ECLI:NL:RBGEL:2025:11269

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
11692423
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:228 BWArt. 7:17 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens gebrek aan motorolie en dwaling bij koop BMW 640i

De zaak betreft een geschil over de koop van een BMW 640i Gran Coupe uit 2017, waarbij eiser stelt dat de motor schade heeft door gebrekkige smering en dat de auto niet volgens BMW-onderhoudsvoorschriften is onderhouden. Eiser vordert terugbetaling van de koopsom en schadevergoeding op grond van dwaling en subsidiair ontbinding wegens non-conformiteit.

De kantonrechter beoordeelt eerst het beroep op dwaling. Eiser stelt dat de auto op 15 januari 2019 voor het eerst aan een klant is geleverd en dat de motorolie en het oliefilter toen niet tijdig zijn vervangen, wat volgens BMW-voorschriften wel had moeten gebeuren. Gedaagde betwist dit en stelt dat de auto pas op 8 oktober 2021 aan eiser is geleverd en dat het onderhoud conform voorschriften is uitgevoerd, met verversing van olie en filter op 9 juni 2021.

De rechter oordeelt dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd dat de auto op 15 januari 2019 aan een klant is geleverd; de datum van eerste toelating is niet gelijk aan levering. Het onderhoud is volgens de rapportage van een deskundige conform voorschriften uitgevoerd. Het beroep op dwaling faalt daarom.

Subsidiair beoordeelt de rechter de ontbinding wegens non-conformiteit. Eiser stelt dat de motorgebreken al bij aflevering aanwezig waren, maar kan dit niet voldoende onderbouwen. De deskundigenrapporten wijzen op een motorgebrek door gebrekkige smering, maar de oorzaak is niet eenduidig en niet aantoonbaar bij levering. De vorderingen worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vorderingen van eiser worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van dwaling of non-conformiteit; de overeenkomst blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: 11692423 \ CV EXPL 25-1287
Vonnis van 10 december 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: F.C.W.M. van Raamsdonk,
tegen
[gedaagde], voorheen handelend onder de naam
[naam 1] ,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M.H. Adema.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 16 juli 2025,
- de mondelinge behandeling van 30 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] houdt zich onder meer bezig met de verkoop van personenauto’s.
2.2.
Vanaf april 2017 heeft [gedaagde] een BMW 640i Gran Coupe uit het bouwjaar 2017 (hierna: de auto) als showroommodel gebruikt.
2.3.
Op 15 januari 2019 is de auto op kenteken gezet (kenteken: [nummer 1] ).
2.4.
Op 21 mei 2019 en 9 juni 2021 heeft de auto een onderhoudsbeurt gehad. Daarbij zijn de olie en het oliefilter vervangen.
2.5.
Op 21 september 2021 heeft [gedaagde] de auto, met op dat moment een kilometerstand van 12.375, aan [eiser] verkocht voor een koopsom van € 59.880,00 (incl. btw). [eiser] heeft daarbij een andere auto, een BMW 428i GC met kenteken [nummer 2] ter waarde van € 21.880,00 bij [gedaagde] ingeruild.
2.6.
Op 8 oktober 2021 heeft [gedaagde] de auto geleverd aan [eiser] . Op dezelfde dag heeft [eiser] de nog openstaande koopsom van € 38.000,00 aan [gedaagde] betaald.
2.7.
Op 26 juni 2024 hoorde [eiser] tijdens het rijden een afwijkend geluid in de auto.
2.8.
Op 4 juli 2024 heeft [eiser] de auto per autoambulance naar BMW-dealer [naam 2] laten brengen voor onderzoek.
2.9.
Op 12 juli 2024 heeft [naam 2] de auto onderzocht. Zij heeft geconstateerd dat de drijfstanglager van de eerste cilinder defect is geraakt als gevolg van een gebrekkige smering. [naam 2] adviseert de gehele motor te vervangen en raamt de herstelkosten op een bedrag van € 20.652,12.
2.10.
Op 19 november 2024 heeft [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) de auto onderzocht. In de daarvan opgestelde rapportage d.d. 20 december 2025 is onder meer het volgende vermeld:
“(…)
Onderhoud bij lang (stil)staan.
Omtrent de BMW voorschriften bij voertuigen die lang staan voordat ze verkocht worden, gelden de volgende regels binnen de organisatie:
* Indien een auto langer dan 12 maanden op voorraad heeft gestaan, dient de motorolie en het oliefilter voor de aflevering aan de klant vervangen te worden, incl. SIA reset.
(…)
SCHADE-OORZAAK EN CONCLUSIE
Naar aanleiding van ons uitgevoerde technisch onderzoek, de bevindingen, het algehele aangetroffen schadebeeld alsmede de toedracht zijn wij van mening dat de beschadigingen aan de motor zijn ontstaan ten gevolge van een bepaalde vorm van gebrekkige smering. De schade, als eerst herkennend aan het tikkende bijgeluid, kon ontstaan, doordat de aanwezige hoeveelheid smeerolie op een bepaald moment onvoldoende van kwaliteit of in hoeveelheid is geweest om een optimale smering en koeling te verzorgen met de specifieke eerder omschreven abrasieve slijtage schade tot gevolg. Het drijfstanglager van de eerste cilinder is daarbij zelfs dusdanig beschadigd dat deze is uitgelopen, met de nodige omschreven inwendige mechanische motorschade tot gevolg.
Aan de motor werden door ons geen uitwendige lekkages vastgesteld. De oorzaak van achteruitgang van de kwaliteit of hoeveelheid van de motorolie is naar onze mening niet eenduidig, maar het gevolg van een mogelijke combinatie van factoren. De relatief lange onderhoudsinterval is onder andere afhankelijk van de rij- en gebruiksomstandigheden. Een, als normaal te beschouwen, bepaald inwendig olieverbruik kan tevens een oorzaak zijn van de afname van de hoeveelheid motorolie, waardoor tevens een achteruitgang van de kwaliteit van de motorolie kan ontstaan, die kan leiden tot de zogenaamde ‘kritische’ smering. Voor het beoordelen van een mogelijk inwendig olieverbruik zal de motor verder in delen gedemonteerd moeten worden!
In onze optiek kan op basis van aantoonbare feiten niet aangetoond worden dat de huidige motorschade is ingeleid, door de overschrijding (met 13 maanden) van de eerste verversing termijn van de motorolie medio april/mei 2019. Vanaf de eerste olie verversing op 21-05-2019 is zo’n 5 jaar en 50.000 km zonder motorische problemen met de BMW gereden. Wanneer de lager schade al in 2019 zou zijn ingeleid, was deze naar onze mening al eerder geopenbaard.
Conclusie:
Gelet op het voorstaande dient de oorzaak van deze inwendige motorschade te worden gezocht in een bepaald eigen gebrek van de motor. Omdat er geen sprake was van te weinig olie in de motor en het feit dat de cliënt geen directe invloed heeft op de bovenstaande feiten, de client als goede huisvader met het onderhoud is omgegaan, zijn wij van mening dat de schade ontstaan moet zijn buiten die directe invloedsfeer van de cliënt.
OVERIGE INFORMATIE
Hieronder geven wij antwoord op de vragen, welke in onze opdracht worden gesteld.
(…)
Vraag 3:
Kunt u nagaan of de motorolie van het voertuig tijdig is ververst? Indien dit niet het geval blijkt te zijn, is het aannemelijk dat hierdoor de gebreken aan het voertuig zijn ontstaan?
Antwoord:
Uit de beschikbare informatie blijkt dat het onderhoud conform de voorschriften is uitgevoerd. De overschrijding, medio april/mei 2019, verstoord de historie, maar is naar onze mening, gezien de verstekend tijdspanne en de gepresenteerde kilometers hierna, te verwaarlozen in het optreden van deze inwendige motorschade. (…)
Vraag 4:
Kunt u vaststellen of de toleranties van de gebruikte lager-schalen BMW-conform zijn c.q. of er constructieve fouten in de motor waarneembaar zijn?
Antwoord:
Omdat het schadebeeld aan de krukas duidt op een bepaalde vorm van gebrekkige smering, hebben wij hier verder geen onderzoek naar uitgevoerd. Tevens zal hiervoor de motor compleet in delen gedemonteerd dienen te worden en zullen de metingen hiervoor uitgevoerd moeten worden door een gespecialiseerd motoren revisiebedrijf.
(…)”
2.11.
Bij brief van 29 januari 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] aan [gedaagde] bericht dat [eiser] een gebrek aan motor van de auto heeft geconstateerd en dat de auto daarom niet de eigenschappen bezit die [eiser] op grond van de overeenkomst mocht verwachten. [gedaagde] is in de brief aansprakelijk gesteld voor de gestelde (gevolg)schade ter hoogte van € 7.477,15 PM en zij is gesommeerd om over te gaan tot kosteloos herstel van de gebreken aan de auto en tot betaling van de schade.
2.12.
Bij e-mail van 7 februari 2025 heeft [naam 3] , After-Sales Directeur van [gedaagde] , aan de gemachtigde van [eiser] bericht dat [gedaagde] geen gevolg geeft aan de sommatie van 29 januari 2025.
2.13.
Bij brief van 19 februari 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] aan [gedaagde] bericht dat, kort gezegd, er een onjuiste voorstelling van zaken door [gedaagde] is gecreëerd en dat [eiser] de overeenkomst primair vernietigt op grond van dwaling en subsidiair ontbindt wegens non-conformiteit van de auto.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert, samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen:
primair:
1. tot betaling aan [eiser] van een bedrag van in totaal € 69.019,45 (€ 59.880,00 + € 1.662,30 + € 4.685,68 + € 2.791,47), vermeerderd met de wettelijke rente over € 59.880,00,
subsidiair
2. tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 46.774,70 (€ 38.000,00 + € 1.397,55 + € 4.685,68 + € 2.791,47), vermeerderd met de wettelijke rente,
3. [gedaagde] zal veroordelen tot teruggave van de ingeruilde BMW aan [eiser] in de staat waarin deze auto zich op 8 oktober 2021 bevond, binnen veertien dagen na het gewezen vonnis op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per dag dat de teruggave van de auto in dezelfde staat als op 8 oktober 2021 niet plaatsvindt met een maximum van € 60.000,00,
alsmede [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[eiser] vordert in deze procedure, kort gezegd, terugbetaling van de koopsom van de auto en betaling van diverse schadeposten. [eiser] legt aan deze vordering ten grondslag dat hij de overeenkomst tussen partijen bij brief van 19 februari 2025 primair buitengerechtelijk heeft vernietigd wegens dwaling en subsidiair buitengerechtelijk heeft ontbonden wegens non-conformiteit. Hierna zal worden beoordeeld of [eiser] de overeenkomst tussen partijen rechtsgeldig heeft vernietigd, dan wel heeft ontbonden.
Primair: vernietiging wegens dwaling
4.2.
Op grond van artikel 6:228 lid 1 is Pro een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling vernietigbaar. Voor een succesvol beroep op dwaling is vereist dat sprake is van een onjuiste voorstelling van zaken op grond waarvan een overeenkomst is aangegaan en dat deze overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken niet of niet op dezelfde voorwaarden zou zijn gesloten. Verder is vereist dat sprake is van één van de drie dwalingsgevallen uit artikel 6:228 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
4.3.
[eiser] stelt dat sprake is van een onjuiste voorstelling van zaken omdat de auto voorafgaand aan de levering nalatig is onderhouden. Volgens de voorschriften van BMW moet bij een auto die langer dan twaalf maanden heeft stilgestaan de olie en het oliefilter worden vervangen voorafgaand aan de levering van de auto aan een klant. In dit geval heeft de auto, zo stelt [eiser] , in de periode van 19 april 2017 tot en met 15 januari 2019 op voorraad gestaan. Vervolgens is de auto op 15 januari 2019 voor het eerst aan een klant geleverd. Voorafgaand aan deze levering is de motorolie en het oliefilter van de auto niet vervangen. Dit is pas gebeurd na 25 maanden en 4.669 gereden kilometers. Hiermee heeft het onderhoud niet volgens de officiële BMW-voorschriften plaatsgevonden, aldus [eiser] .
4.4.
[gedaagde] betwist dat het onderhoud aan de auto niet volgens de voorschriften van BMW is uitgevoerd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de auto in januari 2019, nadat de auto vanaf april 2017 als showroomauto is gebruikt, op kenteken is gezet. Vervolgens is de auto pas in oktober 2021 voor het eerst geleverd aan een klant (aan [eiser] ). Daaraan voorafgaand heeft de auto een onderhoudsbeurt met verversing van motorolie en oliefilter gehad, namelijk op 9 juni 2021. De auto heeft voorts vanaf het moment waarop de auto is gefabriceerd (april 2017) telkens om de twee jaar en binnen een toelaatbare afwijkingsmarge van 10% een onderhoudsbeurt gehad, namelijk op 21 mei 2019 en op 9 juni 2021. Daarbij is de auto voorzien van nieuwe motorolie en een nieuw oliefilter. Hiermee is voldaan aan de fabrieksvoorschriften die voorschrijven dat de auto om de 30.000 kilometer of om de twee jaar een onderhoudsbeurt moet krijgen en dat een maximale afwijking van 10% voor zowel de kilometers als het tijdsbestek wordt getolereerd, aldus [gedaagde] .
4.5.
Partijen verschillen kennelijk van mening over de vraag op welke datum de auto voor het eerst aan een klant is geleverd, op 15 januari 2019 zoals [eiser] stelt of op 8 oktober 2021 zoals [gedaagde] stelt. Dit is relevant voor de beoordeling van de vraag of het onderhoud van de auto voorafgaand aan de levering aan [eiser] overeenkomstig de voorschriften van BMW is uitgevoerd. Volgens de voorschriften van BMW moeten de olie en het oliefilter namelijk voorafgaand aan de levering van de auto worden vervangen als de auto langer dan twaalf maanden op voorraad heeft gestaan. Tussen partijen staat vast dat in dit geval de olie en het oliefilter van de auto voor het eerst op 21 mei 2019 zijn vervangen en dat de auto daarvoor langer dan twaalf maanden op voorraad heeft gestaan. Dit betekent dus dat als vast komt te staan dat de auto op 15 januari 2019 voor het eerst aan een klant is geleverd, de auto in dat geval niet volgens de voorschriften van BMW is onderhouden omdat dan de olie en het oliefilter niet tijdig zijn vervangen.
4.6.
Waar het [eiser] is die stelt dat de auto voor het eerst op 15 januari 2019 aan een klant is geleverd, ligt het, gelet op de gemotiveerde betwisting van die stelling door [gedaagde] , op zijn weg die stelling te onderbouwen. [eiser] heeft dat onvoldoende gedaan. Hij heeft verwezen naar pagina 5 van de rapportage van 19 november 2024 van [bedrijf 1] (zie hiervoor 2.10.) waarin is vermeld dat de datum van de eerste toelating 15 januari 2019 is. Anders dan [eiser] stelt, blijkt hieruit niet dat de auto op deze datum ook voor het eerst aan klant is geleverd. De datum van eerste toelating is namelijk de datum waarop een auto voor het eerst op kenteken is geregistreerd en is toegelaten op de openbare weg. Dit betekent dus niet dat de auto op die datum ook aan een klant is geleverd. [eiser] heeft de stelling dat de auto op 15 januari 2019 voor het eerst aan een klant is geleverd, ook niet met andere stukken of concrete feiten onderbouwd. Integendeel, uit de rapportage van [bedrijf 1] blijkt juist dat volgens [bedrijf 1] uit de beschikbare informatie volgt dat het onderhoud aan de auto conform de voorschriften is uitgevoerd. Niet gebleken is dan ook dat de auto voorafgaand aan de levering aan [eiser] niet volgens de voorschriften van BMW is onderhouden omdat de olie en het oliefilter niet voor 15 januari 2019 zijn vervangen.
4.7.
[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling nog aangevoerd, althans zo worden zijn stellingen begrepen, dat ook voor showroommodellen – voor welk doel de auto in dit geval een tijd is gebruikt – geldt dat de motorolie en het oliefilter elke twaalf maanden moeten worden vervangen, ongeacht de vraag of de auto aan een klant is geleverd. [eiser] heeft deze stelling, hoewel dit op zijn weg had gelegen, onvoldoende onderbouwd. [eiser] heeft verwezen naar de rapportage van [bedrijf 1] maar daarin is door [bedrijf 1] alleen aangegeven dat – zoals hiervoor ook is weergegeven – volgens de voorschriften van BMW de motorolie en het oliefilter
voor de aflevering aan de klantmoeten worden vervangen als de auto langer dan twaalf maanden op voorraad heeft gestaan. Er moet dus wel sprake zijn van een levering. Niet in geschil is dat [gedaagde] zich aan voormeld voorschrift heeft gehouden. Uit de hiervoor uiteenzette feiten blijkt namelijk dat de auto op 8 oktober 2021 voor het eerst is geleverd (aan [eiser] ) en dat op 9 juni 2021, dus binnen twaalf maanden voorafgaand aan de levering, de olie en het oliefilter van de auto zijn vervangen.
4.8.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet is gebleken dat de auto voorafgaand aan de levering aan [eiser] nalatig is onderhouden. [eiser] heeft zijn stellingen op dit punt onvoldoende onderbouwd, zodat niet aan bewijslevering wordt toegekomen. Van een onjuiste voorstelling van zaken is dus geen sprake terwijl dit wel is vereist voor een succesvol beroep op dwaling. Het beroep op dwaling faalt daarom. Dit heeft tot gevolg dat [eiser] de overeenkomst tussen partijen niet rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft vernietigd.
Subsidiair: ontbinding wegens non-conformiteit
4.9.
[eiser] heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de overeenkomst tussen partijen is ontbonden omdat de auto niet aan de koopovereenkomst beantwoordt als bedoeld in artikel 7:17 lid 1 BW Pro.
4.10.
Op grond van artikel 7:17 lid 2 BW Pro beantwoordt een afgeleverde zaak (in dit geval de auto) niet aan de koopovereenkomst als de zaak, mede gelet op de aard daarvan en de mededelingen die de verkoper daarover heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag in elk geval verwachten dat het afgeleverde de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien.
4.11.
Tussen partijen is niet in geschil dat de auto een defecte drijfstanglager en mechanische motorschade heeft en dat als gevolg van deze gebreken zonder reparatie niet met de auto kan worden gereden. Partijen verschillen van mening over de vraag of de oorzaak van deze gebreken al aanwezig was bij levering van de auto op 8 oktober 2021 of dat oorzaak van de gebreken pas hierna is ontstaan.
4.12.
[eiser] stelt dat moet worden aangenomen dat de gebreken al aanwezig waren bij aflevering van de auto omdat de oorzaak van de motorschade moet worden gezocht in een specifiek eigen gebrek van de motor en de gebreken zijn ontstaan buiten de directe invloedssfeer van [eiser] .
4.13.
[gedaagde] betwist dat de oorzaak van de gebreken al bij aflevering aanwezig was. Zij voert daartoe aan dat de auto pas gebreken is gaan vertonen na drie jaar gebruik en ruim 40.000 gereden kilometers sinds de levering. Van enig defect ten tijde van de levering kan daarom geen sprake zijn, aldus [gedaagde] .
4.14.
De stelplicht en bewijslast van de stelling dat de oorzaak van de gebreken aan de motor van de auto reeds bij levering van de auto aanwezig was, rusten op [eiser] omdat hij zich op de rechtsgevolgen van die stelling beroept. [eiser] heeft in dit verband verwezen naar de rapportage van [bedrijf 1] , meer in het bijzonder naar deze alinea in de rapportage:
“(…)
Gelet op het voorstaande dient de oorzaak van deze inwendige motorschade te worden gezocht in een bepaald eigen gebrek van de motor. Omdat er geen sprake was van te weinig olie in de motor en het feit dat de cliënt geen directe invloed heeft op de bovenstaande feiten, de client als goede huisvader met het onderhoud is omgegaan, zijn wij van mening dat de schade ontstaan moet zijn buiten die directe invloedsfeer van de cliënt.
(…)”
4.15.
De kantonrechter is van oordeel dat deze conclusie van [bedrijf 1] onvoldoende is gemotiveerd en ook niet voortvloeit uit de overige door [bedrijf 1] in de rapportage vermelde bevindingen. Daaruit blijkt dat de schade aan de motor is ontstaan als gevolg van een bepaalde vorm van gebrekkige smering. Dit gebrek aan smering is volgens [bedrijf 1] veroorzaakt doordat de aanwezige smeerolie op een bepaald moment onvoldoende van kwaliteit of hoeveelheid is geweest om een optimale smering en koeling te verzorgen, maar de precieze oorzaak hiervan is door [bedrijf 1] niet achterhaald. [bedrijf 1] heeft de kwaliteit van de door [naam 2] opgevangen motorolie niet kunnen onderzoeken omdat die olie niet was opgevangen bij de demontagewerkzaamheden. [bedrijf 1] heeft ook geen onderzoek gedaan naar het inwendig olieverbruik, hetgeen volgens haar een oorzaak kan zijn voor afname van de hoeveelheid motorolie. Evenmin heeft [bedrijf 1] de motor laten demonteren om eventuele constructieve fouten in de motor op te sporen. [bedrijf 1] heeft wel uitgesloten dat het gebrek aan smering is ontstaan als gevolg van uitwendige lekkages aan de motor of een gebrekkige oliepomp. Ook kan de motorschade volgens [bedrijf 1] niet zijn ingeleid door een overschrijding van de eerste verversingsstermijn van de olie in april/mei 2019 omdat vanaf dat moment zo’n vijf jaar en 50.000 kilometer met de auto is gereden en de schade aan de drijfstanglager dan al eerder was geopenbaard. In het licht van deze omstandigheden wordt geen waarde gehecht aan de conclusie van [bedrijf 1] dat sprake is van een eigen gebrek van de motor. Deze conclusie kan daarom niet bijdragen aan de onderbouwing van de stelling dat sprake is van een eigen gebrek aan de motor dat reeds op 8 oktober 2021 aanwezig was.
4.16.
Door [eiser] zijn ook verder geen concrete feiten naar voren gebracht of stukken overgelegd waaruit blijkt dat de oorzaak van de gebreken aan de motor van de auto al bij aflevering aanwezig was. Daarmee heeft [eiser] zijn stellingen op dit punt onvoldoende onderbouwd, zodat niet aan bewijslevering wordt toegekomen. Niet gebleken is dan ook dat de auto ten tijde van de aflevering niet aan de koopovereenkomst beantwoordde. Dit betekent dat van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door [gedaagde] geen sprake is. De overeenkomst tussen partijen is daarom niet rechtsgeldig buitengerechtelijk ontbonden.
4.17.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de overeenkomst van 21 september 2021 in stand is gebleven. Voor toewijzing van de gevorderde terugbetaling van de koopsom van de auto bestaat daarom grondslag. Evenmin bestaat grondslag voor toekenning van de door [eiser] gevorderde schadeposten omdat niet is gebleken dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. De vorderingen van [eiser] zullen daarom worden afgewezen.
4.18.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden vastgesteld en begroot op:
- salaris gemachtigde
1.630,00
(2 punten × € 815,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.765,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.765,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. Sijsma en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.
lt