ECLI:NL:RBGEL:2025:11285

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
ARN 24/2542 en 24/2775
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Handhaving tegen het aan de openbaarheid onttrekken van een wandelpad en de ontvankelijkheid van bezwaarschriften

In deze zaak hebben eisers verzocht om handhaving tegen het aan de openbaarheid onttrekken van een wandelpad. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oude IJsselstreek heeft de bezwaarschriften van eisers niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij volgens het college geen belanghebbende zijn. De rechtbank Gelderland oordeelt echter dat het college deze beslissing ten onrechte heeft genomen. Eisers wonen in de nabijheid van het pad en hebben zicht op het pad, waardoor zij niet uitgesloten kunnen worden van het belang bij de handhaving. De rechtbank vernietigt de beslissingen op bezwaar en draagt het college op om opnieuw te beslissen op de bezwaarschriften van eisers. De uitspraak benadrukt het belang van de definitie van belanghebbende in het bestuursrecht en de gevolgen van de afsluiting van het pad voor de eisers.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 24/2542 en 24/2775

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaken tussen

[eiser 1], uit [plaats],

[eiser 2], uit [plaats], eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oude IJsselstreek

(gemachtigde: J.M. Kaauwen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij 1] en [derde-partij 2]uit [plaats] (derde-partij).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het niet-ontvankelijk verklaren van de bezwaarschriften van eisers tegen de besluiten tot afwijzing van hun verzoeken om handhaving over het niet meer toegankelijk zijn van een wandelpad. Eisers zijn het niet eens met de niet-ontvankelijkheidverklaringen van hun bezwaarschriften en de afwijzing van hun handhavingsverzoeken. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit om het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk te verklaren.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de bezwaarschriften van eisers ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of eisers belanghebbende zijn bij hun verzoek om handhaving. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eisers hebben bij brieven van 29 juni 2023 en 12 juli 2023 het college verzocht om handhavend op te treden tegen het volgens hen aan de openbaarheid onttrekken van het [naam pad] in [plaats]. Het college heeft de verzoeken in de besluiten van 18 september 2023 afgewezen omdat het volgens het college geen verzoek op het gebied van bestuursrechtelijke handhaving betreft. In de beslissingen op bezwaar van 20 maart 2024 heeft het college de bezwaarschriften van eisers niet-ontvankelijk verklaard en de motivering van de afwijzing van de handhavingsverzoeken aangepast omdat eisers niet voldoen aan de criteria om aangemerkt te worden als belanghebbende. Daarnaast heeft het college aangegeven dat het [naam pad] geen openbare weg is.
2.1.
Eisers hebben allebei beroep ingesteld tegen de aan hen gerichte beslissingen op bezwaar.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 28 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eisers deelgenomen. Namens het college is gemachtigde verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

3. Omdat het college de bezwaarschriften van eisers niet-ontvankelijk heeft verklaard kan de rechtbank alleen beoordelen of het college dit terecht heeft gedaan. De rechtbank laat zich uitdrukkelijk dus niet uit over de vraag of het [naam pad] een openbare weg is.
Zijn eisers belanghebbende bij hun verzoeken om handhaving?
4. Eisers voeren aan dat het college ten onrechte hun bezwaarschriften niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat zij geen belanghebbende zouden zijn. Eisers voeren aan dat zij wel belanghebbende zijn. Eisers voeren aan dat zij in de nabijheid van het [naam pad] wonen en er zicht op hebben. Daarnaast maken eisers al jaren gebruik van het [naam pad] om via deze korte route achterburen en vrienden aan de [locatie 1] te bezoeken. Door het afsluiten van het pad is die mogelijkheid eisers ontnomen en worden zij gedwongen altijd een omweg te maken. Eisers geven aan dat het oostelijke gedeelte van het [naam pad] in eerste instantie een aantal jaren geleden is verplaatst door de derde-partij en later is afgesloten door de derde-partij.
Toetsingskader
5. In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. [1]
5.1.
Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de rechtbank naar verschillende factoren, zoals afstand tot en zicht op de weg. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
Standpunt van het college
6. Het college heeft zich in de beslissing op bezwaar op het standpunt gesteld dat eisers geen belanghebbende zijn omdat het voor recreatieve doeleinden gebruik willen maken van het pad geen persoonlijk belang is dat zich in voldoende mate onderscheid van anderen die ook van het pad gebruik willen maken. Daarnaast heeft het college in het verweerschrift aangegeven dat omrijdtijd niet maakt dat eisers belanghebbende zijn. Volgens het college ervaren eisers geen gevolgen van enige betekenis omdat eisers op een afstand van ten minste 100 meter van het betreffende pad wonen en zij geen direct zicht op het pad of de afsluiting daarvan hebben. De afsluiting (momenteel een paar struiken) heeft bovendien geen ruimtelijke uitstraling die hun woon- of leefomgeving rechtstreeks raakt. Ook als er al zicht zou bestaan op (de afsluiting van) het pad, dan is de (ruimtelijke) uitstraling op de woonomgeving van eisers volgens het college nihil en levert dat geen gevolg van enige betekenis op.
6.1.
Het enige gevolg van het besluit betreft volgens het college het moeten kiezen van een alternatieve route om vrienden te bezoeken. Het college stelt dat de gestelde omweg (als er als sprake is van een omweg) zeer beperkt is. Het betreft een algemeen ongemak dat ook andere omwonenden of gebruikers kunnen ondervinden, zonder concrete of aantoonbare invloed op de persoonlijke leefsituatie van eisers. Het recreatief gebruik van het pad of de wens om sneller bij vrienden te komen, is volgens het college onvoldoende om belanghebbendheid in de zin van de Awb aan te nemen.
Oordeel rechtbank
5.1.
De rechtbank oordeelt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers geen belanghebbenden zijn. [eiser 2] woont op het perceel [locatie 2] in [plaats]. [eiser 1] woont op het perceel [locatie 3] in [plaats]. Beide eisers wonen hemelsbreed op minder dan 75 meter van het [naam pad]. Daarnaast is de loopafstand over de weg naar het begin van het [naam pad] dat nu nog toegankelijk is (ter hoogte van de molen) ongeveer 80 meter voor [eiser 2] en 230 meter voor [eiser 1]. Het [naam pad] liep bovendien over de percelen van twee grondeigenaren. Het nog steeds openbaar toegankelijk gedeelte van het [naam pad] ligt op de grond dat mede in eigendom is van de partner van [eiser 1]. Daardoor had hij tot het werd afgesloten de mogelijkheid het [naam pad] te bereiken vanuit zijn achtertuin. Vanuit de achtertuin gemeten is de kortste afstand tot het nog toegankelijk deel van het [naam pad] voor [eiser 1] ook slechts 75 meter. Het college heeft dit niet onderkend. Ook hebben eisers wel zicht op het pad vanaf de achterzijde van hun perceel. Ter zitting is verder aangegeven dat eisers veelvuldig gebruik maakten van het [naam pad]. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat eisers door de afsluiting van het [naam pad] (een pad in de directe omgeving van hun woning) gevolgen van enige betekenis ondervinden en ter discussie moeten kunnen stellen of de afsluiting daarvan wel is toegestaan. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen. Het college heeft het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank vernietigt de beslissingen op bezwaar van 20 maart 2024, voor zover daarbij de bezwaarschriften van eisers niet-ontvankelijk zijn verklaard en zal het college opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en inhoudelijk te beslissen op de bezwaarschriften van eisers.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan beide eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt de beslissingen op bezwaar van 20 maart 2024;
  • draagt het college op nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat het college het door eisers allebei betaalde griffierecht van € 187 aan hen allebei vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid
van mr. M.H. Dijkman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271.