ECLI:NL:RBGEL:2025:11426

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
05.112621.25 05.008463.25 05.374911.24 16.374860.24 05.270793.24 05.364433.24 13.213840.23 13.246702.22(TUL) 13.320551.21(TUL) 16.090762.24(TUL)
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot jeugddetentie en PIJ-maatregel wegens zware mishandeling en andere strafbare feiten

Op 23 december 2025 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere strafbare feiten, waaronder zware mishandeling, poging tot diefstal met geweld, en andere delicten. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een jeugddetentie van 316 dagen, met aftrek van de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast is een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd, gezien de ernst van de feiten en de psychische problematiek van de verdachte. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte op 11 april 2025 samen met een medeverdachte een slachtoffer heeft gestoken met een mes, wat heeft geleid tot ernstig lichamelijk letsel. De rechtbank heeft ook andere feiten beoordeeld, zoals mishandeling, diefstal, en belediging van ambtenaren. De verdachte is eerder veroordeeld en de rechtbank heeft rekening gehouden met zijn ontwikkelingsachterstand en lichte verstandelijke beperking. De rechtbank heeft geconcludeerd dat een voorwaardelijke PIJ-maatregel niet volstaat en dat een langdurige en intensieve behandeling noodzakelijk is. De vordering van de benadeelde partijen is gedeeltelijk toegewezen, met schadevergoedingen voor materiële schade en smartengeld.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05/112621-25, 05/008463-25, 05/374911-24, 16/374860-24, 05/270793-24, 05/364433-24, 13/213840-23, 13/246702-22 (TUL), 13/320551-21 (TUL) en 16/090762-24 (TUL) gev. ttz.
Datum uitspraak : 23 december 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats],
op dit moment gedetineerd in RJJI [verblijfplaats].
Raadsvrouw: mr. J.T. Brassé, advocaat in Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op terechtzittingen achter gesloten deuren.

1.De inhoud van de tenlastelegging

In de zaak met parketnummer 05/112621-25 is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, aan verdachte ten laste gelegd:
1. medeplegen van zware mishandeling van [slachtoffer 1] op 11 april 2025 in Zutphen,
subsidiair medeplegen van een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] op 11 april 2025 in Zutphen,
2. medeplegen van een poging tot diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] op 11 april 2025 in Zutphen;
3. diefstal van een mes bij Xenos in Zutphen op 11 april 2025 in Zutphen;
4. het voorhanden hebben van een mes op 11 april 2025 in Zutphen.
Aan verdachte is daarnaast ten laste gelegd:
- parketnummer 05/008463-25:
mishandeling van [slachtoffer 2] op 8 januari 2025 in Voorst;
- parketnummer 05/374911-24:
vernieling van een of meerdere ruiten, een bureau/tafel en/of een dweilemmer van Pluryn de Beele op 25 november 2024 in Voorst;
- parketnummer 16/374860-24:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling van [slachtoffer 3] op 24 november 2024 in Lelystad;
belediging van een ambtenaar in functie [slachtoffer 4] op 24 november 2024 in Lelystad;
het voorhanden hebben van een veerdrukpistool op 24 november 2024 in Lelystad;
- parketnummer 05/270793-24:
diefstal van een jas en/of een geldbedrag van [slachtoffer 5] door middel van braak en/of verbreking op 24 augustus 2024 in Voorst;
belediging van ambtenaren in functie [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] op 24 augustus 2024 in Zutphen;
verzet bij aanhouding op 24 augustus 2024 in Zutphen;
- parketnummer 05/364433-24:
diefstal van een Playstation van Pluryn op 14 juni 2024 in Voorst
- parketnummer 13/213840-23:
heling van een scooter op 25 augustus 2023 in Amsterdam
De volledige tenlasteleggingen worden als bijlage aan dit vonnis gehecht.

2.Het onderzoek op de terechtzitting

Verdachte heeft meerdere dagvaardingen ontvangen. De rechtbank behandelt alle feiten op deze dagvaardingen gevoegd. De zaken met de parketnummers 05/270793-24, 13/213840-23, 13/320551-21 (tul), 13/246702-22 (tul) en 16/090762-24 (tul) zijn op 12 februari 2025 door de kinderrechter verwezen naar de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken.

3.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

In de zaak met parketnummer 05/112621-25 [1]
FEITEN 1 en 2 (steekpartij Zutphen)
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 11 april 2025 was verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) in een steeg ter hoogte van de Langenberghof in Zutphen. Hier hadden zij afgesproken met aangever [slachtoffer 1]. Verdachte en [medeverdachte] hadden het plan om aangever te beroven. Verdachte had een mes bij zich. Hij heeft aangever gestoken met dit mes. [2]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde onder 1 en 2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Daarom heeft zij de rechtbank gevraagd verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde onder 1 en partieel vrij te spreken van het ten laste gelegde onder feit 2.
Beoordeling door de rechtbank
Aangever heeft verklaard dat er direct een opgefokte sfeer was toen hij de steeg in liep. Op de hoek van de steeg liet aangever zien dat hij € 400,- bij zich had. Daarna stopte hij het geld weer terug in zijn zak. Er was een buitenlandse jongen. Hij had zijn hand bij zijn kruis in zijn broekzak alsof hij daar een wapen had. Aangever voelde dat het verkeerd liep en wilde weglopen. Hij hoorde achter zich versnelde voetstappen. Toen hij zich omdraaide zag hij de buitenlandse jongen voor zich staan met een koksmes. Hij begon direct te steken. De andere jongen stond verderop in het hoekje van de steeg en hield zich afzijdig. [3]
Uit de medische stukken blijkt dat aangever als gevolg van het steken door verdachte twee snijwonden op zijn vingertoppen en twee steekverwondingen op zijn linker bovenarm heeft opgelopen. In de bovenarm is een gedeelte van de musculus triceps volledig doorgesneden. Er was sprake van een open wond en ruim bloedverlies, waarbij de bloeding tijdens de operatie werd gestopt. De spier werd gehecht en de huid gesloten. Het snijletsel aan de vingers moest worden gehecht. Bij aangever was kort na het steken al sprake van een verminderd of veranderd gevoel in de vingertoppen en geen gevoel in de onderarm en een deel van de bovenarm. Volgens de forensisch arts kan dit wijzen op een zenuwbeschadiging. In de letselinterpretatie is aangegeven dat het niet goed mogelijk is om een prognose te geven voor het herstel, met name door het zenuwletsel. De verwachting is dat een jaar na de operatie een stabiele eindtoestand bereikt zal zijn. Het litteken op de bovenarm zal zichtbaar blijven en het is mogelijk dat het gevoel in de arm en/of een of beide vingers niet volledig herstelt. [4]
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van ernstig letsel dat te kwalificeren is als zwaar lichamelijk letsel. De aard van het letsel is ingrijpend omdat sprake was van een doorgesneden spier in de arm, doorgesneden zenuwen en veel bloedverlies. De arm moest in het gips. Er was daarmee in ieder geval enige tijd sprake van volledig functieverlies van de arm, wat zeer beperkend is voor de uitoefening van handelingen in het dagelijks leven. Verder leidt de rechtbank uit de letselrapportage af dat een operatie wel noodzakelijk was om het bloeden te stoppen en de wond goed te hechten. Een andere reden voor de operatie is moeilijk denkbaar, nog daargelaten dat doorgaans niet ‘om niets’ wordt geopereerd. Tot slot is het uitzicht op volledig herstel zeer onzeker, zo niet onwaarschijnlijk, en er is een ontsierend litteken op een duidelijk zichtbare plek van het lichaam. Dit geheel maakt dat de rechtbank vindt dat onmiskenbaar sprake is van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair en het onder 2 ten laste gelegde.
Ten aanzien van de primair onder 1 ten laste gelegde zware mishandeling overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat medeverdachte [medeverdachte] enige vorm van opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. De rechtbank is daarom van oordeel dat in het kader van de primair ten laste gelegde zware mishandeling geen sprake is van medeplegen.
FEIT 3 (diefstal mes)
Verdachte heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] (namens Xenos), p. 114;
- de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 9 december 2025.
FEIT 4 (bezit mes)
Verdachte heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 47;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 186a en 186b;
- de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 9 december 2025.
In de zaak met parketnummer 05/008463-25 (mishandeling [slachtoffer 2]) [5]
Verdachte heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen
  • het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2], p. 6 t/m 11;
  • het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], p. 12;
  • de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 9 december 2025.
In de zaak met parketnummer 05/374911-24 (vernieling bij Pluryn) [6]
Verdachte heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen
  • het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] (namens Pluryn), p. 26;
  • de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 9 december 2025.
In de zaak met parketnummer 16/374860-24 [7]
FEIT 1 (bedreiging van de heer [slachtoffer 3])
Verdachte heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen
  • het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3], p. 8 en 9;
  • de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 9 december 2025.
FEIT 2 (belediging politieagent [slachtoffer 4])
Verdachte heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen
  • het proces-verbaal van bevindingen, p. 18 en 19;
  • het proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [verdachte], p. 48;
  • de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 9 december 2025.
FEIT 3 (bezit van een veerdrukpistool)
Verdachte heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen
  • het proces-verbaal van bevindingen, p. 27 en 28;
  • de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 9 december 2025.
In de zaak met parketnummer 05/270793-24 [8]
FEIT 1 (diefstal geldbedrag uit auto)
Verdachte heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen
  • het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5], p. 7 en 8;
  • het proces-verbaal van verhoor [naam], p. 18 en 19;
  • de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 9 december 2025.
De rechtbank overweegt hierbij dat niet is gebleken dat sprake is geweest van braak en/of verbreking. Zij spreekt verdachte hiervan dan ook vrij.
FEIT 2 (belediging politieagent [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7])
Verdachte heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen
  • het proces-verbaal van bevindingen, p. 22;
  • de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 9 december 2025.
FEIT 3 (verzet tegen aanhouding)
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 24 augustus 2024 werd verdachte door hoofdagent [slachtoffer 6] en brigadier [slachtoffer 7] aangehouden bij het treinstation in Zutphen. Verdachte heeft zich met kracht tegen deze aanhouding verzet door zich in tegengestelde richting te bewegen. [9]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde verzet bij zijn aanhouding.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verbalisant [slachtoffer 7] in zijn emoties verdachte een stomp in zijn gezicht heeft gegeven, waardoor niet meer kan worden gesproken over de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Omdat hierdoor volgens de raadsvrouw geen sprake was van een rechtmatige aanhouding, heeft zij de rechtbank gevraagd verdachte vrij te spreken van het onder 3 ten laste gelegde feit.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank overweegt dat uit het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] blijkt dat verdachte zich met kracht verzette tegen zijn aanhouding, waarna hij door de verbalisanten naar de grond werd gebracht om hem onder controle te krijgen en de veiligheidsboeien om te doen. Nadat de veiligheidsboeien om waren gedaan, bleef verdachte [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] beledigen. Verbalisant [slachtoffer 7] heeft verdachte daarop een stomp tegen zijn rechterwang gegeven. [10] Verdachte heeft tijdens de zitting ook verklaard dat hij zich al heeft verzet tegen zijn aanhouding voordat hij een stomp kreeg van [slachtoffer 7]. [11]
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de aanhouding van verdachte en zijn verzet daartegen al begonnen was op het moment dat hij een stomp kreeg van verbalisant [slachtoffer 7]. Daarmee was de aanhouding rechtmatig en is het ten laste gelegde verzet bij zijn aanhouding bewezen. Het mogelijk toepassen van geweld door verbalisant [slachtoffer 7] dat niet binnen de geweldsinstructie voor opsporingsambtenaren valt, maakt dit niet anders. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van de onder 3 ten laste gelegde wederspannigheid.
In de zaak met parketnummer 05/364433-24 (diefstal PlayStation van Pluryn) [12]
Verdachte heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen
  • het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] (namens Pluryn), p. 5 en 6;
  • de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 9 december 2025.
In de zaak met parketnummer 13/213840-23 (heling scooter) [13]
Verdachte heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen
  • het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde], p. 9 en 10;
  • het proces-verbaal van bevindingen, p. 13 en 14;
  • de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 9 december 2025.

4.De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de hierna genoemde tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. Bewezen kan worden dat:
in de zaak met parketnummer 05/112621-25
1,
primair
hij op
of omstreeks11 april 2025 te Zutphen,
althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
aan [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten
één ofmeerdere steek- en
/ofsnijwond
(en
)in de arm en
/ofde vingers, en
/ofeen doorgesneden musculus triceps heeft toegebracht,
door
een ofmeerdere malen met een mes in de arm en
/ofde vingers
, althans het lichaamvan voornoemde [slachtoffer 1] te steken en
/ofsnijden;
2.
hij op
of omstreeks11 april 2025 te Zutphen, op de openbare weg, te weten (ter hoogte
van) de Langenberghof,
tezamen en in vereniging met een
of meerander
en, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en
/ofzijn mededader
(s)voorgenomen misdrijf
om 400 euro,
althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten dele
aan [slachtoffer 1],
in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde
(n
)weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
en deze poging diefstal
te doen voorafgaante doen vergezellen
en/of te doen volgenvan geweld en
/ofbedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1],
te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal
voor te bereiden ofgemakkelijk te maken,
of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
  • (dreigend) een hand bij zijn kruis en
  • een of meerdere malen met een mes in de arm, en
welk geweld
en/of bedreiging met geweldzwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad, te weten
één ofmeerdere steek- en
/ofsnijwond
(en
), en
/ofeen doorgesneden musculus triceps,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
hij op
of omstreeks11 april 2025 te Zutphen,
althans in Nederlandeen mes,
in elk geval enig goed,dat
/die geheel of ten deleaan Xenos
, in elk geval aan een andertoebehoorde
(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
4.
hij op
of omstreeks11 april 2025 te Zutphen,
althans in Nederlandeen wapen van categorie IV onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een mes, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen;
in de zaak met parketnummer 05/008463-25
hij op
of omstreeks8 januari 2025 te Voorst, gemeente Voorst,
[slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2]
een of meervuistslagen tegen het hoofd
te geven en
/ofdoor die [slachtoffer 2] vast te pakken en/of door aan die [slachtoffer 2] te
trekken/duwen waardoor die [slachtoffer 2] op haar knie is gevallen;
in de zaak met parketnummer 05/374911-24
hij op
of omstreeks25 november 2024 te Voorst, opzettelijk en wederrechtelijk
  • een ofmeerdere ruit
    (en
    ), en
  • een bureau
  • een dweilemmer,
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan Pluryn (de Beele),
in elk geval aan een andertoebehoorde
(n
)heeft vernield
, beschadigd, onbruikbaar
gemaakt en/of weggemaakt;
in de zaak met parketnummer 16/374860-24
1.
hij op
of omstreeks24 november 2024 te Lelystad [slachtoffer 3] heeft bedreigd met
enig misdrijf tegen het leven gericht
en/of met zware mishandeling, door
  • die [slachtoffer 3] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen, en
  • die [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen 'ik ga een tent van je maken' en
'je kan je gat gaan graven'
, althans woorden van gelijke strekking of dreigende aard;
2.
hij op
of omstreeks24 november 2024 te Lelystad opzettelijk een ambtenaar, te
weten [slachtoffer 4], opsporingsambtenaar, gedurende of ter zake van de
rechtmatige uitoefening van
zijn/haar bediening, in
zijn/haar tegenwoordigheid,
mondeling heeft beledigd, door
hem/haar de woorden toe te voegen: 'schiet dan,
kankerhoertje'
, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
3.
hij op
of omstreeks24 november 2024 te Lelystad een wapen van categorie I, onder
7° van de Wet wapens en munitie, te weten
een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een
ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen
geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een
veerdrukpistool, merk: AW Custom, model: HX2401, kaliber: 6mm, voorhanden
heeft gehad;
in de zaak met parketnummer 05/270793-24
1.
hij op
of omstreeks24 augustus 2024 te Voorst,
een jas en
/ofeen geldbedrag,
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan
[slachtoffer 5]
, in elk geval aan een andertoebehoorde
(n
)heeft weggenomen met
het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
, terwijl verdachte zich de
toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen
goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;
2.
hij op
of omstreeks24 augustus 2024 te Zutphen, opzettelijk
een of meerambtenaren, te weten [slachtoffer 6] (hoofdagent bij de Eenheid
Oost-Nederland) en
/of[slachtoffer 7] (brigadier bij de Eenheid Oost-Nederland),
gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van
zijn/haar/hun bediening,
in
zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd,
door
hem/haar/hen de woorden toe te voegen: "Neuk je kankermoeder"
, althans
woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
3.
hij op
of omstreeks24 augustus 2024 te Zutphen, zich met geweld
en/of bedreiging met geweld,heeft verzet tegen
een of meerambtenaren, te weten [slachtoffer 6] (hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland) en
/of[slachtoffer 7] (brigadier bij de Eenheid Oost-Nederland),
werkzaam in de rechtmatige uitoefening van
zijn/haar/hun bediening, te weten het
aanhouden van de verdachte op grond van artikel 53 Wetboek van Strafvordering,
door zijn, verdachtes, armen en/of lichaam te bewegen in tegengestelde richting
dan die waarin voornoemde verbalisanten hem trachtten te bewegen;
in de zaak met parketnummer 05/364433-24
hij op
of omstreeks14 juni 2024 te Voorst,
een Playstation,
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan Pluryn
, in elk geval aan een andertoebehoorde
(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
in de zaak met parketnummer 13/213840-23
hij op
of omstreeks25 augustus 2023 te Amsterdam,
in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een
of meerander
en, althans alleen,een scooter (merk Sym Mio 50) (kenteken [kenteken])
, althans een goed heeft verworven,voorhanden heeft gehad
en/of heeft overgedragen,terwijl hij en zijn mededader
(s)ten tijde van
de verwerving ofhet voorhanden krijgen van dit goed wist
(en
), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoedendat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van die onderdelen van de tenlastelegging die niet zijn bewezen.

5.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
in de zaak met parketnummer 05/112621-25
feit 1,primairen feit 2:
de eendaadse samenloop van
zware mishandeling
en
poging tot diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
feit 3:
diefstal;
feit 4:
handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
in de zaak met parketnummer 05/008463-25
mishandeling
in de zaak met parketnummer 05/374911-24
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen
in de zaak met parketnummer 16/374860-24
feit 1:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
feit 2:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening
feit 3:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
in de zaak met parketnummer 05/270793-24
feit 1:
diefstal
feit 2:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening
feit 3:
wederspannigheid
in de zaak met parketnummer 05/364433-24
diefstal
in de zaak met parketnummer 13/213840-23
medeplegen van opzetheling.

6.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

7.De strafbaarheid van de verdachte

Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is strafbaar.

8.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie van 313 dagen. De tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht moet hiervan worden afgetrokken.
Daarnaast heeft de officier van justitie de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) gevorderd. Ze heeft de rechtbank gevraagd om deze maatregel ongemaximeerd op te leggen.
Voor het voorhanden hebben van het mes heeft de officier van justitie een schuldigverklaring zonder oplegging van straf gevorderd. De officier van justitie heeft daarbij aangegeven dat voor dit feit een aparte straf moet worden opgelegd omdat het een overtreding betreft en geen misdrijf.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank gevraagd om het jeugdstrafrecht toe te passen, ook in de zaak over de steekpartij in Zutphen waarbij verdachte ten tijde van het plegen van de strafbare feiten net meerderjarig was. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte niet leeftijdsadequaat functioneert, omdat hij een ontwikkelingsachterstand en een licht verstandelijke beperking heeft.
Daarnaast heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht om geen straf op te leggen die de duur van de voorlopige hechtenis te boven gaat. Ook heeft de raadsvrouw de rechtbank gevraagd om af te wijken van de adviezen van de deskundigen, door oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Zij heeft – kort samengevat – aangegeven dat in de lange hulpverleningsgeschiedenis van verdachte het nodige niet goed is gelopen en hij nog nooit echt passende hulp heeft gehad. De kaders waren te vrij en verdachte werd overvraagd. De begeleiding en behandeling van verdachte kunnen volgens de raadsvrouw worden vormgegeven door een strak pakket aan voorwaarden, rekening houdende met het feit dat verdachte in de afgelopen periode een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en dat hij ook snapt wat hem nu boven het hoofd hangt. Er is dus nog een minder ingrijpend middel mogelijk in de vorm van een voorwaardelijk PIJ. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht opdracht te geven voor het opmaken van een rapportage voor de invulling van een voorwaardelijke PIJ-maatregel in een zeer streng kader.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de
rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de inhoud van de volgende stukken:
  • het uittreksel justitiële documentatie van 13 november 2025 (het strafblad),
  • de rapportage Pro Justitia van 29 september 2025 van K.F.J. Vonhögen, kinder- en jeugdpsychiater;
  • de rapportage Pro Justitia van 25 september 2025 van M.J.E. van Kempen, GZ-psycholoog;
  • het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 27 november 2025;
  • het rapport van de jeugdreclassering van 1 december 2025.
In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Het strafblad
Verdachte is eerder veroordeeld voor strafbare feiten. Ook is verdachte na het plegen van een aantal feiten nog veroordeeld voor een ander feit. De rechtbank laat dit meewegen in de strafafdoening (artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht).
De ernst van de feiten
Verdachte heeft op 11 april 2025 samen met een ander iemand geprobeerd te beroven, waarbij hij het slachtoffer heeft gestoken met een mes. Het slachtoffer heeft hierbij ernstig letsel opgelopen. Uit de verklaringen van het slachtoffer en de medeverdachte blijkt dat verdachte uit het niets begon te steken. Met zijn handelen heeft verdachte een bijzonder dreigende situatie gecreëerd voor het slachtoffer. Uit de verklaring die het slachtoffer tijdens de zitting heeft voorgedragen volgt dat het hele incident zowel fysiek als mentaal een grote impact hebben gehad op hemzelf en zijn gezin. Bovendien is hij nog altijd niet volledig hersteld en is het onduidelijk of het resterende functieverlies in zijn vingers en arm nog zal herstellen. Tijdens de zitting heeft verdachte verklaard dat hij vaker een mes bij zich droeg, omdat hij meent dat in deze tijd ruzies niet meer met de vuisten worden uitgevochten. De rechtbank vindt het erg zorgelijk dat het dragen van een mes voor verdachte als normaal wordt gezien en dat hij zich kennelijk ook erg onveilig voelt op straat.
Naast het steekincident in Zutphen, heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal, heling, belediging van politieambtenaren, verzet tegen zijn aanhouding, bedreiging, mishandeling, vernieling en wapenbezit. De rechtbank ziet een veelheid aan strafbare feiten die na verloop van tijd steeds ernstiger zijn geworden. De rechtbank maakt zich grote zorgen over deze ontwikkeling. De wijze waarop verdachte tijdens de zitting zijn handelen probeerde te rechtvaardigen, laat zien dat het hem ontbreekt aan probleembesef en -inzicht.
Het advies van de deskundigen
Verdachte is door een psycholoog en een psychiater onderzocht. De psychiater heeft gerapporteerd dat bij betrokkene sprake is van een normoverschrijdende gedragsstoornis, een licht verstandelijke beperking, een ander gespecificeerd psychotrauma of stressorgerelateerde stoornis en een stoornis in het cannabisgebruik. Volgens de psycholoog is naast de hiervoor genoemde bevindingen sprake van een ernstige gedragsstoornis met begin in de kindertijd en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale kenmerken. Onderliggend is sprake van forensisch relevante functionele beperkingen, in de vorm van een onveilig-vermijdende hechting, tekorten in mentaliserend, reflectief en empathisch vermogen, een gebrekkige identiteitsontwikkeling, een gebrekkige zelfregulering, gebrekkige copingvaardigheden en negatieve cognities.
Deze stoornissen en onderliggende problematiek waren aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten en beïnvloedden de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte. Daarom adviseren de deskundigen om verdachte de ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen.
Het recidiverisico wordt bij gelijkblijvende omstandigheden en zonder behandeling door zowel de psycholoog als de psychiater als hoog ingeschat. De psychiater merkt daarbij op dat door het ontbreken van toekomstperspectief en een geschikte woonplek, en ook het beperkte netwerk de verwachting is dat het recidiverisico gaat stijgen als verdachte zich buiten de JJI mag begeven. De deskundigen concluderen dat langdurige en intensieve behandeling nodig is voor een positieve ontwikkeling van verdachte en het verkleinen van het recidiverisico. Zij adviseren daarom de oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en de jeugdreclassering hebben zich volledig aangesloten bij de door de psycholoog en psychiater gegeven behandeladviezen.
De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en houdt rekening met het feit dat de feiten verdachte verminderd kunnen worden toegerekend.
Toepassing jeugdstrafrecht
Ten tijde van het steekincident in Zutphen was verdachte net 18 jaar. Bij het plegen van de andere feiten was verdachte nog minderjarig. Zoals de deskundigen, de Raad en de jeugdreclassering hebben geadviseerd, zal de rechtbank het jeugdstrafrecht toepassen. Dit doet de rechtbank omdat verdachte een licht verstandelijke beperking heeft en een sociaal-emotionele ontwikkelingsachterstand. Hij functioneert niet op leeftijdsadequaat niveau. Ook weegt mee dat verdachte nog veel structuur, begeleiding en toezicht nodig heeft. Aan deze behoefte kan worden tegemoet gekomen in het kader van het jeugdstrafrecht.
De beslissing over de straf en/of maatregel
De rechtbank is van oordeel dat aan de vereisten voor het opleggen van een maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel) is voldaan, zoals bedoeld in artikel 77s lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Dit blijkt uit het volgende.
Ten tijde van het plegen van de strafbare feiten bestond bij verdachte een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, zoals ook is gebleken uit de adviezen van de deskundigen.
Verdachte heeft een misdrijf gepleegd waarop in de wet vier jaren gevangenisstraf of meer is gesteld en ook een misdrijf dat apart is benoemd in artikel 77s lid 1 sub a Sr.
De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen vereist het opleggen van de maatregel. Dit blijkt uit het recidivegevaar dat zowel door de deskundigen als door de Raad en de jeugdreclassering als hoog wordt ingeschat.
Tot slot is de maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
De rechtbank legt een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op en niet een voorwaardelijke maatregel, zoals door de raadsvrouw is bepleit. De reden hiervan is dat bij verdachte ernstige psychopathologie, een gedragsstoornis en een licht verstandelijke beperking is vastgesteld, waardoor hij op alle terreinen is vastgelopen. De aard van de stoornissen en de problematiek vragen om een langdurig dwingend kader. Dit is noodzakelijk om de kans op herhaling te verminderen en voor een gunstige beïnvloeding van de ontwikkeling van verdachte.
Hiervoor heeft hij langdurig zeer intensieve behandeling en begeleiding nodig. Bij plaatsingen binnen Pluryn is meerdere keren gebleken dat verdachte ook in een residentieel kader niet meewerkt aan begeleiding en behandeling als er ruimte blijft om zich te onttrekken. Ook het kader van strafrechtelijke voorwaarden was niet voldoende voor hem om zich te houden aan regels en afspraken.
Door de raadsvrouw is betoogd dat bij de laatste schorsing is nagelaten verdachte een heel strikt kader te bieden met een enkelband en een ITB Harde Kern traject, waardoor hem een kans is ontnomen te laten zien dat een dergelijk kader wel voldoende waarborgen kan bieden. De rechtbank overweegt dat de psycholoog hierover in haar rapport heeft aangehaald dat dit mogelijk extra ondersteuning zou hebben geboden, maar dat in het kader van ITB Harde Kern met elektronische monitoring ook nodig is dat verdachte besef heeft van de gevolgen van het overtreden van voorwaarden en van de vaardigheid om naar zo’n inzicht te handelen, dat wil zeggen een andere keuze te maken. Gelet op de licht verstandelijke beperking van verdachte, zijn impulsiviteit en andere vaardigheidstekorten zoals in het voorgaande al beschreven, wordt de kans dat verdachte in staat is om zich aan een dergelijk voorwaardelijk kader te houden klein geacht. Daarbij komt dat het netwerk van verdachte dermate klein is dat hiervan te weinig consistente en stevige steun uit kan gaan om verdachte blijvend te motiveren voor behandeling en begeleiding in een voorwaardelijk kader. Daarnaast is de tijdsduur van een voorwaardelijk kader te kort om voldoende verandering teweeg te brengen met het oog op het voorkomen van recidive. Verdachte heeft veel meer tijd nodig om nieuwe vaardigheden te leren en zich ander gedrag eigen te maken dan binnen een voorwaardelijk kader kan worden gerealiseerd. De conclusie van zowel de deskundigen als de Raad en de jeugdreclassering is dat een voorwaardelijk kader onvoldoende kan bieden voor een zo gunstig mogelijk ontwikkeling van verdachte. De rechtbank kan zich vinden in de overwegingen die hieraan ten grondslag liggen en neemt deze conclusie over. Gelet hierop wijst de rechtbank het aanhoudingsverzoek om een plan van aanpak op te stellen en voorwaarden te formuleren af.
De rechtbank overweegt dat de PIJ-maatregel wordt opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat verlenging van de maatregel mogelijk is, voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.
De hoeveelheid aan feiten, de ernst ervan en ook het gegeven dat verdachte vaker is veroordeeld, maken dat de rechtbank van oordeel is dat een jeugddetentie van lange duur op zijn plaats is. De rechtbank is echter ook van oordeel dat het voor een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte van groot belang is dat de begeleiding en behandeling in het kader van de PIJ-maatregel op korte termijn kan starten. Gelet hierop legt de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie op die gelijk is aan de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het onder het jeugdstrafrecht niet nodig is een overtreding apart te bestraffen. Uit artikel 77a Sr volgt dat artikel 62 Sr niet van toepassing is.

9.De beoordeling van de civiele vorderingen

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (parketnummer 05/112621-25)
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met de bewezenverklaarde feiten onder 1, primair en 2 (zware mishandeling en medeplegen van een poging tot diefstal met geweld) een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert
€ 1.228,18 aan materiële schade en € 17.500,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en een hoofdelijke veroordeling verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich terughoudend opgesteld en de rechtbank verzocht om te oordelen over de vordering aan de hand van de stellingen van de advocaten over en weer. Zij heeft toekenning van de wettelijke rente, oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en een hoofdelijke veroordeling gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank gevraagd benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering voor wat betreft de materiële schadeposten die zien op de pijnstilling, de kleding en het vervoer door de familie, omdat enige onderbouwing ontbreekt.
De raadsvrouw is daarnaast van mening dat niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij moet volgen met betrekking tot de schadepost die ziet op de vervanging van de schoenen. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de schoenen die na het feit besteld zijn (premium model) anders zijn dan de schoenen die de benadeelde partij droeg ten tijde van het feit. De benadeelde partij heeft bovendien niet onderbouwd wat de gedragen schoenen ten tijde van het feit nog waard waren.
Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging aangevoerd dat het gevorderde bedrag te hoog is, gelet op de bedragen die worden toegekend in vergelijkbare zaken. De raadsvrouw heeft de rechtbank gevraagd een lager bedrag aan smartengeld toe te kennen.
De beoordeling door de rechtbank
De materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1, primair en 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte, strafbaar gesteld in de artikelen 302 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, rechtstreeks schade heeft geleden. Als pleger en medepleger van de bewezenverklaarde feiten is verdachte verantwoordelijk voor de vergoeding van die schade.
De rechtbank stelt vast dat de vordering voor wat betreft het eigen risico (€ 385,-), de dansles (€ 100,-) en de reiskilometers naar het ziekenhuis (€ 182,69) niet is betwist en bovendien niet ongegrond of onredelijk voorkomt. De rechtbank zal deze schadeposten toewijzen.
Ten aanzien van de kosten van de schoenen is de rechtbank van oordeel dat de vordering goed is onderbouwd. Bij de vordering zit een aankoopbon van nieuwe schoenen. Op de foto van de schoenen is te zien dat deze besmeurd zijn met bloed, maar dat deze verder nog nieuw waren. Ook uit het proces-verbaal van aangifte blijkt dat de schoenen van aangever ‘nog maar drie weken oud’ waren. Gelet hierop zal de rechtbank het gevorderde bedrag voor de
nieuwe schoenen (€ 159,99) toewijzen.
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 100,- gevorderd voor de vervanging van zijn bebloede en kapot geknipte kleding en € 20,- voor medicatie/pijnstilling. Hoewel geen bonnetjes aanwezig zijn, vindt de rechtbank de gestelde schade op grond van het letsel en het benodigde medische handelen aannemelijk en de gevorderde bedragen redelijk. De rechtbank zal daarom ook deze bedragen toewijzen.
Over de kosten van het vervoer van de benadeelde partij naar en van zijn werk door familie merkt de rechtbank op dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij niet zelf kon autorijden als gevolg van het letsel dat hij heeft opgelopen. Het gevorderde bedrag
(€ 280,50) is voldoende onderbouwd en komt reëel voor, zodat de rechtbank dit toewijst.
Het smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
  • verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
  • de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
  • de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat tijdens de zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Door het tenlastegelegde heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel in de vorm van steek- en snijverwondingen opgelopen, waarbij het buitenste deel van de musculus triceps (driekoppige bovenarmspier) is doorgesneden. Dit is aan verdachte als (mede)pleger van het bewezenverklaarde feit toe te rekenen.
De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Daarnaast heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal. Daaruit volgt dat in geval van de categorie ‘minder ernstig armletsel’, waarbij sprake is van ‘aanzienlijk (te verwachten) herstel na aanzienlijke beperkingen’ een bedrag van € 10.000,- tot € 26.000,- kan worden opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is het gevorderde bedrag van € 17.500,- redelijk. Zij zal dit bedrag daarom toewijzen.
Wettelijke rente
Verdachte is vanaf 24 november 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding verschuldigd en vanaf 11 april 2025 over het smartengeld.
Hoofdelijkheid
De rechtbank overweegt dat verdachte en de medeverdachte ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover de medeverdachte de schade heeft vergoed.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze, waarbij de maatregel alleen ziet op het toegewezen bedrag. In verband met de leeftijd van verdachte en de toepassing van het jeugdstrafrecht wordt geen gijzeling opgelegd.
De vordering van de benadeelde partij Xenos Zutphen (parketnummer 05/112621-25)
De benadeelde partij Xenos Zutphen heeft in verband met het bewezenverklaarde feit onder 3 (diefstal van het mes) een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 186,49 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen. Zij heeft ook toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gesteld dat Xenos is aangesloten bij SODA (Service Organisatie Directe Aansprakelijkstelling), een organisatie die helpt bij het vergoed krijgen van schade die ontstaat door een winkeldiefstal. Volgens de raadsvrouw lijkt het erop dat de schade al aan Xenos is vergoed doordat Xenos is aangesloten bij deze organisatie. Daarnaast is gesteld dat niet is onderbouwd dat de heer [aangever 1] gemachtigd is om schade te vorderen namens Xenos. De raadsvrouw heeft de rechtbank om de hiervoor vermelde redenen gevraagd om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
De beoordeling door de rechtbank
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte, strafbaar gesteld in artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht, rechtstreeks schade heeft geleden. Als pleger van het bewezenverklaarde feit is verdachte verantwoordelijk voor de vergoeding van die schade.
De rechtbank stelt vast dat de vordering voor wat betreft het gevorderde bedrag van € 5,49 voor het gestolen koksmes niet is weersproken. De rechtbank zal deze schadepost toewijzen.
Uit het proces-verbaal van aangifte blijkt dat de heer [aangever 1] filiaalmanager is van Xenos in Zutphen. De rechtbank volgt de raadsvrouw daarom niet in haar verweer dat onvoldoende is aangetoond dat de heer [aangever 1] gemachtigd is om de schade te vorderen namens Xenos. De rechtbank overweegt verder dat een bedrag van € 181,- is gevorderd voor de afhandeling van de winkeldiefstal. Dit is een landelijk bepaalde standaard. Niet is gebleken dat verdachte dit bedrag (al dan niet via SODA) al aan Xenos heeft betaald of dat het gevorderde bedrag op een andere manier aan Xenos is vergoed. De rechtbank wijst de vordering van Xenos daarom toe.
Wettelijke rente
Verdachte is vanaf 2 december 2025 wettelijke rente verschuldigd.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze, waarbij de maatregel alleen ziet op het toegewezen bedrag. In verband met de leeftijd van verdachte en de toepassing van het jeugdstrafrecht wordt geen gijzeling opgelegd.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde] (parketnummer 13/213840-23)
De benadeelde partij [benadeelde] heeft in verband met het bewezenverklaarde feit (heling van de scooter) een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert
€ 732,50 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht en een hoofdelijke veroordeling verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen. Zij heeft ook toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gesteld dat uit de vordering niet volgt welk deel van de schade is ontstaan door de diefstal van de scooter en welk deel door het vluchten op de scooter. Zij heeft daarom verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
De beoordeling door de rechtbank
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte (heling), strafbaar gesteld in artikel 416 van het Wetboek van Strafrecht, rechtstreeks schade heeft geleden. De geheelde scooter behoorde toe aan de benadeelde partij en het door hem gevorderde bedrag ziet op schade aan het slot, de voorkap, de koplamp, de linker spiegel en montage van de remmen. Daarnaast zijn ophaal-/transportkosten gevorderd. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat er voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de helingshandeling en de door de rechthebbende op het geheelde goed geleden schade. Als medepleger van het bewezenverklaarde feit is verdachte dan ook verantwoordelijk voor de vergoeding van de hiervoor genoemde schade. De rechtbank is van oordeel dat de vordering voldoende is onderbouwd en wijst deze toe.
Wettelijke rente
Verdachte is vanaf 19 februari 2024 wettelijke rente verschuldigd.
Hoofdelijkheid
De rechtbank overweegt dat verdachte en de medeverdachte ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover de medeverdachte de schade heeft vergoed.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze, waarbij de maatregel alleen ziet op het toegewezen bedrag. In verband met de leeftijd van verdachte en de toepassing van het jeugdstrafrecht wordt geen gijzeling opgelegd.

10.De beoordeling van het beslag

In de zaak met parketnummer 05/112621-25 ligt beslag op de volgende goederen:
  • Apple iPhone zwart
  • Nirosta vleesmes.
De Apple iPhone is een goed met behulp waarvan de feiten zijn begaan of voorbereid. De rechtbank zal dit voorwerp verbeurd verklaren.
Het Nirosta vleesmes is een goed met behulp waarvan de bewezenverklaarde feiten zijn begaan. Het ongecontroleerde bezit van het goed is in strijd met het algemeen belang en de wet. Daarom beslist de rechtbank dat het vleesmes moet worden onttrokken aan het verkeer.

11.De vorderingen tot tenuitvoerlegging (TUL)

in de zaak met parketnummer 13/246702-22
De meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam heeft verdachte op 20 december 2024 veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie van 42 dagen.
in de zaak met parketnummer 16/090762-24
De kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, heeft verdachte op 18 juli 2024 veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 20 uur.
in de zaak met parketnummer 13/320551-21
De kinderrechter van de rechtbank Amsterdam heeft verdachte op 21 maart 2022 veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 30 uur.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft afwijzing van de vorderingen tot de tenuitvoerlegging van de hiervoor genoemde voorwaardelijk opgelegde straffen gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de vorderingen tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
De beoordeling door de rechtbank
Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. De rechtbank is desondanks van oordeel dat de vorderingen tot tenuitvoerlegging moeten worden afgewezen.
Gelet op het opleggen van de PIJ-maatregel, waardoor verdachte naar alle waarschijnlijkheid voor lange tijd in detentie zal verblijven en onder behandeling zal zijn, vindt de rechtbank het niet passend om de tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straffen op dit moment nog te bevelen. Zij wijst de vorderingen tot tenuitvoerlegging daarom af.

12.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
33, 33a, 36b, 36c, 36f, 45, 47, 55, 63, 77a, 77c, 77g, 77s, 77gg, 180, 266, 267, 285, 300, 302, 310, 312, 350 en 416 van het Wetboek van Strafrecht;
- 13, 27, 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

13.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’ oplevert;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot
een jeugddetentie voor de duur van 316 dagen;
 beveelt dat de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht;
 legt aan verdachte
de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigenvoor de duur van 3 (drie) jaren op;
 verklaart de in beslag genomen, nog niet teruggegeven Apple iPhone (zwart) verbeurd;
 beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen Nirosta vleesmes;
 veroordeelt verdachte ten aanzien van
parketnummer 05/112621-25, feit 1 primair en feit 2 (steekpartij Zutphen)tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 1.228,18 (twaalfhonderd achtentwintig euro en achttien cent) aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 november 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald en € 17.500,- (zeventienduizend vijfhonderd euro) aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 april 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt, dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 1], een bedrag te betalen van € 1.228,18 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 november 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald en € 17.500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 april 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 (nul) dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt, dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
 veroordeelt verdachte ten aanzien van
parketnummer 05/112621-25, feit 3 (diefstal mes)tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij Xenos Zutphen, van een bedrag van € 186,49 (honderdzesentachtig euro en negenenveertig cent) aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 december 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij Xenos Zutphen, een bedrag te betalen van € 186,49 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 december 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 (nul) dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 veroordeelt verdachte ten aanzien van
parketnummer 13/213840-23 (heling scooter)tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde], van een bedrag van € 732,50 (zevenhonderd tweeëndertig euro en vijftig cent) aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 februari 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt, dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [benadeelde], een bedrag te betalen van € 732,50 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 februari 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 (nul) dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt, dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
 wijst de vordering van de officier van justitie van 11 juni 2025, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam van 20 december 2024 voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van 47 dagen af;
 wijst de vordering van de officier van justitie van 12 juni 2025, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 18 juli 2024 voorwaardelijk opgelegde werkstraf van 20 uur af;
 wijst de vordering van de officier van justitie van 11 juni 2025, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter van de rechtbank Amsterdam van 21 maart 2022 voorwaardelijk opgelegde werkstraf van 30 uur af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.L. Tomassen (kinderrechter en voorzitter), mr. M.G.J. Post en mr. E.M. van Poecke, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. I.C.G.M. van Lammeren-van Dijck, griffier, en uitgesproken tijdens de openbare terechtzitting van deze rechtbank op
23 december 2025.
mrs. E.M. van Poecke en M.G.J. Post zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage: tenlasteleggingen
In de zaak met parketnummer 05/112621-25 is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, aan verdachte ten laste gelegd:
1.
hij op of omstreeks 11 april 2025 te Zutphen, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
aan [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten één of meerdere steek-
en/of snijwond(en), en/of doorgesneden musculus triceps heeft toegebracht,
door een of meerdere malen met een mes in de arm en/of de vingers, althans het lichaam
van voornoemde [slachtoffer 1] te steken en/of snijden;
subsidiair:
hij op of omstreeks 11 april 2025 te Zutphen, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
voornoemde [slachtoffer 1] een of meerdere malen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de arm, en/of de vingers, althans het lichaam heeft gestoken en/of
gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 11 april 2025 te Zutphen, op de openbare weg, te weten (ter hoogte van)
de Langenberghof,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om 400 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)
weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van
geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1],
te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
  • (dreigend) een hand bij zijn kruis en/of in zijn broekzak heeft gehouden, en/of
  • een of meerdere malen met een mes in de arm, en/of de vingers, althans het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gestoken,
welk geweld en/of bedreiging met geweld zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad, te weten één of meerdere steek- en/of snijwond(en), en/of doorgesneden musculus triceps, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
hij op of omstreeks 11 april 2025 te Zutphen, althans in Nederland
een mes, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Xenos, in elk geval aan een
ander toebehoorde (n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
4.
hij op of omstreeks 11 april 2025 te Zutphen, althans in Nederland
een wapen van categorie IV onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een mes, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was letsel aan personen toe te
brengen en/of te dreigen heeft gedragen.
Aan verdachte is daarnaast ten laste gelegd dat:
in de zaak met parketnummer 05/008463-25
hij op of omstreeks 8 januari 2025 te Voorst, gemeente Voorst,
[slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] een of meer vuistslagen tegen het hoofd te geven en/of door die [slachtoffer 2] vast te pakken en/of door aan die [slachtoffer 2] te trekken/duwen waardoor die [slachtoffer 2] op haar knie is gevallen;
in de zaak met parketnummer 05/374911-24
hij op of omstreeks 25 november 2024 te Voorst, opzettelijk en wederrechtelijk
  • een of meerdere ruit(en),
  • een bureau en/of een tafel, en/of
  • een dweilemmer,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Pluryn (de Beele), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
in de zaak met parketnummer 16/374860-24
1.
hij op of omstreeks 24 november 2024 te Lelystad [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
  • die [slachtoffer 3] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen, en/of
  • die [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen 'ik ga een tent van je maken' en/of 'je kan je gat gaan graven', althans woorden van gelijke strekking of dreigende aard;
2.
hij op of omstreeks 24 november 2024 te Lelystad opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 4], opsporingsambtenaar, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid,
mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: 'schiet dan,
kankerhoertje', althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
3.
hij op of omstreeks 24 november 2024 te Lelystad een wapen van categorie I, onder
7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een
veerdrukpistool, merk: AW Custom, model: HX2401, kaliber: 6mm, voorhanden heeft gehad;
in de zaak met parketnummer 05/270793-24
1.
hij op of omstreeks 24 augustus 2024 te Voorst,
een jas en/of een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met
het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang
tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;
2.
hij op of omstreeks 24 augustus 2024 te Zutphen,
opzettelijk een of meer ambtenaren, te weten [slachtoffer 6] (hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland) en/of [slachtoffer 7] (brigadier bij de Eenheid Oost-Nederland), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening,
in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd,
door hem/haar/hen de woorden toe te voegen: "Neuk je kankermoeder", althans woorden van
gelijke beledigende aard en/of strekking;
3.
hij op of omstreeks 24 augustus 2024 te Zutphen,
zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet
tegen een of meer ambtenaren, te weten [slachtoffer 6] (hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland) en/of [slachtoffer 7] (brigadier bij de Eenheid Oost-Nederland),
werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten het aanhouden van de verdachte op grond van artikel 53 Wetboek van Strafvordering,
door zijn, verdachtes, armen en/of lichaam te bewegen in tegengestelde richting dan die waarin voornoemde verbalisanten hem trachtten te bewegen;
in de zaak met parketnummer 05/364433-24
hij op of omstreeks 14 juni 2024 te Voorst,
een Playstation, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Pluryn, in elk geval aan een ander toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
in de zaak met parketnummer 13/213840-23
hij op of omstreeks 25 augustus 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een scooter (merk Sym Mio 50) (kenteken [kenteken]), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025166086, gesloten op 22 mei 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], p. 12, 14, 16, 17 en 18 en de verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de terechtzitting van 9 december 2025.
3.Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], p. 12 en 17.
4.De letselrapportage van 22 april 2025, p. 191 t/m 196 en de letselverklaring van E. Wannee, forensisch arts KNMG, p. 2 en 3 (aanvullend procesdossier).
5.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025011047, gesloten op 9 januari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
6.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024554094, gesloten op 26 november 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
7.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 4] van de politie Midden-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0900-2024373983, gesloten op 27 november 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
8.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024396374, gesloten op 20 september 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
9.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 21 en de verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de terechtzitting van 9 december 2025.
10.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 21 en 22.
11.De verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de terechtzitting van 9 december 2025.
12.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 5] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024319274, gesloten op 23 oktober 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
13.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 6] van de politie Amsterdam opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL1300-2023192235, gesloten op 26 augustus 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.