ECLI:NL:RBGEL:2025:11290
Rechtbank Gelderland
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen te hoog geheven griffierecht in verdelingszaak nalatenschap
In deze zaak heeft verzoeker verzet aangetekend tegen het door de griffier geheven griffierecht van €2.723,00 in een bodemprocedure over de verdeling van een nalatenschap. De griffier had het griffierecht vastgesteld op basis van een vordering van bepaalde waarde, namelijk een schuld van €174.835,00 die aan het erfdeel van verzoeker zou worden toegerekend.
Verzoeker betoogde dat het hier een zaak van onbepaalde waarde betreft, omdat de vordering niet strekt tot betaling van een geldsom maar tot vaststelling van de verdeling en verrekening binnen de nalatenschap. De rechtbank oordeelde dat de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) strikt moet worden uitgelegd en dat alleen bij vorderingen die daadwerkelijk betaling van een geldsom beogen, het griffierecht op basis van de waarde van die vordering kan worden vastgesteld.
De rechtbank stelde vast dat de eisers in de bodemprocedure geen geldsom vorderen, maar een verklaring voor recht over de verdeling. Daarom is het griffierecht voor onbepaalde waarde van toepassing, zijnde €331,00. Het teveel betaalde bedrag van €2.392,00 wordt terugbetaald aan de advocaat van verzoeker. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en is op 28 november 2025 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het verzet tegen het te hoog geheven griffierecht wordt gegrond verklaard en het griffierecht wordt vastgesteld op het tarief voor onbepaalde waarde.