ECLI:NL:RBGEL:2025:11317

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
193039-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van verdachte in zedenzaken met onvoldoende bewijs en niet-ontvankelijkheid van schadevergoeding

Op 23 december 2025 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een nu 22-jarige man, die werd beschuldigd van het plegen van seksuele handelingen met zijn halfzus, die op het moment van de feiten nog geen twaalf jaar oud was. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was om tot een veroordeling te komen. De verklaring van de aangeefster werd als betrouwbaar beschouwd, maar er ontbrak steunbewijs dat de verklaring kon bevestigen. De rechtbank benadrukte dat in zedenzaken vaak slechts twee personen aanwezig zijn bij de feiten, waardoor het bewijs moeilijk te verkrijgen is. De verklaringen van getuigen waren voornamelijk gebaseerd op wat zij van de aangeefster hadden gehoord en boden onvoldoende steun voor de beschuldigingen. Daarnaast werd er rekening gehouden met de psychische toestand van de verdachte op het moment van zijn uitlatingen, wat de betrouwbaarheid van zijn verklaringen verder ondermijnde. De rechtbank verklaarde de benadeelde partij, de aangeefster, niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding, omdat er geen bewezenverklaring was. De kosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten droeg.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05.193039.25
Datum uitspraak : 23 december 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2000 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres], [postcode] in [woonplaats].
Raadsvrouw: mr. M. Burgers, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een besloten terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2015 tot en met 31 oktober 2016 te Arnhem
met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 2006, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt,
een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten
- het brengen van zijn vingers in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of
- het brengen van zijn tong tussen en/of over de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of
- het betasten van de vulva van die [slachtoffer];

2.De standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 140 uren en een voorwaardelijke jeugddetentie van 4 maanden met een proeftijd van 1 jaar. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat een 38v-maatregel opgelegd wordt in de vorm van een contactverbod met aangeefster voor de duur van 2 jaar waarbij op elke overtreding van het contactverbod 1 week hechtenis staat met een maximale duur van 6 maanden.
De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit.

3.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Juridisch kader
Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. In de onderhavige zaak is dit slachtoffer aangeefster [slachtoffer].
Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen enkel op basis van de verklaring van het slachtoffer.
Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de in deze verklaring genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
Dit betekent– in een geval als het onderhavige, waarin wordt ontkend dat de verweten seksuele handelingen zijn gepleegd en er geen getuigen van het incident zijn – dat de rechtbank de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer moet beoordelen én moet onderzoeken of voor de door het slachtoffer genoemde verweten gedragingen voldoende steunbewijs aanwezig is. Het voor een veroordeling benodigde steunbewijs kan volgens vaste rechtspraak niet zonder meer worden aangenomen op grond van alleen een zogenoemde ‘de auditu’- getuigenverklaring (van horen zeggen) die uiteindelijk komt uit dezelfde bron.
Verder is van belang dat de rechter uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting de overtuiging moet krijgen dat het feit is gepleegd zoals het de verdachte wordt verweten. Zeker als de bewijsmiddelen schaars zijn, moet de rechter behoedzaamheid betrachten om op grond van hetgeen overigens blijkt, aan te nemen dat het feit is gepleegd.
In onderhavige zaak is bovendien extra behoedzaamheid en terughoudendheid vereist omdat het ten laste gelegde feit ongeveer tien jaar geleden zou zijn gebeurd en aangeefster en verdachte destijds allebei minderjarig waren.
Verklaring aangeefster
Verdachte betreft de oudere halfbroer van aangeefster.
Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar seksueel heeft misbruikt door de ten laste gelegde handelingen bij haar uit te voeren als zij in bed lag. Dit gebeurde vanaf iets voor de zomer van 2015 tot in oktober 2016.
De rechtbank overweegt dat de verklaring van aangeefster gedetailleerd is en ook consistent. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van haar verklaring.
Steunbewijs
Zowel [getuige 1] als [getuige 2] hebben bij de politie getuigenverklaringen afgelegd. De verklaringen van deze getuigen zijn voor een groot deel zogenoemde
van horen zeggenverklaringen (de-auditu verklaringen) met als bron aangeefster zelf. Zij hebben niet uit eigen waarneming verklaard in die zin dat zij getuige zijn geweest van de ten laste gelegde feiten.
Uit de verklaring van aangeefster volgt dat er een gesprek zou hebben plaatsgevonden tussen haarzelf, haar zusje [getuige 2] en hun moeder [getuige 1]. Dit zou vlak na de ten laste gelegde periode hebben plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek zou aangeefster gezegd hebben dat verdachte aan haar had gezeten en dat zij dat niet leuk vond. [getuige 1] kan zich dit gesprek in het geheel niet herinneren. [getuige 2] kan zich wel een gesprek herinneren, maar niet wat daarin besproken is.
De delen uit hun verklaringen die niet van horen zeggen zijn en overeenkomen met de verklaring van aangeefster zijn onvoldoende redengevend en staat in een te ver verwijderd verband met de verweten gedragingen. Zo gaan deze verklaringen bijvoorbeeld over hoe de bedden in de slaapkamer stonden, wie in welk bed sliep en dat aangeefster op enig moment in haar jeugd een blaasontsteking heeft gehad.
Zowel [getuige 1] als [getuige 2] verklaren niet over emotionele toestanden of gedragsveranderingen die zij bij aangeefster hebben gezien rond de ten laste gelegde periode.
Deze verklaringen bieden daarom naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steunbewijs aan de verklaring van aangeefster.
In het dossier bevinden zich uitwerkingen van audiobestanden. Een daarvan betreft een uitwerking van een 112-melding die plaats heeft gevonden op 21 juli 2024. Verdachte heeft 112 gebeld en in dit gesprek met de meldkamer zegt hij: “
Ik ben [verdachte] en uhm ik heb mijn uh stiefbroer uh zusjes verkracht en ik wil dat aangeven.” Diezelfde dag werd de politie gebeld door een buurvrouw van verdachte met het bericht dat hij in hun woning aanwezig was en in verwarde toestand was. Hij droeg enkel een onderbroek en zou mogelijk in een psychose zitten.
De politie is naar aanleiding van de meldingen ter plaatse gegaan. Verdachte kwam verward en psychotisch over. Hij gaf aan dat hij stemmen in zijn hoofd had die hem opdrachten gaven en dat zijn huis gehackt was. De politie schakelde de crisisdienst in. Zij kwamen ter plekke en zij beoordeelden dat verdachte psychotisch was. Op 22 juli 2024 is een (oud-)hulpverlener van verdachte bij hem thuis geweest die daarna de meldkamer van de politie heeft gebeld. Zij meldde - onder andere - dat zij zich niet veilig voelde bij dit bezoek en dat verdachte psychotisch was. Zij wilde graag overleg met de wijkagent. Op basis van onder meer deze informatie uit het dossier gaat de rechtbank ervanuit dat verdachte op of rond 21 juli 2024 in een psychose verkeerde.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verklaring van verdachte op 21 juli 2024 bruikbaar is als - overtuigend - (steun)bewijs. Een belangrijk kenmerk van een psychose is dat iemand die daar aan lijdt het contact met de realiteit kwijtraakt en/of een andere beleving heeft van de werkelijkheid. Dat hoeft niet te betekenen dat alles wat iemand tijdens een psychose zegt per definitie onwaar is, maar wel dat een uiting die in een dergelijke toestand wordt gedaan met de grootste behoedzaamheid moet worden gewaardeerd en dat het waarheidsgehalte daarvan zich zeer lastig laat inschatten.
Verdachte heeft ter terechtzitting een verklaring gegeven over zijn uiting op 21 juli 2024 in het gesprek met de meldkamer. Hij heeft verklaard dat deze in strijd was met de waarheid. Hij heeft verklaard dat hij enige tijd daarvoor door aangeefster via een social media chat beschuldigd was van de ten laste gelegde feiten. Uit het dossier blijkt dat aangeefster in een Snapchat-gesprek met hem een bericht heeft gestuurd waarin staat: “Je kon niet van mij afblijven dat heb je gedaan”. Verdachte heeft verklaard dat hij daarna heel erg bezig was met deze beschuldiging en dat het hem hoog zat. Verdachte heeft ook verklaard, terugkijkend op zijn woorden tijdens de psychose, dat hij mogelijk gedacht moet hebben dat hij door deze beschuldiging te bekennen en een straf te accepteren, het snelste van alles af zou zijn. Deze gedachtegang is misschien niet rationeel, maar door zijn psychose kon hij niet meer helder nadenken, aldus verdachte. Achteraf dacht hij ‘wat heb ik gedaan, het is niet de waarheid’. Deze verklaring komt op de rechtbank niet onplausibel over.
Ook de, summiere, weinig concrete en niet zonder meer bij de aangifte aansluitende, inhoud van de woorden van verdachte tijdens zijn 112-melding biedt geen aanknopingspunten om deze uitlating toch, ondanks de psychose, als betrouwbare steun te kunnen aanmerken.
Concluderend leveren de uitlatingen van verdachte, nu aannemelijk is dat deze zijn gedaan toen hij in een psychose verkeerde, onvoldoende overtuigend steunbewijs op die de verklaring van aangeefster kunnen schragen.
Conclusie
De rechtbank herhaalt dat er geen aanleiding is om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster te twijfelen. Echter, de rechtbank ziet in het dossier en het verhandelde ter zitting, ook in samenhang bezien, onvoldoende wettig en overtuigend steunbewijs voor het ten laste gelegde feit. Alles overziende komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat verdachte moet worden vrijgesproken.

4.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 3.000,- aan materiële schade en € 13.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Overweging van de rechtbank
Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De rechtbank zal de kosten tussen partijen compenseren in die zin dat ieder de eigen kosten daarvan draagt.

5.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering.
 bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter tevens kinderrechter), mr. M. Rietveld en mr. A. Bril, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Dams en mr. L.H. Hoogenbergen, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 december 2025.
Mr. Rietveld, mr. Bril, mr. Dams en mr. Hoogenbergen zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.