ECLI:NL:RBGEL:2025:11270

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
132760-19
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging van de PIJ-maatregel met één jaar na vordering van de officier van justitie

Op 16 december 2025 heeft de Rechtbank Gelderland een beschikking uitgesproken over de verlenging van de PIJ-maatregel voor een jeugdige, hierna aangeduid als betrokkene. De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie om de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel met één jaar te verlengen, toegewezen. Betrokkene heeft zich niet verzet tegen deze verlenging. De PIJ-maatregel was eerder opgelegd wegens poging tot doodslag en is sindsdien meerdere keren verlengd. De rechtbank heeft in haar overwegingen rekening gehouden met de adviezen van deskundigen en de voortgang van betrokkene in zijn behandeling. Betrokkene is gediagnosticeerd met schizofrenie en een autismespectrumstoornis, en heeft ondersteuning nodig bij zijn resocialisatie. De rechtbank concludeert dat de verlenging van de voorwaardelijke beëindiging noodzakelijk is voor de stabiliteit van betrokkene en om de kans op recidive te verkleinen. De rechtbank heeft de termijn van de voorwaardelijke beëindiging verlengd tot 30 november 2026, waarbij de wettelijke bepalingen zijn gevolgd.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
parketnummer : 05-132760-19
Datum uitspraak : 16 december 2025
Beschikking op de vordering tot verlenging van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken ex 77ta lid 2 Wetboek van Strafrecht jo artikel 6:6:32 Wetboek van Strafvordering.
in de strafzaak tegen de verdachte:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] , [postcode] [plaats 1] .
Raadsvrouw mr. P.W.E. Hoezen, advocaat in Winterswijk.

Procedure

De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft bij vonnis van 18 december 2019 aan
betrokkene de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: de PIJ-
maatregel) opgelegd. Betrokkene is bij dit vonnis veroordeeld voor poging tot doodslag.
De termijn van de maatregel is, na arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9
juni 2020, ingegaan op 24 juni 2020.
Bij beschikking van 12 juli 2022 heeft de rechtbank de PIJ-maatregel met 24 (vierentwintig)
maanden verlengd.
Bij beschikking van 18 juni 2024 heeft de rechtbank de PIJ-maatregel met 6 (zes) maanden
verlengd. Bij beslissing van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 november 2024 heeft het gerechtshof deze beslissing van de rechtbank Gelderland vernietigd en de maatregel tot plaatsing in een justitiële jeugdinrichting voor 6 (zes) maanden verlengd.
De officier van justitie heeft op 28 oktober 2024 de vordering ingediend tot verlenging van
de PIJ-maatregel met 3 (drie) maanden. Bij beschikking van 24 december 2024 heeft de rechtbank de vordering van de officier van justitie afgewezen, zodat van rechtswege de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel met ingang van 30 november 2024 voor de duur van een jaar is gaan lopen.
De officier van justitie heeft op 15 oktober 2025 de vordering ingediend tot verlenging van de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel met een (1) jaar.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de processtukken, waaronder:
  • het voortgangsverslag van het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering van 26 mei 2025
  • het tweede voortgangsverslag van het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering van 3 juli 2025;
  • het verlengingsadvies PIJ van het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering van 9 oktober 2025;
  • een afschrift van de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van betrokkene.
Tijdens de zitting van 2 december 2025 zijn gehoord:
  • betrokkene;
  • zijn raadsvrouw;
  • de deskundige P.J.W. van der Haghen (reclasseringswerker bij Leger des Heils Jeugdbescherming & reclassering);
  • de officier van justitie.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de vordering toegelicht en heeft deze gehandhaafd.

Het standpunt van betrokkene

De verdediging heeft zich niet verzet tegen verlenging van de voorwaardelijke beëindiging. De forensische titel maakt het voor betrokkene mogelijk om op de huidige woonplek te blijven. Het contact met de reclassering is van toegevoegde waarde voor betrokkene.

Het advies van deskundigen

Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering
Betrokkene is gediagnosticeerd met schizofrenie, een autismespectrumstoornis en een stoornis in cannabisgebruik in vroege remissie. Binnen de behandeling van betrokkene is aandacht geweest voor het sociale systeem van betrokkene, medicatiegebruik, middelenabstinentie, psycho-educatie en het versterken van zijn zelfbeeld. Deze behandeling is grotendeels goed verlopen.
In de tweede helft van 2024 is een voorgenomen STP (Scholings- en Trainingsprogramma) niet van de grond gekomen, omdat een passende verblijfsplek ontbrak en er moeilijkheden waren op het gebied van financiering. Sinds 21 mei 2025 heeft betrokkene een eigen studio bij [begeleid wonen] in [plaats 1] . Hij ontvangt ambulante woonbegeleiding. De medicamenteuze behandeling is ondergebracht bij forensische polikliniek Fivoor in Tilburg.
Betrokkene stelt zich deels begeleidbaar op en toont zich gemiddeld gemotiveerd, waarbij hij geneigd is zichzelf te overschatten. Betrokkene behoudt graag zelf regie en blijft het zeer lastig vinden om hulp en ondersteuning te accepteren. Door het begeleidingsteam van [begeleid wonen] wordt betrokkene ervaren als een gesloten persoon met wie moeilijk ‘in verbinding’ is te komen. Betrokkene deelt weinig wat er in hem omgaat en ervaart externe hulp al zeer snel als bemoeizuchtig en niet nodig. Hij vindt dat hij zijn eigen boontjes moet doppen. Deze aspecten in combinatie met een in de basis wantrouwende houding naar hulpverlening en de lage informatieverwerkingssnelheid maken het samenwerken met betrokkene moeilijk en het traject een uitdaging. Voor het begeleidingsteam van [begeleid wonen] doet het vervolgens dan weer twijfels rijzen of betrokkene op de juiste en best passende plek zit. Investeringen van de reclassering, denk hierbij aan uitleg over de vastgestelde pathologie en bejegeningsadviezen, zijn vervolgens nodig om te bemiddelen en het traject bij te sturen.
Betrokkene wil het liefst zo snel mogelijk zelfstandig wonen, zonder PIJ-kader en bij voorkeur met zo min mogelijk inzet vanuit hulpverlening. Echter, de inschatting is dat betrokkene voorlopig nog een vorm van ondersteuning en begeleiding nodig heeft. Voor het vergroten van zijn autonomie en zelfredzaamheid heeft betrokkene het nodig dat hij nog meer kan oefenen om op ‘eigen benen te staan’ in de huidige omgeving. Ondersteuning op praktische zaken als administratie, werk en financiën zijn nog noodzakelijk, om meer stabiliteit op deze leefgebieden en financiële zekerheid te bewerkstelligen. De reclassering vindt het dan ook van belang om focus te houden op hoe betrokkene zo goed mogelijk -
in plaats van zo snel mogelijk - kan toewerken naar een afronding van de PIJ-maatregel.
Binnen het huidige kader van de PIJ-maatregel worden de risico’s op (gewelds)recidive ingeschat als gemiddeld indien er sprake is van extern risicomanagement, begeleiding met forensische scherpte, consequente inname van medicatie en abstinentie van middelen. De voortzetting van het huidige kader wordt als noodzakelijk gezien om de leefgebieden nog meer gestabiliseerd te krijgen en een nazorgtraject, dat kan fungeren als vangnet bij een afwikkeling van de PIJ-maatregel, verwezenlijkt te krijgen. Mocht de PIJ-maatregel beëindigd worden, zullen de risico’s op medicatiemisbruik, destabilisatie, teloorgang en recidive waarschijnlijk toenemen.
Het advies luidt om de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel met één jaar te verlengen. Het is niet nodig om de voorwaarden aan te passen.

De toelichting van de deskundige tijdens de zitting

Betrokkene is gestopt met werken. Hij heeft zich ingezet om werk te vinden en heeft meerdere baantjes gehad. Hij werkt nu niet meer. Omdat er meer schulden bleken te zijn dan aanvankelijk werd gedacht, ontvangt betrokkene op dit moment een uitkering zodat hij een inkomen heeft. Betrokkene heeft de wens om naar school te gaan of een opleiding te volgen. Hij wil graag aan de slag. De reclassering is nog aan het zoeken hoe dat het beste kan worden vormgegeven. Betrokkene zou meer kunnen ondernemen voor zinvolle dagbesteding (bijvoorbeeld in de vorm van vrijwilligerswerk) dan hij op dit moment laat zien. Betrokkene heeft niet veel veranderwensen.
Er is een verschil in visie ten aanzien van de medicatie. Betrokkene neemt de medicatie enkel omdat het is voorgeschreven. Het professionele netwerk gaat uit van een risicoverlagend effect van de medicatie. Betrokkene is de medicatie in overleg met zijn arts aan het afbouwen waarbij op dit moment onduidelijk is of volledig afbouwen mogelijk en wenselijk is. Zijn wens is om de medicamenteuze behandeling onder te brengen bij de huisarts, maar de reclassering wil graag Fivoor behouden.
Het wonen gaat goed. Betrokkene heeft tijd nodig om in contact te komen met de woonbegeleiding. Het is nuttig voor betrokkene om dat contact langer te houden.
De begeleiding is ook op afstand mogelijk. Als de maatregel wordt beëindigd raakt de woonplek verloren. De financiering wordt op dit moment gedaan door de gemeente, maar zal in de toekomst worden gefinancierd vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO). De reclassering wil het komende jaar gebruiken om de afwikkeling te regelen en een vangnet te creëren.

De beoordeling door de rechtbank

Voor de verlenging van de voorwaardelijke beëindiging zijn in de wet USB (wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen) geen criteria opgenomen.
Het stelsel van voorwaardelijke beëindiging is ingevoerd om te voorzien in een periode van nazorg aansluitend aan het verblijf van de jeugdige in een inrichting. Deze periode staat in het teken van een goede terugkeer van de jeugdige in de maatschappij, om op deze wijze de resultaten zeker te stellen van de behandeling en resocialisatie die heeft plaatsgevonden onder de vigeur van de maatregel. De instrumenten van terugplaatsing in de inrichting, stellen van bijzondere voorwaarden en verlenging van de duur van de voorwaardelijke beëindiging staan ten dienste van dit doel. Onder andere vormen zij een dwingend kader om de jeugdige tot medewerking aan het nazorgtraject te bewegen en in zoverre zijn zij sancties op een gebrek aan medewerking. Aspecten die ook bij de verlenging van de maatregel een rol spelen, zoals recidivegevaar en het belang van de ontwikkeling van de jeugdige, zijn daarbij van belang, maar niet noodzakelijkerwijs bepalend (ECLI:NL:GHARL:2020:4991).
Naar het oordeel van de rechtbank is voor een goede afwikkeling van de PIJ-maatregel de verlenging van de voorwaardelijke beëindiging vereist. Tussen betrokkene en de hulpverlening is sprake van een groeiend positief contact. Het behoud van dit contact is belangrijk voor betrokkene, omdat het hem in staat stelt zijn autonomie en zelfredzaamheid te vergroten en omdat hij hulp ontvangt bij praktische zaken als administratie, werk en financiën. Dit draagt bij aan een grotere kans op een geslaagde resocialisatie van betrokkene. Bij de beslissing tot verlenging van de voorwaardelijke beëindiging speelt een rol dat betrokkene bij beëindiging van de PIJ-maatregel niet langer op zijn huidige woonplek zal kunnen verblijven. Het juiste vangnet om een goede terugkeer in de maatschappij te bevorderen is nog niet gevonden. Hiervoor is nog tijd nodig. Verder speelt een rol dat betrokkene niet overtuigd is van het belang om medicatie te nemen en van het risicoverlagende effect van deze medicatie. Als het huidige kader stopt, neemt het risico op recidive toe. De (bijzondere) voorwaarden die op dit moment gelden, moeten daarom worden voortgezet.
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel moet worden verlengd met een termijn van een (1) jaar.
Op grond van artikel 6:6:31, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering moet de rechtbank in de beslissing tot verlenging van de maatregel aangeven wanneer de maatregel (na verlenging) onvoorwaardelijk eindigt. De voorwaardelijke beëindiging is op 30 november 2024 gaan lopen voor de duur van een (1) jaar en zou eindigen op 30 november 2025.
De rechtbank verlengt de voorwaardelijke beëindiging nu met een termijn van een (1) jaar. Hierdoor eindigt de maatregel onvoorwaardelijk op 30 november 2026.
De rechtbank merkt op dat zij bij de berekening van deze data heeft aangesloten bij artikel 88 van het Wetboek van Strafrecht, waaruit volgt dat onder een maand wordt verstaan 30 dagen en dat zij zich bij die berekening heeft gebaseerd op de stukken die zich nu in het dossier bevinden.
De rechtbank neemt bij haar beslissing de desbetreffende wetsartikelen in aanmerking.

Beslissing

De rechtbank:
verlengtde voorwaardelijke beëindiging van de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen van
[betrokkene], voornoemd, voor een periode van
een (1) jaar.
Deze beschikking is door mr. D.S.M. Bak, voorzitter en kinderrechter, mr. I.D. Jacobs en mr. R. Raat, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Damen, griffier en uitgesproken tijdens de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 december 2025.