ECLI:NL:RBGEL:2025:11295

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
20 december 2025
Zaaknummer
C/05/458296 / HA RK 25-142
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 2 WgbzArt. 3 lid 5 WgbzArt. 10 lid 1 WgbzArt. 29 lid 1 WgbzArt. 67 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen heffing griffierecht bij beroep tegen rechter-commissaris ongegrond verklaard

Verzoeker, indirect bestuurder van een failliet verklaarde vennootschap, heeft beroep aangetekend tegen beslissingen van de rechter-commissaris en daarbij griffierecht betaald. Vervolgens tekende hij verzet aan tegen deze heffing.

De rechtbank oordeelt dat het beroepschrift kwalificeert als een verzoekschrift waarvoor op grond van de Wet griffierechten burgerlijke zaken griffierecht verschuldigd is. De wet en de toepasselijke bepalingen in de Faillissementswet bieden geen uitzondering die het griffierecht zou uitsluiten.

De rechtbank concludeert dat het verzet tijdig is ingediend maar ongegrond moet worden verklaard, zodat het betaalde griffierecht niet wordt terugbetaald. De beschikking is zonder mondelinge behandeling gegeven en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het verzet tegen de heffing van griffierecht wordt ongegrond verklaard en het betaalde griffierecht wordt niet terugbetaald.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: C/05/ 458296 / HA RK 25-142
Beschikking van 10 december 2025
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [plaats] ,
verzoeker,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
tegen
DE GRIFFIER,
van de rechtbank Gelderland,
verweerder,
hierna te noemen: de griffier.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzetschrift van 16 oktober 2025;
- het verweerschrift van 23 oktober 2025;
- het e-mailbericht van [verzoeker] van 29 oktober 2025.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] is indirect bestuurder van een failliet verklaarde vennootschap. In september 2025 heeft hij in diverse e-mails bij deze rechtbank zijn onvrede geuit over het handelen/nalaten van de rechter-commissaris. [verzoeker] heeft daarin beroep aangetekend tegen de beslissingen van de rechter-commissaris om:
de aan de curator gegeven toestemming om een bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure te voeren niet in te trekken;
nog geen verificatievergadering te beleggen.
Aan de beroepsprocedure onder a. is door de rechtbank (verkort) kenmerk 457191 toegekend. Aan de beroepsprocedure onder b. is door de rechtbank (verkort) kenmerk 457486 toegekend.
2.2.
Bij beschikking van 7 oktober 2025 heeft de rechtbank beslist in de zaak met (verkort) kenmerk 457191 . In de beschikking is onder meer vermeld dat deze ‘wordt gegeven naar aanleiding van het op 8 september 2025 (…) ingekomen beroepschrift ex artikel 67 van Pro de Faillissementswet’. In de beschikking heeft de rechtbank [verzoeker] in het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
2.3.
Ter zake van de beroepsprocedure onder a. heeft de griffier bij [verzoeker] het griffierecht in rekening gebracht dat geldt voor een natuurlijke persoon ingeval van een zaak van onbepaalde waarde (€ 331,00). Het geheven griffierecht is op 16 oktober 2025 door [verzoeker] betaald.
2.4.
Bij e-mail van 16 oktober 2025 heeft [verzoeker] verzet aangetekend tegen het geheven en betaalde griffierecht. Aan deze verzetprocedure is door de rechtbank (verkort) kenmerk 458296 toegekend.
2.5.
In zijn verweerschrift van 23 oktober 2025 heeft de griffier zich - onder verwijzing naar Wet griffierechten burgerlijke zaken (hierna: Wgbz) en de Faillissementswet (hierna: Fw) - op het standpunt gesteld dat aan [verzoeker] terecht
€ 331,00 aan griffierecht in rekening is gebracht.

3.De beoordeling

3.1.
De rechtbank zal zonder mondelinge behandeling beslissen, omdat [verzoeker] heeft vermeld daarvan af te zien.
3.2.
In artikel 29 lid Pro 1Wgbz is onder meer bepaald dat degene die de griffierechten heeft betaald, gedurende een maand na die betaling tegen de beslissing van de griffier tot heffing van het griffierecht door indiening van een verzoek in verzet kan komen bij het gerecht waaraan het griffierecht of de verschotten werden betaald.
3.3.
Het verzet van [verzoeker] is tijdig ingediend.
3.4.
Artikel 3 lid 2 Wgbz Pro bepaalt onder meer dat voor de indiening van een verzoekschrift een griffierecht wordt geheven, voor zover bij of krachtens deze wet of een andere wet niet anders is bepaald.
3.5.
Het beroepschrift van [verzoeker] kwalificeert als een verzoekschrift. Bij gebreke van een van artikel 3 lid 2 Wgbz Pro afwijkend wettelijk voorschrift ten aanzien van een dergelijk beroepschrift, is voor de indiening van het beroepschrift van [verzoeker] terecht griffierecht geheven. [verzoeker] heeft verwezen naar de in artikel 3 lid 5 Wgbz Pro genoemde tabel, maar de omstandigheid dat artikel 67 Fw Pro in die tabel (in tegenstelling tot een aantal andere Fw-artikelen) niet expliciet wordt genoemd, maakt het voorgaande niet anders.
3.6.
In artikel 10 lid 1 Wgbz Pro is onder meer bepaald dat de hoogte van het griffierecht wordt bepaald aan de hand van het verzoek in het beroepschrift. In artikel 3 lid 5 Wgbz Pro is bepaald dat de hoogte van het griffierecht wordt bepaald aan de hand van de tabel die als bijlage bij deze wet is gevoegd.
3.7.
Op grond van de Wgbz is [verzoeker] ter zake van zijn beroepschrift het griffierecht verschuldigd voor een natuurlijk persoon in een zaak van onbepaalde waarde (€ 331,00). Uit het voorgaande volgt dat het verzet ongegrond is, zodat er geen aanleiding is om het door [verzoeker] betaalde griffierecht aan hem terug te betalen.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
verklaart het verzet ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.A. van den Toorn en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.
1542