Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van
op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
Stichting De Faunabescherming, uit Amstelveen, eiseres
het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland
Stichting Faunabeheereenheid Gelderlanduit Arnhem (FBE)
Samenvatting
Procesverloop
2.1. Met de uitspraak van 17 december 2024 heeft de rechtbank het goedkeuringsbesluit vernietigd. [1] Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3.1. Het college heeft het verzoek om handhaving afgewezen omdat de jacht plaatsvindt conform de regels zoals gesteld in artikel 4.17 van de Omgevingsregeling. Bovendien dienen jachtactiviteiten op grond van artikel 11.63 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) te geschieden volgens een vastgesteld faunabeheerplan. Het ontbreken van een goedgekeurd faunabeheerplan vormt geen belemmering voor de uitoefening van de jacht, zolang deze binnen de wettelijk gestelde jachttijden plaatsvindt. Er is dan ook geen sprake van een overtreding en het college is daarom niet bevoegd om handhavend op te treden.
3.2. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het college heeft, voordat hij de beslissing op bezwaar heeft genomen, advies ingewonnen bij de Commissie rechtsbescherming. Met het besluit van 9 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres heeft het college in afwijking van het advies van de Commissie rechtsbescherming, het besluit van 14 januari 2025 gehandhaafd. Hierbij heeft het college overwogen dat uit de wet en parlementaire geschiedenis niet kan worden afgeleid dat de uitoefening van de jacht volgens een faunabeheerplan vereist dat het faunabeheerplan is goedgekeurd. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt juist expliciet dat de jacht ook is toegestaan wanneer er geen (goedgekeurd) faunabeheerplan is, mits de rijksregels voor de jacht in acht worden genomen. [4] Het college wijst er verder op dat het college na ontvangst van een nadere motivering van de FBE, bij besluit van 17 april 2025 opnieuw goedkeuring heeft verleend aan het Faunabeheerplan 2023-2029.
Spoedeisend belang en procesbelang
Het college betwist ook dat eiseres procesbelang heeft. Vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is dat procesbelang het belang is dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de belanghebbende voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de belanghebbende van feitelijke betekenis is. Omdat er inmiddels een goedgekeurd faunabeheerplan ligt heeft het doel dat eiseres voor ogen staat geen feitelijke betekenis meer en heeft zij dan ook geen procesbelang.
4.1. De voorzieningenrechter volgt dit betoog niet. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er voldoende spoedeisend belang nu het jachtseizoen is geopend en heeft eiseres daarom ook voldoende procesbelang bij de beoordeling of het college het verzoek om handhaving heeft kunnen afwijzen. Dat eiseres enige tijd heeft gewacht voor zij een verzoek om voorlopige voorziening indiende doet daar niet aan af.
Op grond van artikel 11.37, eerste lid, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, geldt het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet, voor het opzettelijk doden van van nature in Nederland in het wild levende vogels.
Op grond van artikel 11.62. van het Bal gelden de verboden, bedoeld in de artikelen 11.37, eerste lid, onder a en d, 11.46, eerste lid, onder a en b, en 11.54, eerste lid, niet voor het bij de uitoefening van de jacht vangen, doden of verontrusten en met het oog daarop opsporen van wild in het jachtveld van een jachthouder, uitgevoerd in overeenstemming met artikel 11.64, eerste lid.
Op grond van artikel 11.63, eerste lid, van het Bal – voor zover van belang – wordt de uitoefening van de jacht uitgevoerd volgens het faunabeheerplan dat voor het betrokken gebied door de faunabeheereenheid is vastgesteld.
In artikel 8.3, vierde lid, van de Omgevingswet is bepaald dat de jacht alleen is toegestaan op dieren van de volgende soorten:
“Het door faunabeheereenheden opgestelde, door gedeputeerde staten goedkeurde faunabeheerplan – en het daarvan deel uitmakende afschotplan – wordt sturend bij schadebestrijding, populatiebeheer en jacht.” [10] en
“Niet alleen beheer, maar ook schadebestrijding en jacht dienen op grond van dit wetsvoorstel op een planmatige en gebiedsgerichte wijze te worden uitgevoerd, op basis van faunabeheerplannen, opgesteld door faunabeheereenheden en goedgekeurd door provincies. Jachthouders maken verplicht onderdeel uit van wildbeheereenheden, die de uitvoering van het faunabeheerplan bevorderen en coördineren.” [11] Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit onder het regime van de Omgevingswet anders is geworden.
De voorzieningenrechter ziet in de door het college aangehaalde gedeelten uit de parlementaire geschiedenis ook geen aanleiding om hierover anders te oordelen. Het college wijst er terecht op dat daarin staat dat de aanwezigheid van een goedgekeurd faunabeheerplan geen voorwaarde is voor de uitoefening van de jacht door de jachthouder in zijn eigen jachtterrein. Uit de hierboven geciteerde teksten uit de memorie van toelichting, de tekst van artikel 11.63 van het Bal en systematiek van (voorheen) de Wnb en thans de Omgevingswet en het Bal leidt de voorzieningenrechter echter af dat het bestaan van een goedgekeurd faunabeheerplan wel nodig is om te mogen jagen.