ECLI:NL:RBGEL:2025:11230

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
ARN 25/1184
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke verlening en gedeeltelijke weigering van omgevingsvergunning voor safaritenten in beperkingengebied Geldersche IJssel

Deze uitspraak betreft de gedeeltelijke verlening en gedeeltelijke weigering van een omgevingsvergunning die door eiseres is aangevraagd voor de plaatsing van safaritenten binnen het beperkingengebied van het waterlichaam Geldersche IJssel. Eiseres, een B.V. uit [plaats], is het niet eens met de beslissing van de minister van Infrastructuur en Waterstaat, die in de bezwaarfase het bezwaarschrift van eiseres ongegrond heeft verklaard. De rechtbank Gelderland heeft op 19 december 2025 geoordeeld dat de minister ten onrechte het bezwaarschrift ongegrond heeft verklaard, omdat er een verkeerd aantal safaritenten is aangenomen. De rechtbank oordeelt dat het gedeeltelijk weigeren van de omgevingsvergunning niet onevenredig is en dat eiseres gedeeltelijk gelijk krijgt. De rechtbank legt uit dat de minister de besluitvorming in de bezwaarfase ten onrechte heeft gesplitst en dat de aanvraag voor de safaritenten niet correct is beoordeeld. De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar en laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, omdat de minister al een ambtshalve wijziging heeft doorgevoerd. Eiseres krijgt ook proceskosten vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1184

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] B.V. uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. J.P. Hoegee),
en

de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister

(gemachtigden: mr. W.S. Klooster, mr. L.L. van Oosterom en J. Hendriks).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke verlening en gedeeltelijke weigering van de door eiseres aangevraagde omgevingsvergunning voor de plaatsing van een aantal safaritenten. Eiseres is het niet eens met dat besluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister in de beslissing op bezwaar ten onrechte het bezwaarschrift van eiseres ongegrond heeft verklaard en de omgevingsvergunning niet heeft herroepen omdat uitgegaan is van een verkeerd aantal safaritenten. De rechtbank oordeelt verder dat het gedeeltelijk weigeren van de omgevingsvergunning niet onevenredig is. Eiseres krijgt gedeeltelijk gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen:
  • Had de minister het bezwaarschrift gegrond moeten verklaren en het primaire besluit moeten herroepen?
  • Is de gedeeltelijke weigering van de omgevingsvergunning onredelijk?
Aan het eind van de uitspraak staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. In het besluit van 25 september 2024 heeft de minister de door eiseres aangevraagde omgevingsvergunning voor het mogen plaatsen van safaritenten deels verleend en deels geweigerd. In de beslissing op bezwaar van 30 januari 2025 is het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard. De minister heeft wel aanleiding gezien voor een ambtshalve wijziging. In het besluit van 6 mei 2025 heeft de minister de omgevingsvergunning ambtshalve gewijzigd.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres R.H. Van den Dolder met gemachtigde en de gemachtigden van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Een toezichthouder van Rijkswaterstaat heeft geconstateerd dat op het terrein van de inrichting [naam inrichting], [locatie] in [plaats] aan de rechteroever van de Geldersche IJssel dertien safaritenten zijn geplaatst zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning [1] . De safaritenten liggen binnen het beperkingengebied van het waterlichaam Geldersche IJssel [2] . Bij brief van 8 april 2024 is het Resort aangeschreven om binnen een maand na dagtekening van de brief een omgevingsvergunning aan te vragen. Eiseres heeft op 24 april 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het (jaarrond) plaatsen van dertien safaritenten.
In het besluit van 25 september 2025 heeft de minister [3] een omgevingsvergunning verleend voor het jaarlijks in de periode van 1 april tot 1 november plaatsen en in stand houden van dertien safaritenten. De minister heeft de omgevingsvergunning geweigerd voor de periode tussen 1 november en 1 april omdat er binnen de Beleidsregels grote rivieren geen mogelijkheden zijn om het jaarrond plaatsen en in stand houden van de safaritenten toe te staan [4] .
In de beslissing op bezwaar van 30 januari 2025 heeft de minister het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.
De minister heeft wel aanleiding gezien om de omgevingsvergunning ambtshalve te wijzigen omdat in de bezwaarprocedure is gebleken dat vijf van de dertien safaritenten op een andere locatie staan dan destijds in de aanvraag is vermeld en hiervoor geen vergunning is benodigd. In het besluit van 6 mei 2025 heeft de minister de omgevingsvergunning daarom ambtshalve gewijzigd. De weigering voor de winterperiode ziet nu op acht in plaats van dertien safaritenten.
4. In de bijlage bij de uitspraak staan de voor deze uitspraak van belang zijnde artikelen uit de van toepassing zijnde wet- en regelgeving.
Overgangsrecht
5. Per 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Omdat na die datum een aanvraag om omgevingsvergunning is ingediend, is de Ow met de onderliggende regelingen van toepassing. Dit volgt uit het overgangsrecht. [5]
5.1.
Ten tijde van het primaire besluit en de beslissing op bezwaar waren de Beleidsregels grote rivieren [6] van toepassing. Op grond van het overgangsrecht dat is opgenomen in artikel 12 van de Beleidsregels grote rivieren 2025 blijven de Beleidsregels grote rivieren, zoals die luidden vóór 1 februari 2025, van toepassing op aanvragen die zijn ingediend vóór 1 februari 2025 (...).
Toetsingskader
6. Onder de Ow komen de doelstellingen uit de Kaderrichtlijn Water (KRW) aan de orde in het kader van de omgevingsvergunning voor bepaalde wateractiviteiten (onder andere vergunningplichtige beperkingengebiedactiviteiten). De beoordelingsregels voor de vergunning voor deze activiteiten zijn neergelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De doelstellingen staan in artikel 8.84, eerste lid, van het Bkl. In dat artikel is bepaald dat een omgevingsvergunning enkel verleend wordt als de activiteit verenigbaar is met de aldaar genoemde belangen. In het tweede lid van artikel 8.84 van het Bkl is daarnaast opgenomen dat bij de beoordeling van de aanvraag rekening wordt gehouden met de waterbeheerprogramma’s, regionale waterprogramma’s, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam.
De Beleidslijn grote rivieren (hierna: Bgr) biedt een concreet afwegingskader op basis waarvan kan worden beoordeeld of een activiteit toelaatbaar is [7] .
Had de minister het bezwaarschrift gegrond moeten verklaren en het primaire besluit moeten herroepen?
7. Eiseres voert aan dat de minister in de beslissing op bezwaar het bezwaarschrift ten onrechte ongegrond heeft verklaard terwijl tijdens de bezwaarprocedure gebleken is dat de omgevingsvergunning ten onrechte ziet op dertien safaritenten. Voor vijf van de dertien aangevraagde safaritenten is geen omgevingsvergunning nodig omdat deze vijf safaritenten passen binnen de afgegeven vergunning voor het behouden van ophogingen en een voetgangersbrug, van 8 december 2023 met kenmerk [kenmerk]. Volgens eiseres had de minister in de beslissing op bezwaar het bezwaarschrift gegrond moeten verklaren en het primaire besluit in zoverre moeten herroepen in plaats van een ambtshalve wijziging aan te kondigen. De minister had het bezwaarschrift gegrond moeten verklaren en aan eiseres haar proceskosten moeten vergoeden.
7.1.
De beroepsgrond slaagt. In de bezwaarfase is gebleken dat voor vijf van de dertien tenten geen vergunning is benodigd omdat deze passen binnen de vergunning die op 8 december 2023 aan eiseres is verleend. Dat betekent dat deze vijf tenten ten onrechte in de omgevingsvergunning zijn meegenomen. Dat, zoals de minister aangeeft, op de aanvraag voor dertien safaritenten is beslist en de omgevingsvergunning daarom niet onrechtmatig is, volgt de rechtbank niet. Allereerst is niet in geschil dat naar aanleiding van een controle door een toezichthouder van Rijkswaterstaat, eiseres de door de toezichthouder genoemd aantal van dertien safaritenten, heeft aangevraagd. Bovendien heeft de minister een eigen bevoegdheid om, indien hij constateert dat voor een aantal tenten geen vergunning benodigd is, dit in een besluit neer te leggen.In bezwaar heeft eiseres naar voren gebracht dat niet alle tenten vergunningplichtig zijn. Gelet op artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) had de minister deze fout in de omgevingsvergunning in heroverweging in de beslissing op bezwaar moeten herstellen. De rechtbank oordeelt dat de minister de besluitvorming in de bezwaarfase ten onrechte heeft gesplitst, door op 30 januari 2025 het bezwaar van eiseres ongegrond te verklaren en pas op 6 mei 2025 een ambtshalve besluit in de plaats te stellen van het primaire besluit van 25 september 2024. Dit is in strijd met artikel 7:11, tweede lid, van de Awb. Het beroep is reeds hierom gegrond.
Tussenconclusie
7.2.
Het beroep is gegrond. De rechtbank zal de beslissing op bezwaar vernietigen. De rechtbank zal in het kader van de finale geschilbeslechting hierna ingaan op de andere beroepsgrond van eiseres.
Is de gedeeltelijke weigering van de omgevingsvergunning onredelijk?
8. Eiseres voert aan dat sprake is van bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat handelen overeenkomstig het beleid onevenredige gevolgen heeft in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen [8] . Volgens eiseres liggen de acht tenten allemaal op hetzelfde terrein, op dezelfde hoogte en heeft dit gedeelte van het terrein feitelijk nog nooit onder water gestaan. Daarin wijkt dit deel niet af van het terrein waarop de andere tenten staan die wel jaarrond zijn toegestaan. Dit is volgens eiseres het gevolg van een ogenschijnlijk willekeurige begrenzing van het beperkingengebied. Eiseres wijst erop dat de zware safaritenten er niet op berekend zijn om twee keer per jaar opgebouwd en afgebroken te worden. Dat gaat ten koste van de levensduur van de tenten. Eiseres vindt dat er in de omgevingsvergunning een voorwaarde had moeten worden opgenomen dat de safaritenten pas bij een bepaalde kritische waterstand afgebroken moeten worden.
8.1.
De minister heeft de aanvraag voor een omgevingsvergunning getoetst aan de Beleidsregels grote rivieren [9] . In deze beleidsregels heeft de minister opgenomen voor welke activiteiten toestemming verleend kan worden en aan welke voorwaarden moet worden voldaan. Niet in geschil is dat de artikelen 3 tot en met 6 van de beleidsregels geen mogelijkheden bieden om toestemming te geven voor het jaarrond plaatsen en in stand houden van de safaritenten. Uit de bij de beleidsregels behorende detailkaarten blijkt dat op het gedeelte van het rivierbed waar de aanvraag op ziet, het stroomvoerend regime van toepassing is. Het permanent laten staan van safaritenten kan niet worden aangemerkt als een riviergebonden activiteit. De beleidsregels zijn onder andere geïntroduceerd om te voorkomen dat het rivierbed volgebouwd wordt en kennen een strikt nee-tenzij-beleid voor niet riviergebonden ontwikkelingen. Pas als toestemming verleend kan worden op grond van artikel 3 tot en met 6 van de beleidsregels wordt gekeken of aan de voorwaarden van artikel 7 van de beleidsregels is voldaan (rivierkundige toets). Daarom is daar nu niet aan toegekomen.
Het plaatsen en in stand houden van de safaritenten buiten het hoogwaterseizoen, van 1 april tot 1 november, past volgens de minister wel binnen artikel 3 van de beleidsregels. Daarom heeft de minister wel een omgevingsvergunning verleend voor die periode.
8.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft terecht overwogen dat de artikelen 3 tot en met 6 van de beleidsregels geen mogelijkheden bieden om toestemming te geven voor het jaarrond plaatsen en in stand houden van de safaritenten en dat daarom niet toegekomen kan worden aan het bepaalde in artikel 7 van de beleidsregels. De Beleidsregels grote rivieren hebben betrekking op het behouden van de afvoercapaciteit van de rivier ter plaatse. Ook al heeft de aangevraagde activiteit niet direct gevolgen voor de waterstand, het is noodzakelijk om voldoende ruimte voor de rivieren te behouden voor nu en in de toekomst. Dit past bij de algehele tendens om minder (bouw)activiteiten toe te staan in de uiterwaarden. Hiermee worden de rivieren klimaatrobuuster gemaakt en wordt schade voorkomen bij hoge waterstanden of overstromingen. De minister heeft daarbij ook gewezen op de kamerbrief Water en Bodem sturend [10] waarin dit ook wordt benadrukt.
Eiseres heeft als zodanig het beleid niet betwist. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de minister tot de conclusie heeft kunnen komen dat het belang van de bescherming van de doelstelling van de Beleidslijn grote rivieren en de bijbehorende Beleidsregels grote rivieren en de waterveiligheid, zwaarder weegt dan het belang om de safaritenten jaarrond te laten staan en de financiële belangen die eiseres naar voren heeft gebracht. De toepassing van de beleidsregels leidt er ook niet toe dat eiseres in zijn geheel geen safaritenten kan exploiteren. De tenten dienen wel conform de huidige vergunning tijdig te worden verwijderd.
Het betoog van eiseres dat de waterkundige risico’s van hoogwaterperiodes met betrekking tot deze locatie zeer beperkt zijn slaagt niet, nu de weigering om de omgevingsvergunning jaarrond te verlenen terecht niet is getoetst aan de rivierkundige voorwaarden en de gedeeltelijke weigering van de omgevingsvergunning daar dus niet in is gelegen.
Verder volgt de rechtbank het betoog van eiseres dat sprake is van een willekeurige begrenzing van het beperkingengebied niet. Niet in geschil is dat het hele gebied waar de dertien safaritenten zijn geplaatst valt binnen het beperkingengebied. Vijf safaritenten vallen binnen een gebied waar eerder al een vergunning was verleend voor een ophoging met bouwwerken [11] . Deze vijf safaritenten passen daarom binnen de rechten van de eerder verleende vergunning. De overige acht safaritenten vallen buiten het gebied van de eerder verleende vergunning en zijn dus nog vergunningplichtig. De begrenzing die is aangehouden in de vergunning van 8 december 2023 kan nu niet meer ter discussie staan aangezien dit besluit onherroepelijk is omdat eiseres daar geen rechtsmiddelen tegen heeft ingediend. Hier moet dus vanuit gegaan worden.
Het voorgaande betekent dat de minister niet heeft hoeven afwijken van de beleidsregels omdat geen sprake is van gevolgen die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond omdat de minister ten onrechte het besluit van 25 september 2024 niet heeft herroepen in de beslissing op bezwaar. De rechtbank vernietigt daarom de beslissing op bezwaar. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien. De rechtbank bepaalt dat het bezwaar gegrond is.
Nu de minister in het besluit van 6 mei 2025 de omgevingsvergunning van 25 september 2024 al heeft herroepen en heeft bepaald dat de omgevingsvergunning op acht safaritenten ziet, zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laten.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het betaalde griffierecht aan eiseres vergoeden. Ook veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten van eiseres. De proceskostenvergoeding bedraagt € 3.108, omdat de gemachtigde van eiseres een bezwaarschrift heeft ingediend (€ 647), aan de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie heeft deelgenomen (€ 647), een beroepschrift heeft ingediend (€ 907) en aan de zitting bij heeft deelgenomen (€ 907).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de beslissing op bezwaar;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 3.108 aan proceskosten aan eiseres;
  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 371 aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Dijkman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Omgevingswet (Ow)
Artikel 5.1, tweede lid:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
f. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot:
(...)
2°.een waterstaatswerk,
5°.een installatie in een waterstaatswerk,
g.een flora- en fauna-activiteit,
voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)
Artikel 6.17.
1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.16, eerste lid, die worden verricht in een beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk dat geen kanaal is, voor zover het gaat om:
(...)
g.het bouwen of in stand houden van een bouwwerk, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een werk dat geen bouwwerk is en het plaatsen of in stand houden van een ander object, anders dan bedoeld onder a tot en met f, voor zover:
1°.bij een bouwwerk: de oppervlakte meer is dan 30 m2; of
2°.bij een werk dat geen bouwwerk is of een ander object: de oppervlakte meer is dan 30 m2 of als daarvoor een vaste fundering nodig is.
Beleidsregels grote rivieren
Artikel 3
1. In het rivierbed wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 7, eerste lid, toestemming gegeven voor:
a. een eenmalige uitbreiding van ten hoogste tien procent van de bestaande bebouwing;
b. het slopen en vervangen van bebouwing door bebouwing van gelijke omvang;
c. tijdelijke activiteiten, anders dan evenementen die niet langer duren dan drie maanden, en
d. overige activiteiten die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met activiteiten van ondergeschikt belang.
2 Activiteiten van ondergeschikt belang als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, zijn:
a. het voor een periode van ten hoogste zes maanden plaatsen en opslaan van bouwwerken, bouwborden, materiaal en materieel om een werk of onderhoud te kunnen uitvoeren in, op, boven, over of onder een oppervlaktewaterlichaam of een bijbehorend kunstwerk;
b. evenementen die niet langer duren dan drie maanden;
c. het plaatsen van een in- of uitstroomvoorziening, mits de in- of uitstroomsnelheid maximaal 0,3 m/s bedraagt;
d. het plaatsen van een steiger, vlonder of aanmeervoorziening, inclusief de bijbehorende voorzieningen, voor zover deze gelegen zijn buiten de vaarweg en bestemd zijn voor niet-bedrijfsmatig gebruik, dan wel naar aard en omvang vergelijkbaar overig gebruik;
e. het plaatsen van informatieborden, informatiezuilen, reclameborden, reclamezuilen, sport- en speeltoestellen, gedenktekens, kunstobjecten, vlaggenmasten, tuin- en straatmeubilair of in aard en omvang hiermee vergelijkbare objecten, waarvoor geen of een beperkte fundering vereist is;
f. terreinophogingen van minder dan 50 m3 per kadastraal perceel;
g. het plaatsen van visfuiken of visnetten;
h. het uitvoeren van onderhoud en vervanging van bestaande objecten door objecten van vergelijkbare aard en omvang en op dezelfde locatie;
i. het gelijkvloers op het maaiveldniveau aanbrengen van verhardingen en recreatieve voorzieningen, niet zijnde een bouwwerk;
j. het plaatsen van kabels en leidingen mits:
1° deze geen intrinsiek gevaarlijke stoffen transporteren;
2° deze niet liggen, parallel of als kruising, in de veiligheidszone van een primaire of secundaire waterkering, een kunstwerk of een vaarweg, of
3° deze niet aangelegd worden middels boring, waarbij lagen met verschillende stijghoogtes worden doorkruist;
k. onderzoeken die niet langer duren dan zes maanden, en
l. andere activiteiten die vanwege de aard, beperkte omvang of korte duur naar het oordeel van de beheerder geen nadelige invloed hebben op het waterstaatkundige beheer.
Artikel 4.
Voor activiteiten in het gedeelte van het rivierbed waarop het bergend regime van toepassing is, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 7, eerste en tweede lid, toestemming gegeven.
Artikel 5.
Voor de navolgende riviergebonden activiteiten in het gedeelte van het rivierbed waarop het stroomvoerend regime van toepassing is, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 7, eerste en tweede lid, toestemming gegeven:
a. de aanleg of wijziging van waterstaatkundige kunstwerken;
b. de realisatie van voorzieningen voor een betere en veilige afwikkeling van de beroeps- en recreatievaart;
c. de bouw of wijziging van waterkrachtcentrales;
d. de vestiging of uitbreiding van overslagbedrijven of het realiseren van overslagfaciliteiten, uitsluitend voor zover de activiteit gekoppeld is aan het vervoer over de rivier;
e. de aanleg of wijziging van scheepswerven en specifiek daaraan verbonden bedrijfsactiviteiten;
f. de realisatie of verbetering van natuur;
g. de verbetering van de waterkwaliteit;
h. de uitbreiding of wijziging van bestaande steenfabrieken;
i. de realisatie van voorzieningen die onlosmakelijk met de waterrecreatie of extensieve uiterwaardrecreatie zijn verbonden;
j. de winning van oppervlaktedelfstoffen;
k. de realisatie van voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het agrarisch, landschappelijk of daarmee vergelijkbaar beheer van het rivierbed;
l. het behoud of herstel van cultuurhistorische landschapselementen; of
m. de realisatie van voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het behoud van bekende of te verwachten archeologische monumenten.
Artikel 6.
Voor niet-riviergebonden activiteiten in het gedeelte van het rivierbed waarop het stroomvoerend regime van toepassing is, wordt geen toestemming gegeven, tenzij, onverminderd het bepaalde in artikel 7, sprake is van:
a. een groot openbaar belang en de activiteit niet redelijkerwijs buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd;
b. een zwaarwegend bedrijfseconomisch belang voor bestaande grondgebonden agrarische bedrijven en de activiteit redelijkerwijs niet buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd;
c. verduurzaming van de energievoorziening van bestaande activiteiten in het rivierbed; of
d. opwekking van zonne- of windenergie en de activiteit niet redelijkerwijs buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd.
Artikel 7
1. De toestemming, bedoeld in artikel 3, wordt alleen gegeven indien:
a. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat het veilig functioneren van het waterstaatswerk gewaarborgd blijft;
b. er geen sprake is van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit, en
c. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat de waterstandsverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is.
2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor het geven van de toestemming, bedoeld in de artikelen 4, 5 en 6, aanhef en de onderdelen a, b en c, met dien verstande dat de resterende waterstandseffecten of de afname van het bergend vermogen duurzaam worden gecompenseerd waarbij de financiering en de tijdige realisering van de maatregelen gezekerd zijn.
3 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor het geven van de toestemming, bedoeld in artikel 6, aanhef en onderdeel d, met dien verstande dat de vergunning zal worden verleend voor een bepaalde termijn en dat de resterende waterstandseffecten of de afname van het bergend vermogen ten minste voor de duur van die termijn duurzaam worden gecompenseerd waarbij de financiering en de tijdige realisering van de maatregelen gezekerd zijn.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6.17, eerste lid, onder g, sub 1° van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Daar staat: Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.16, eerste lid, die worden verricht in een beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk dat geen kanaal is, voor zover het gaat om:
2.De handelingen vinden plaats in een waterstaatwerk in de zin van de Omgevingswet (Ow), namelijk aan de rechteroever van de Geldersche IJssel ter hoogte van kmr. 887,250, in de gemeente Zevenaar, waar het stroomvoerend regime zoals opgenomen in de “Beleidsregels grote rivieren” van kracht is.
3.De minister is het bevoegd gezag gelet op het bepaalde in artikel 4.4, eerste lid van het Omgevingsbesluit. Er is sprake van een wateractiviteit (beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk).
4.Dit volgt uit de artikelen 3 tot en met 6 van de Beleidsregels grote rivieren.
5.Zie artikel 4.3, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
6.https://wetten.overheid.nl/BWBR0020040/2024-04-01.
7.Deze beleidsregels berusten op artikel 6.17 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
8.Deze beroepsgrond ziet op artikel 4:84 van de Awb.
9.Deze beleidsregels zijn van toepassing op aanvragen voor omgevingsvergunningen, bedoeld in de artikelen 6.17, eerste lid, (...) van het Bal, voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk dat geen kanaal is, die worden verricht in een beperkingengebied in het rivierbed.
10.Kamerbrief gericht aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, d.d. 25
11.Zie de omgevingsvergunning van 8 december 2023, [kenmerk].