ECLI:NL:RBGEL:2025:11229

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
37213
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkeersongeval met zwaar letsel door aanmerkelijke schuld

Op 18 december 2025 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een man die betrokken was bij een verkeersongeval op 30 juli 2024 te Afferden, gemeente Druten. De verdachte, bestuurder van een bedrijfsauto, veroorzaakte een aanrijding met een bromfiets, waarbij twee jonge mensen, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], ernstig letsel opliepen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend had gereden, wat leidde tot de aanrijding. De rechtbank legde de verdachte een taakstraf op van 140 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van acht maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. De rechtbank overwoog dat de verdachte onvoldoende had gekeken en niet in staat was om tijdig te anticiperen op het tegemoetkomende verkeer, ondanks dat hij gedurende een aanzienlijke tijd onbelemmerd zicht had op de bromfiets. De slachtoffers hebben beiden zwaar lichamelijk letsel opgelopen, wat de rechtbank als zwaar letsel kwalificeerde. De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn blanco strafblad en de lage kans op recidive, maar vond de ernst van het feit zwaarder wegen dan de omstandigheden van de verdachte.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats: Arnhem
Parketnummer: 05/037213-25
Datum uitspraak : 18 december 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1999 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] .
Raadsvrouw: mr. V.A. Batelaan, advocaat in Harderwijk.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 30 juli 2024 te Afferden, gemeente Druten als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Oude Weisestraat, aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
- niet in voldoende mate heeft gekeken en/of is blijven kijken en/of zich niet of in onvoldoende mate heeft overtuigd of uit tegenovergestelde richting verkeer over die weg (de Oude Weisestraat) naderde en/of
- in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn verplichting heeft voldaan zoveel mogelijk rechts te houden en/of
- in strijd met artikel 19 van voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een bromfiets die vanuit tegengestelde
richting dicht genaderd was, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor anderen (te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 juli 2024 te Afferden, gemeente Druten als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Oude Weisestraat,
- niet in voldoende mate heeft gekeken en/of is blijven kijken en/of zich niet of in onvoldoende mate heeft overtuigd of uit tegenovergestelde richting verkeer over die weg (de Oude Weisestraat) naderde en/of
- in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn verplichting heeft voldaan zoveel mogelijk rechts te houden en/of
- in strijd met artikel 19 van voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een bromfiets die vanuit tegengestelde
richting dicht genaderd was, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 juli 2024 te Afferden, gemeente Druten als bestuurder van een bedrijfsauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Oude Weisestraat, niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 30 juli 2024 vond omstreeks 19.11 uur een ongeval plaats op de Oude Weisestraat te Afferden, gemeente Druten. Doordat verdachte onvoldoende rechts hield met zijn bedrijfsauto, een Dodge Ram, kwam hij met dat voertuig aan de linker voorzijde in botsing met een bromfiets die hem op de zelfde weg tegemoet reed en raakte daarbij (het stuur van) die bromfiets aan de linkerzijde. [2] De bromfiets werd bestuurd door [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), waarbij [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) als passagier achterop de bromfiets zat. [3] [slachtoffer 2] liep door dit ongeval een gebroken pols, een gebroken middenhandsbeentje en een hersenschudding op. [4] Door dit letsel kon [slachtoffer 2] nadien zijn voorgenomen vakantiewerk niet uitvoeren en werd hij gedurende vijf weken gehinderd in zijn dagelijkse bezigheden. [5] [slachtoffer 1] liep ook verwondingen op in de vorm van een open complexe breuk van haar linkerbeen tot in haar knie, een drievoudige breuk in haar linkerenkel, een breuk in haar linker hielbeen en compartimentsyndroom in haar linkerbeen. Zij heeft hierdoor verscheidene operaties gehad aan haar linkerbeen. De verwachting is dat [slachtoffer 1] nog langdurig zal moeten revalideren. [6]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdacht wordt vrijgesproken van het primair tenlastegelegde omdat het onvoldoende rechts houden alleen, niet voldoende is voor het aannemen van aanmerkelijke onvoorzichtigheid in de zin van artikel 6 WVW. Omdat niet is onderzocht met welke snelheid verdachte reed, kan die factor geen rol spelen bij de bepaling of wat is gebeurd, aan schuld door verdachte is te wijten.
De rechtbank moet verdachte ook vrijspreken van het subsidiair tenlastegelegde omdat er geen sprake was van het veroorzaken van gevaar op de weg. Verdachte heeft door de gegeven weersomstandigheden, door de zonnestand en een fenomeen dat “optisch verdwijnen” wordt genoemd, de bromfiets niet gezien en hij heeft daar dus ook niet op kunnen anticiperen. Verdachte heeft gedaan wat van een normaal bestuurder kan worden verwacht.
Het meest subsidiaire tenlastegelegde tot slot kan weliswaar wél worden bewezen, maar in dat geval kan verdachte zich beroepen op de schulduitsluitingsgrond: afwezigheid van alle schuld.
Beoordeling door de rechtbank
Uit bevindingen van verbalisanten van het Forensische Opsporing Team Verkeer blijkt, voor zover hier van belang, het volgende. Onderzoek op de plek van het ongeval heeft laten zien dat de wegsituatie en/of inrichting van de weg het zicht voor de desbetreffende bestuurder op geen enkele wijze belemmerde. Verbalisanten hebben een aantal dagen na het ongeval onderzoek gedaan naar het effect van de stand van de zon op het zicht vanuit verdachte in zijn rijrichting ten tijde van het ongeval. Hieruit bleek dat de zon zo hoog aan de hemel stond dat het zicht van verdachte op de weg voor hem en het tegemoetkomende verkeer hierdoor niet of nauwelijks werd gehinderd. Bij het naar beneden kantelen van de zonneklep was er in ieder geval geen sprake meer van hinder door de zon.
Verder blijkt uit het onderzoek dat de bestuurder van de bedrijfsauto, nadat hij uit een bocht kwam, ongeveer 166 meter op het rechte weggedeelte van de Oude Weisestraat heeft afgelegd voordat hij in botsing kwam met de bromfiets. Ervan uitgaande dat verdachte op dat moment reed met de ter plaatse maximaal toegestane snelheid, moet hij op dat weggedeelte gedurende ongeveer 10 seconden onbelemmerd zicht (kunnen) hebben gehad op de hem tegemoetkomende bromfiets. [7]
Verdachte heeft verklaard dat hij de bromfiets tot aan de aanrijding niet heeft gezien, niet toen deze nog 200 meter verwijderd was en nog steeds niet toen hij tot enkele meters genaderd was. Verdachte heeft verder verklaard dat hij ten tijde van het ongeval een snelheid had van 40 à 50 km per uur. [8]
Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994
De vraag die de rechtbank in deze zaak moet beantwoorden is of verdachte zich zodanig heeft gedragen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW, zoals primair ten laste is gelegd. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.
Uit vaste rechtspraak volgt dat het bij de beoordeling van de vraag of sprake is van schuld gaat om het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Ook geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onoplettendheid en/of onvoorzichtigheid.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. De rechtbank stelt, in weerwil van de ontkenning door verdachte en het ontbreken van ander, meer direct bewijs zoals een getuigenverklaring hierover, vast dat het redelijkerwijs niet anders kan dan dat verdachte voor en ten tijde van de aanrijding zijn aandacht niet of niet voldoende op het verkeer had.
Uit de verklaring van verdachte volgt (en geen punt van discussie is) dat verdachte de bromfiets tot aan het moment van het ongeval niet heeft waargenomen. Uit het hiervoor aangehaalde onderzoek van Forensische Opsporing Team Verkeer is echter gebleken dat in elk geval gedurende (minimaal) 10 seconden voor de aanrijding onbelemmerd zicht had op tegemoetkomend verkeer. Daarbij wordt uitgegaan van de kortst mogelijke tijd bij een door verdachte aangehouden maximumsnelheid van 60 km per uur ter plaatse. Verdachte heeft echter verklaard dat hij met een lagere snelheid dan die maximumsnelheid reed, in welk geval zijn vrije zicht op de bromfiets zelfs langer dan 10 seconden duurde, voordat het tot een aanrijding kwam.
Uit het hiervoor aangehaalde onderzoek ter plaatse blijkt dat de stand van de zon niet of niet in relevante mate het zicht belemmerde van verdachte op de weg en eventuele tegenliggers.
Uit de verklaringen van verdachte blijkt dat hij de bromfiets op geen moment heeft waargenomen, niet toen hij nog ver verwijderd was, maar ook niet toen deze tot minder dan enkele meters genaderd was en hij levensgroot voor zijn auto moet zijn opgedoemd. Het door de verdediging aangevoerde fenomeen van verstrooid licht waardoor voertuigen of weggebruikers ‘optisch verdwijnen’ biedt voor deze langdurige, voortdurende afwezigheid van iedere waarneming van een uiteindelijk dicht genaderde bromfiets geen verklaring.
Een en ander brengt de rechtbank tot slotsom dat het niet waarnemen van de bromfiets niet anders kan worden verklaard dan dat verdachte gedurende langere tijd niet in voldoende mate heeft gekeken en is blijven kijken en zich niet of in onvoldoende mate heeft overtuigd of uit tegenovergestelde richting verkeer over die Oude Weisestraat naderde.
Uit wat hiervoor is overwogen, vloeit naar voort dat het gedrag van verdachte in de onderhavige verkeerssituatie in zijn geheel is aan te merken als aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam. Daarmee is sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW.
Letsel
De slachtoffers hebben beiden lichamelijk letsel opgelopen. [slachtoffer 2] heeft een gebroken pols, een gebroken middenhandsbotje en een hersenschudding opgelopen. Hierdoor heeft hij gedurende vijf weken zijn dagelijkse bezigheden niet kunnen uitvoeren en is daarmee tijdelijk verhinderd geweest in de uitoefening van zijn normale bezigheden.
[slachtoffer 1] is er vergeleken met [slachtoffer 2] veel slechter aan toe als gevolg van het ongeval. Gelet op de aard en de ernst van het letsel, de aard en de duur van de medische behandeling tot nu toe en omdat onduidelijk is of volledig herstel mogelijk is, is de rechtbank van oordeel dat het letsel van het slachtoffer [slachtoffer 1] als zwaar lichamelijk letsel moet worden beschouwd en acht zij ook dat onderdeel van de tenlastelegging bewezen.
De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde zoals hierna nader omschreven.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks30 juli 2024 te Afferden, gemeente Druten, als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Oude Weisestraat, aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en
/ofonachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
- niet in voldoende mate heeft gekeken en
/ofis blijven kijken en
/ofzich niet of in onvoldoende mate heeft overtuigd of uit tegenovergestelde richting verkeer over die weg (de Oude Weisestraat) naderde en
/of
- in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn verplichting heeft voldaan zoveel mogelijk rechts te houden en
/of
- in strijd met artikel 19 van voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en
/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een bromfiets die vanuit tegengestelde
richting dicht genaderd was, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor
anderen (te weten[slachtoffer 1]
en/of [slachtoffer 2] )zwaar lichamelijk letsel
werd toegebracht en/of[slachtoffer 2]zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit
tijdelijke ziekte ofverhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,
werd toegebracht.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren te vervangen door een hechtenis van 60 dagen. Verder vordert de officier van justitie de ontzegging van de rijbevoegdheid van verdachte gedurende 6 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat verdachte zich heeft ingezet om contact op te nemen met de slachtoffers. Daarnaast heeft hij een blanco strafblad en een stabiel leven. Uit het reclasseringsrapport volgt dat het risico op recidive laag is en er geen risicofactoren in het leven van verdachte zijn. Verdachte heeft zijn rijbewijs voor zijn werk nodig omdat hij veel onderweg is en deze plaatsen met het openbaar vervoer niet zijn te bereiken. De verdediging meent dat de rechtbank daarom bij de oplegging van een straf kan volstaan met het opleggen van een geldboete of een beperkte, al dan niet voorwaardelijke, taakstraf.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank houdt bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd rekening met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank de beslissingen die rechters in vergelijkbare zaken gemiddeld opleggen zoals die zijn gevat in de zogenaamde oriëntatiepunten voor de straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer wordt gekeken naar het strafblad van verdachte.
De ernst van het feit
Verdachte heeft als bestuurder van een auto door verwijtbare onoplettendheid, onvoorzichtigheid en onachtzaamheid een ernstig verkeersongeval veroorzaakt, waardoor twee jonge mensen ernstig lichamelijk letsel hebben opgelopen. Het leven van de slachtoffers is totaal op zijn kop gezet door het verkeersongeval. Slachtoffer [slachtoffer 1] , een jonge vrouw die ten tijde van het ongeval pas 16 jaar oud was, heeft in haar slachtofferverklaring verwoord wat het ongeval en het daaruit volgende letsel voor afschuwelijke gevolgen heeft gehad en nog altijd heeft, lichamelijk en geestelijk, op zowel haar leven als op dat van haar naaste omgeving en dierbaren. Ook voor de eveneens nog jonge [slachtoffer 2] moet het ongeval verschrikkelijk zijn geweest, zowel door zijn eigen pijn en letsel als doordat hij heeft moeten toezien hoeveel pijn en leed het ongeval tot gevolg heeft gehad en heeft voor [slachtoffer 1] , die bij hem als passagier achter op zijn bromfiets zat.
Persoonlijke omstandigheden
Op 28 november 2025 heeft de reclassering een advies uitgebracht over verdachte. Hierin staat dat verdachte bij zijn ouders woont en een baan heeft waaruit hij voldoening en voldoende inkomsten krijgt. Hij heeft positief contact met zijn ouders en vrienden die hem op emotioneel en meer praktisch gebied steunen. Dit wordt door de reclassering gezien als een beschermende factor. Verdachte heeft verder zijn verantwoordelijkheid genomen door zich in te zetten voor bemiddeling met (familie van) de slachtoffers van het ongeval. Er heeft een gesprek met de broer en vader van een slachtoffer plaatsgevonden. Verdachte lijkt niet van de maatschappelijke norm af te wijken.
Verder komt de reclassering tot de conclusie dat de kans op recidive laag is.
De reclassering geeft aan dat er zwaarwegende gevolgen zullen zijn voor verdachte op praktisch en emotioneel gebied als een gevangenisstraf wordt opgelegd. Er worden verder geen contra-indicaties gezien voor een taakstraf of een geldboete.
Verdachte heeft ter terechtzitting toegelicht dat hij zijn rijbewijs voor zijn werk nodig heeft. Hij is monteur en moet geregeld op verschillende locaties in het land zijn werkzaamheden verrichten.
De straf
De rechtbank acht, alles afwegend, een taakstraf en daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid op zijn plaats. Rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zal de rechtbank een deel van de ontzegging van de rijbevoegdheid voorwaardelijk opleggen. De rechtbank weegt de ernst van het feit, en de omstandigheid dat er sprake is van twee slachtoffers, zwaarder dan de officier van justitie, waardoor zij op een hogere straf uitkomt dan geëist.
De rechtbank acht een taakstraf voor de duur van 140 uren, bij niet uitvoeren te vervangen door een hechtenis van 70 dagen, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van acht maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, passend en geboden.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.500,00 aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er bij benadeelde sprake is geweest van inkomstenderving. Omdat dat bedrag niet is onderbouwd, verzoekt de officier van justitie om gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard.
Overweging van de rechtbank
De schadepost is betwist en niet voldoende onderbouwd, waardoor nadere onderbouwing noodzakelijk is om vast te kunnen stellen of er sprake is geweest van schade en hoe hoog deze schade dan is geweest. Daarvoor is in de onderhavige strafprocedure geen plaats; het zou een onevenredige belasting van het strafproces meebrengen. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaren. De benadeelde partij kan de vordering daardoor wel nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;
- 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 legt op
een taakstraf van 140 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 70 dagen;

ontzegtverdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde
de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 maanden;
 bepaalt dat
een gedeelte van de ontzegging van de bevoegdheid motorvoertuigen te besturen, te weten 6 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd,tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de
proeftijd van drie jarenschuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. E.S.M. van Bergen en mr. A. Tegelaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Breed, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 december 2025.
mr. E.S.M. van Bergen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024354325, gesloten op 28 januari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal FO verkeer, p. 27, p. 69.
3.Proces-verbaal aanrijding misdrijf, p. 9, 10.
4.Brief van CWZ ziekenhuis [slachtoffer 2] , p. 90, 91.
5.Een door [verbalisant 2] op 3 juni 2025 wettelijk opgemaakt proces-verbaal, niet deel uitmakend van het doorgenummerde proces-verbaal.
6.Geneeskundige verklaring [slachtoffer 1] , p. 95.
7.Proces-verbaal FO verkeer, p. 43, 44.
8.Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 4 december 2025.