niet opleggen. Een van de schorsingsvoorwaarden is namelijk dat verdachte geen contact mag opnemen met het slachtoffer en deze voorwaarden zullen in beginsel in stand blijven totdat het vonnis onherroepelijk is. Bovendien geldt thans nog steeds het contactverbod in de vorm van een 38v-maatregel voor de duur van vijf jaar op basis van het vonnis van 29 januari 2024.
Schorsing
De officier van justitie heeft tenslotte gevorderd dat de schorsingsvoorwaarden moeten worden gewijzigd, in de zin dat als voorwaarde wordt toegevoegd dat verdachte verblijft bij een beschermd of begeleid wonen instelling na de klinische opname. Deze voorwaarde is echter al opgenomen onder nummer 13 van het schorsingsbevel. De rechtbank zal de schorsingsvoorwaarden dan ook niet aanpassen.

7.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.280,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het deel van de vordering dat ziet op de vergoeding van gemaakte vakantiekosten moet worden afgewezen. Daarnaast dient het bedrag gematigd te worden vanwege de betrekkelijk korte periode.
Overweging van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden doordat zij op andere wijze in de persoon is aangetast. Dergelijke schade is toewijsbaar op grond van artikel 6:106 BW. De aard en ernst van de normschending brengen in dit geval met zich dat de gestelde nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank is aldus van oordeel dat de benadeelde immateriële schade heeft geleden die het rechtstreekse gevolg is van het door de verdachte gepleegde feit. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De wet kent geen aparte grondslag voor het toekennen van de gemaakte vakantiekosten, zodat dit deel van de vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt. De rechtbank zal al met al het smartengeld naar billijkheid op een bedrag van € 750,- vaststellen. De rechtbank acht de wettelijke rente hierover verschuldigd vanaf 3 mei 2024. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De rechtbank zal verder de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 05-150099-23)

De rechtbank heeft verdachte op 29 januari 2024 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden.
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straf.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de vordering tenuitvoerlegging moet worden afgewezen omdat deze, mede gelet op de lange gevangenisstraf, niet opportuun is.
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen, omdat verdachte veel langer in voorarrest heeft gezeten dan de duur van de gevangenisstraf die aan hem wordt opgelegd. Hoewel vaststaat dat verdachte de voorwaarden heeft overtreden, acht de rechtbank het in dit geval niet redelijk om (alsnog) de tenuitvoerlegging te gelasten.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 38, 38a, 38v, 38z, 57, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
zes (6) maandenen beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt voor de duur van de
terbeschikkingstellingde volgende
voorwaardenbetreffende het gedrag van verdachte:
  • verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;
  • verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
o verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
o verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van verdachte vast te stellen;
o verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
o verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
o verdachte werkt mee aan huisbezoeken;
o verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
o verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
o verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht;
  • als de reclassering dat nodig vindt en verdachte daarmee instemt, kan verdachte voor een time-out worden opgenomen in De Woenselse Poort of een forensisch psychiatrisch centrum (fpc) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;
  • verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;
  • verdachte verblijft, zolang de reclassering dit nodig acht, bij [verblijfsplek] als overbruggingsplek totdat klinische opname mogelijk is;
  • verdachte laat zich opnemen in forensische psychiatrische kliniek De Woenselse Poort of een nader te bepalen forensische psychiatrische kliniek of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
  • verdachte laat zich - na afloop van de klinische behandeling - behandelen door een forensische polikliniek, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
  • verdachte verblijft - na afloop van klinische behandeling - in een nader te bepalen beschermd- of begeleidwoneninstelling, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
  • verdachte gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
  • verdachte gebruikt geen alcohol, en werkt mee aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
  • verdachte heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1989, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
  • elektronische monitoring, indien de reclassering dit nodig acht. Verdachte werkt mee aan elektronische monitoring van een locatieverbod, zolang de reclassering in overleg met het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
  • verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
 geeft Tactus Reclassering opdracht verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;
 legt een
vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrechtop, inhoudende een contactverbod. Het contactverbod houdt in dat verdachte gedurende 5 jaren zich onthoudt van – direct of indirect – contact met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1989 en beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 10 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op.
 legt een
gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrechtop;
Benadeelde partij [slachtoffer]
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 750,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 750,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 15 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
Vordering tenuitvoerlegging
 wijst de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank van 29 januari 2024 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden af (parketnummer 05-150099-23).
Dit vonnis is gewezen door mr. W.H.S. Duinkerke (voorzitter), mr. A.M.P.T. Blokhuis en mr. R.M. Schoo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.L. Tuitert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 december 2025.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024250923, gesloten op 3 juni 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 5 en 6.
3.De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 november 2025.