ECLI:NL:RBGEL:2025:11434

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
05.112622.25 en 16.298682.23(TUL)
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot jeugddetentie voor poging tot diefstal met geweld en zwaar lichamelijk letsel

Op 23 december 2025 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in een jeugdstrafzaak tegen een minderjarige verdachte, geboren in 2008, die samen met een medeverdachte op 11 april 2025 in Zutphen een poging tot diefstal met geweld heeft gepleegd. De verdachte werd veroordeeld tot 150 dagen jeugddetentie, waarvan 131 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en een streng pakket aan voorwaarden, waaronder begeleiding door JeugdFACT en urinecontroles. De rechtbank oordeelde dat de verdachte niet opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, maar wel medeverantwoordelijk was voor het geweld dat door de medeverdachte werd gebruikt. De benadeelde partij, het slachtoffer, heeft schadevergoeding gevorderd, welke door de rechtbank is toegewezen. De rechtbank heeft de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaard, gezien het hoge recidiverisico van de verdachte. De uitspraak is gedaan na een onderzoek op een terechtzitting achter gesloten deuren.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummers: 05/112622-25 en 16/298682-23 (tul)
Datum uitspraak : 23 december 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats],
wonend aan de [adres], [postcode] in [woonplaats],
raadsman: mr. R.P. Adema, advocaat in Harderwijk.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een terechtzitting achter gesloten deuren.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 11 april 2025 te Zutphen, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
aan een ander, te weten [slachtoffer],
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten één of meerdere steek- en/of snijwond(en), en/of doorgesneden musculus triceps,
heeft toegebracht, door een of meerdere malen met een mes in de arm en/of de vingers, althans het lichaam van voornoemde [slachtoffer] te steken en/of te snijden;
subsidiair:
hij op of omstreeks 11 april 2025 te Zutphen, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
voornoemde [slachtoffer] een of meerdere malen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de arm, en/of de vingers, althans het lichaam heeft gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 11 april 2025 te Zutphen, op de openbare weg, te weten (ter
hoogte van) de Langenberghof,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om
400 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer],
te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
 ( (dreigend) een hand bij zijn kruis en/of in zijn broekzak heeft gehouden, en/of
 ( een of meerdere malen met een mes in de arm, en/of de vingers, althans het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken,
welk geweld en/of bedreiging met geweld zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad, te weten één of meerdere steek- en/of snijwond(en), en/of doorgesneden musculus triceps,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 11 april 2025 was verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) in een steeg ter hoogte van de Langenberghof in Zutphen. Hier hadden zij afgesproken met aangever [slachtoffer]. [medeverdachte 1] en verdachte hadden het plan om aangever te beroven. Aangever had
€ 400,- bij zich. Op enig moment ontstond een woordenwisseling tussen aangever en [medeverdachte 1]. Aangever wilde weglopen. [medeverdachte 1] liep naar aangever toe en viel hem aan met een mes. [2] Aangever heeft hierbij zwaar lichamelijk letsel opgelopen, te weten een steekverwonding aan de linker bovenarm, een doorgesneden musculus triceps en twee snijverwondingen aan de middel- en ringvinger van zijn linkerhand. [3]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde feit. Voor het geval de rechtbank tot het oordeel zou komen dat het geweld niet in verband staat met de diefstal, dan kan in ieder geval het onder 1 ten laste gelegde feit bewezen worden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat weliswaar sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij aangever, maar dat verdachte geen wetenschap heeft gehad van het mes dat de medeverdachte bij zich droeg en daarom geen opzet heeft gehad op het toebrengen (of laten toebrengen) van zwaar lichamelijk letsel. Hij heeft de rechtbank daarom gevraagd om verdachte vrij te spreken van de primaire en subsidiaire variant van het ten laste gelegde onder 1.
Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De beoordeling door de rechtbank
Aangever heeft verklaard dat er direct een opgefokte sfeer was toen hij de steeg in liep. Er was een buitenlandse jongen. Hij had zijn hand bij zijn kruis in zijn broekzak alsof hij daar een wapen had. Aangever voelde dat het verkeerd liep en wilde weglopen. Toen zei de Nederlandse jongen: ‘Yo bro, we kunnen het met zijn tweeën regelen. Hij loopt weg.’ Daarop zei aangever dat hij het niet vertrouwde en hij liep weg. Hij hoorde achter zich versnelde voetstappen. Toen hij zich omdraaide zag hij de buitenlandse jongen voor zich staan met een koksmes. Hij begon direct te steken. De andere jongen stond verderop in het hoekje van de steeg en hield zich afzijdig. [4]
Uit de telefoons van verdachte en [medeverdachte 1] blijkt dat zij in de dagen voorafgaand aan de ontmoeting met aangever contact met elkaar hebben. Verdachte stuurt op 2 april 2025 naar [medeverdachte 1]: ‘contante pap’ (straattaal voor contant geld) en dat het om een ‘tatta’ (straattaal voor blanke Nederlander) gaat. Verdachte en [medeverdachte 1] overleggen over waar ze de man moeten laten komen. Op 8 april 2025 stuurt [medeverdachte 1] een bericht naar verdachte waarin hij aangeeft dat hij niet voor niks naar Zutphen wil komen en dat verdachte dat mannetje moet regelen. [medeverdachte 1] stuurt: ‘anders breng K die rammie Back’. [5] Op de vraag van de politie wat [medeverdachte 1] met dit bericht bedoelde, heeft verdachte verklaard dat [medeverdachte 1] een mes had. [6]
Op de camerabeelden van Xenos is te zien dat verdachte en [medeverdachte 1] op 11 april 2025 om 12:33:24 uur Xenos binnen komen en dat zij rechtstreeks naar het schap lopen waar onder andere de messen liggen. Om 12:33:42 uur staan verdachte en [medeverdachte 1] bij dit schap, waarbij zij lijken te overleggen met elkaar. Te zien is dat verdachte en [medeverdachte 1] allebei praten. [medeverdachte 1] pakt een mes uit het schap terwijl verdachte naast hem staat. [7]
Getuige [getuige] heeft verklaard dat dat hij op 11 april 2025 met verdachte en [medeverdachte 1] in de stad was. Ze vertelden dat ze iemand zouden gaan beroven en dat als dat niet zou lukken, zij zouden steken. [8]
Gelet op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte en [medeverdachte 1] het plan hadden om aangever te beroven. Hierbij heeft [medeverdachte 1] geweld gebruikt door aangever te steken met een mes. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte opzet of voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. Hij heeft hierover zelf verklaard dat het zijn intentie was om geld weg te nemen van aangever, maar dat [medeverdachte 1] ‘uit het niets’ begon te steken. Uit de verklaring van aangever ontstaat hetzelfde beeld. Aangever heeft verklaard dat [medeverdachte 1] op hem af kwam en hem stak met het mes. Op de vraag van de politie of verdachte nog iets heeft gezegd, verklaart aangever dat verdachte niets heeft gezegd en zich afzijdig hield. [9]
Omdat niet is bewezen dat verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever, spreekt de rechtbank verdachte vrij van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling en poging tot zware mishandeling.
Aan verdachte is onder feit 2 het medeplegen van een poging tot diefstal met geweld ten laste gelegd. De rechtbank is van oordeel dat dit feit wel wettig en overtuigend is bewezen en overweegt hiertoe als volgt.
Voorafgaand aan de beroving heeft verdachte contact met [medeverdachte 1] gehad over het plan om aangever naar een afgesproken plek te laten komen en hem te beroven. Hierbij is over een mes (‘rammie’) gesproken. Op de middag van de beroving is verdachte met [medeverdachte 1] bij Xenos in Zutphen geweest. Hier hebben zij samen bij het schap met messen gestaan, waarbij [medeverdachte 1] een groot koksmes uit het schap heeft gepakt, dat hij vervolgens ruim drie uur later bij de beroving gebruikt heeft. Dat verdachte niet zou hebben geweten dat [medeverdachte 1] ten tijde van de beroving het grote koksmes bij zich droeg, acht de rechtbank in het licht van al het voorgaande volstrekt ongeloofwaardig. Dat hij wist dat [medeverdachte 1] een mes bij zich droeg wordt bovendien ondersteund door de verklaring van [getuige], waaruit volgt dat expliciet gesproken is over het mes. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat het mes gezamenlijk is meegenomen om de beroving gemakkelijker te maken.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1] bij het uitvoeren van het plan om aangever met geweld te beroven. Hoewel verdachte heeft verklaard dat het niet zijn intentie was om met het mes geweld tegen aangever te gebruiken, is de rechtbank van oordeel dat hij hier wel voorwaardelijk opzet op gehad heeft. Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen volgt immers dat verdachte wist – en het de bedoeling was – dat zijn medeverdachte een mes bij zich had. Door samen met de medeverdachte en dit mes aangever te beroven, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat bij de beroving of de poging daartoe met het mes zou worden gedreigd dan wel gestoken. Hoewel niet kan worden bewezen dat zijn opzet daarbij daadwerkelijk gericht was op het toebrengen van het zwaar lichamelijk letsel bij aangever, is dit wel het (strafverzwarende) gevolg geweest waar verdachte (mede) verantwoordelijk voor is.

3.De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft gepleegd. Bewezen kan worden dat:
2.
hij op
of omstreeks11 april 2025 te Zutphen, op de openbare weg, te weten (ter
hoogte van) de Langenberghof,
tezamen en in vereniging met een
of meerander
en, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en
/ofzijn mededader
(s)voorgenomen
misdrijf om 400 euro,
althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die
geheel
of ten deleaan [slachtoffer],
in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of
zijn mededader(s)toebehoorde
(n
)weg te nemen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen
en deze poging diefstal
te doen voorafgaante doen vergezellen
en/of te doen
volgenvan geweld en
/ofbedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer],
te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal
voor te bereiden of
gemakkelijk te maken,
of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of
andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het
bezit van het gestolene te verzekeren,
- ( dreigend) een hand bij zijn kruis en
/ofin zijn broekzak heeft gehouden, en
/of
- een of meerdere malen met een mes in de arm, en
/ofde vingers,
althans het
lichaamvan voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken,
welk geweld
en/of bedreiging met geweldzwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer]
ten gevolge heeft gehad, te weten
één ofmeerdere steek- en
/ofsnijwond
(en
), en
/of
een doorgesneden musculus triceps,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van die onderdelen van de tenlastelegging die niet zijn bewezen.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 2:
poging tot diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is strafbaar.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie van 18 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie oplegging van een voorwaardelijke jeugddetentie van 5 maanden gevorderd. Zij eist daarbij een proeftijd van 2 jaar met de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) geadviseerd, aangevuld met urinecontroles en de mogelijkheid tot een klinische opname voor de behandeling van Tactus in verband met het middelengebruik van verdachte. Gelet op het hoge recidiverisico heeft de officier van justitie de rechtbank gevraagd om de op te leggen voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangegeven dat hij de eis van de officier van justitie passend vindt. Hij heeft ervoor gepleit dat een op te leggen onvoorwaardelijke jeugddetentie niet langer zou moeten zijn dan de tijd die verdachte al in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De raadsman kan zich vinden in de bijzondere voorwaarden die zijn geadviseerd door de Raad en in een aanvulling van de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd door de officier van justitie.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de inhoud van de volgende stukken:
  • het onderzoek Pro Justitia van 24 juni 2025 van drs. L. Aa, GZ-psycholoog,
  • het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 25 augustus 2025,
  • het uittreksel justitiële documentatie van 21 oktober 2025 (het strafblad).
In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Strafblad
Verdachte is al eerder door de kinderrechter veroordeeld voor strafbare feiten.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot diefstal, waarbij het slachtoffer door de medeverdachte is gestoken met een mes. Het slachtoffer heeft hierbij ernstig letsel opgelopen. Hoewel verdachte zelf geen geweld heeft gebruikt tegen het slachtoffer, houdt de rechtbank hem wel medeverantwoordelijk voor het gebruikte geweld. Verdachte heeft een substantiële bijdrage geleverd aan de situatie door samen met de medeverdachte een plan te bedenken, via Telegram contact te leggen met aangever en met hem een afspraak te maken voor een zogenaamde verkoop van vuurwerk. Vervolgens heeft verdachte de medeverdachte gevraagd om mee te gaan naar de afspraak met aangever wetende dat de medeverdachte een groot koksmes bij zich droeg. Bij de ontmoeting met aangever hebben verdachte en de medeverdachte samen een dreigende sfeer gecreëerd in een poging het geld van aangever te stelen. Na het steken door de medeverdachte is verdachte samen met de medeverdachte weggevlucht en heeft hij zich niet bekommerd om het lot van het ernstig bebloede slachtoffer. Met zijn handelen heeft verdachte een bijzonder dreigende situatie gecreëerd voor het slachtoffer. Uit de verklaring die het slachtoffer tijdens de zitting heeft voorgedragen volgt dat het hele incident zowel fysiek als mentaal een grote impact heeft gehad op hem en zijn gezin. Bovendien is hij nog altijd niet volledig hersteld en is het onduidelijk of het resterende functieverlies in zijn vingers en arm nog zal herstellen. Daarnaast is een feit van algemene bekendheid dat niet alleen slachtoffers maar ook omstanders van feiten zoals deze nog lang gevoelens van onveiligheid ervaren wanneer zij buiten zijn.
Uit de rapportage Pro Justitia van drs. L. Aa (GZ-psycholoog) blijkt dat bij verdachte een normoverschrijdende gedragsstoornis en een stoornis in het cannabisgebruik zijn vastgesteld. Er is sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Op het moment van het plegen van het ten laste gelegde was sprake van deze stoornissen. De deskundige schat het risico op recidive hoog in en adviseert de rechtbank om verdachte het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen. Gelet op het hoge recidiverisico en de factoren van de stoornis die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van het ten laste gelegde, worden door de deskundige een aantal interventies geadviseerd.
De Raad kan zich vinden in de aanbevelingen zoals door de GZ-psycholoog beschreven in de Pro Justitia rapportage. In het rapport van de Raad zijn deze aanbevelingen vervat in een aantal bijzondere voorwaarden, waaronder het meewerken aan ambulante behandeling en begeleiding door het FACT-team (Flexible Assertive Community Treatment) en het meewerken aan Intensieve Trajectbegeleiding (ITB) Harde Kern. [begeleiding] is de meest intensieve begeleidingsvorm waarbij frequent contact is met de jeugdreclasseerder, er bindende onderlinge afspraken worden gemaakt en waarbij er strenge controle is op de gemaakte afspraken. De Raad adviseert de rechtbank om de bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen in het kader van een forse voorwaardelijke straf. Daarbij is aangegeven dat het van groot belang is dat de geadviseerde interventies een verplichtend karakter hebben, zodat de continuïteit van de zorg voor verdachte wordt gewaarborgd en verdachte wordt ondersteund bij het doorbreken van antisociale patronen. Verdachte heeft zowel bij de deskundigen als op zitting aangegeven bereid te zijn zich te houden aan de geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Tijdens de zitting heeft ook de jeugdreclassering aangegeven zich te kunnen vinden in de aanbevelingen die zijn neergelegd in de Pro Justitia rapportage. Daarbij is opgemerkt dat urinecontroles en een mogelijke kortdurende opname in het kader van de (detox) behandeling gericht op het middelengebruik van verdachte door Tactus wenselijk zijn om de zorg voor en begeleiding van verdachte beter vorm te kunnen geven.
De rechtbank heeft kennis genomen van de adviezen en neemt deze over. Hoewel de ernst van het strafbare feit in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie rechtvaardigt, is de rechtbank van oordeel dat zowel verdachte als de samenleving er het meest bij gebaat is dat verdachte aan de slag gaat met een uitgebreid en intensief pakket aan voorwaarden. Zij ziet het belang van intensieve begeleiding, structuur, toezicht en integrale samenwerking rondom verdachte om daarmee de kans op herhaling van strafbare feiten en risicovol gedrag zoveel als mogelijk te verkleinen. Alles afwegende legt de rechtbank daarom een jeugddetentie voor de duur van 150 dagen op aan verdachte, waarvan 131 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijke deel van de straf verbindt de rechtbank een proeftijd van 2 jaar, onder de algemene voorwaarde en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad, aangevuld met de urinecontroles en een aankondiging van een mogelijke kortdurende klinische opname in het kader van de behandeling van verdachte gericht op het middelengebruik.
De rechtbank beveelt dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Door de deskundigen wordt het recidiverisico als hoog ingeschat bij het ontbreken van intensieve begeleiding voor verdachte. De rechtbank vindt het daarom van groot belang dat de jeugdreclassering de begeleiding van verdachte direct kan voortzetten, ook als verdachte in hoger beroep zou gaan tegen dit vonnis.
De rechtbank zal het inmiddels geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte opheffen. Dit gelet op de duur van de voorlopige hechtenis die verdachte al heeft ondergaan.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het bewezenverklaarde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.228,18 aan materiële schade en € 17.500,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en een hoofdelijke veroordeling verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen. Zij heeft ook toekenning van de wettelijke rente, oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en een hoofdelijke veroordeling gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens verdachte aangevoerd dat bij de vordering alleen een bon is gevoegd van een nieuw paar schoenen. Informatie over de staat van de schoenen die de benadeelde partij droeg ten tijde van het tenlastegelegde ontbreekt. Hetzelfde geldt voor de gevorderde kosten van nieuwe kleding. De raadsman heeft de rechtbank daarom gevraagd een lager bedrag vast te stellen voor de schadeposten die zien op de schoenen en kleding. Hij heeft verder aangevoerd dat de kosten van de dansles onvoldoende zijn onderbouwd.
Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging aangevoerd dat het gevorderde bedrag te hoog is, gelet op de bedragen die worden toegekend in vergelijkbare zaken. De raadsman heeft de rechtbank gevraagd een lager bedrag aan smartengeld toe te kennen. Hij heeft daarbij opgemerkt dat verdachte nog minderjarig is en dat het betalen van een forse schadevergoeding grote druk op verdachte zal leggen in de toekomst.
De beoordeling door de rechtbank
De materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte (kort gezegd: de poging tot diefstal met geweld) strafbaar gesteld in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht, rechtstreeks schade heeft geleden. Als medepleger van het bewezenverklaarde feit is verdachte verantwoordelijk voor de vergoeding van die schade.
De rechtbank stelt vast dat de vordering voor wat betreft het eigen risico (€ 385,-), de medicatie (€ 20,-) en de reiskilometers (€ 280,50 en € 182,69) niet is betwist. De rechtbank zal deze schadeposten toewijzen.
Ten aanzien van de kosten van de schoenen is de rechtbank van oordeel dat de vordering goed is onderbouwd. Bij de vordering zit een aankoopbon van nieuwe schoenen. Op de foto van de schoenen is te zien dat deze besmeurd zijn met bloed, maar dat deze verder nog nieuw waren. Ook uit het proces-verbaal van aangifte blijkt dat de schoenen van aangever ‘nog maar drie weken oud’ waren. Gelet hierop zal de rechtbank het gevorderde bedrag voor de nieuwe schoenen (€ 159,99) toewijzen.
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 100,- gevorderd voor de vervanging van zijn bebloede en kapot geknipte kleding. De rechtbank vindt het gevorderde bedrag redelijk zal daarom ook dit bedrag toewijzen.
Over de kosten van de dansles merkt de rechtbank op dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij geen dansles heeft kunnen volgen als gevolg van het letsel dat hij heeft opgelopen. De vordering is voldoende onderbouwd met een factuur. De rechtbank zal daarom het gevorderde bedrag van € 100,- toewijzen.
Het smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
  • verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
  • de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
  • de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat tijdens de zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Door het tenlastegelegde heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel in de vorm van steek- en snijverwondingen opgelopen, waarbij het buitenste deel van de musculus triceps (driekoppige bovenarmspier) is doorgesneden. Dit is aan verdachte als medepleger van het bewezenverklaarde feit toe te rekenen.
De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Daarnaast heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal. Daaruit volgt dat in geval van de categorie ‘minder ernstig armletsel’, waarbij sprake is van ‘aanzienlijk (te verwachten) herstel na aanzienlijke beperkingen’ een bedrag van € 10.000,- tot € 26.000,- kan worden opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is het gevorderde bedrag van € 17.500,- redelijk. Zij zal dit bedrag daarom toewijzen.
In het verzoek van de raadsman om het bedrag te matigen omdat verdachte minderjarig is en het betalen van een forse schadevergoeding grote druk op hem zal leggen in de toekomst, gaat de rechtbank niet mee. De rechtbank overweegt hierbij dat de omvang van de schade immers los staat van de situatie van verdachte en niet van het slachtoffer verwacht mag worden dat hij daarom een deel van de veroorzaakte schade zelf zou moeten dragen.
Wettelijke rente
Verdachte is vanaf 24 november 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding verschuldigd en vanaf 11 april 2025 over het smartengeld.
Hoofdelijkheid
De rechtbank overweegt dat verdachte en de medeverdachte ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover de medeverdachte de schade heeft vergoed.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze, waarbij de maatregel alleen ziet op het toegewezen bedrag. In verband met de leeftijd van verdachte wordt geen gijzeling opgelegd.

9.De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 16/298682-23)

De kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, heeft verdachte op 6 mei 2024 veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 30 uur.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straf gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank gevraagd om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. Daarbij is aangegeven dat als het strafadvies van de Raad voor de Kinderbescherming wordt gevolgd, verdachte een vol programma zal hebben dat gericht is op hulpverlening. De verdediging is van mening dat hier geen taakstraf bij past en dat in het belang van verdachte de focus zou moeten liggen op hulpverlening in plaats van vergelding.
De beoordeling door de rechtbank
Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Gelet hierop moet de voorwaardelijk opgelegde straf ten uitvoer worden gelegd, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om hiervan af te zien.
De rechtbank is van oordeel dat uitvoering van de taakstraf de hulpverlening aan verdachte niet hoeft te doorkruisen. In het kader van de dagbesteding kan immers rekening worden gehouden met de 30 uren taakstraf die verdachte zal moeten uitvoeren. De rechtbank zal daarom de tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde taakstraf gelasten.

10.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

11.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit;
 verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een jeugddetentie voor de duur van 150 dagen;
 bepaalt dat van die jeugddetentie 131 dagen niet zullen worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
 stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaar onder de
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, en
stelt als
bijzondere voorwaardendat verdachte gedurende de proeftijd:
meewerkt aan begeleiding van [begeleiding], zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt;
meewerkt aan hulp en begeleiding vanuit het FACT-jeugdteam;
meewerkt aan geadviseerde hulpverlening, zoals schematherapie, indien en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt;
zich laat behandelen door Tactus of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de jeugdreclassering, zolang de jeugdreclassering behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het middelengebruik van verdachte;
zich klinisch laat opnemen in het kader van een detoxificatie behandeling van zijn middelengebruik in een instelling van Tactus of een soortgelijke zorgverlener, voor de duur van maximaal 7 weken.
meewerkt aan urinecontroles die zien op het beheersen en/of terugdringen van het middelengebruik, zo vaak als de jeugdreclassering dat nodig vindt;
meewerkt aan het verder realiseren en behouden van een zinvolle dagbesteding in de vorm van werk of scholing;
verblijft bij Pluryn, locatie De Beele, of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen, te bepalen door de jeugdreclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de jeugdreclassering voor hem opstelt;
geeft de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, afdeling jeugdreclassering in Amsterdam de opdracht om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
onder de voorwaarden dat verdachte:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in art. 77aa, eerste tot en met vierde lid, Wetboek van Strafrecht, uit te voeren door de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, afdeling jeugdreclassering in Amsterdam, waaronder de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk vindt, daaronder begrepen.
 beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
 beveelt dat de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht;
 heft het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis op;
 veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde onder 2 tot betaling van schadevergoeding aan
de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 1.228,18 (twaalfhonderd achtentwintig euro) aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 november 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald en € 17.500,- (zeventienduizend vijfhonderd euro) aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 april 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt, dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van
de benadeelde partij [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 1.228,18 aan materiële schade en
€ 17.500,- aan smartengeld. Het bedrag aan materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 november 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Het smartengeld wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 april 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als deze bedragen niet worden betaald, kunnen 0 (nul) dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt, dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
 gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 6 mei 2024, te weten een werkstraf van 30 uur.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.L. Tomassen (voorzitter en kinderrechter), mr. A.A.M. Bögemann en mr. E.M. van Poecke, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. I.C.G.M. van Lammeren-van Dijck, griffier, en uitgesproken tijdens de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 december 2025.
mrs. E.M. van Poecke en A.A.M. Bögemann zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025166086, gesloten op 22 mei 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], p. 12, 14, 16, 17 en 18, het proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte 2], p. 270, 271 en 273 en de verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de terechtzitting van 25 november 2025.
3.Letselrapportage d.d.13 oktober 2025 van Y. Bos, forensisch arts i.o. en E. Wannee, forensisch arts KNMG.
4.Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], p. 12 en 17.
5.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 158 en 159.
6.Het proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte 2], p. 286.
7.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 95.
8.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], p. 43.
9.Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], p. 17, het proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte 2], p. 274 en de verklaring van verdachte tijdens de terechtzitting.