Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2025:11471

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
ARN 24_9035
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 Wet WIAArt. 29a ZiektewetArt. 13 Dagloonbesluit werknemersverzekeringen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op twee WIA-uitkeringen en vaststelling dagloon leidt tot nuluitkering

Eiseres, werkzaam als logopedist, diende een aanvraag in voor een WIA-uitkering per 15 juni 2024. Het UWV stelde de uitkering vast op € 0 per maand, omdat het ontvangen ziekengeld hoger was dan de WIA-uitkering. Eiseres betwistte dit en voerde aan dat zij recht had op twee aparte WIA-uitkeringen vanwege verschillende dienstverbanden en aparte wachttijden.

De rechtbank oordeelde dat de Wet WIA slechts één uitkering toestaat en dat alle verzekerde werkzaamheden worden meegenomen bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid en de berekening van het dagloon. De wachttijd werd vastgesteld van 31 januari 2022 tot 14 juni 2024, waarbij ziekteperioden voor en na zwangerschapsverlof werden meegeteld.

De rechtbank verwierp het standpunt van eiseres dat er een aparte wachttijd en uitkering voor het dienstverband bij de NVLF zou zijn. Ook de door eiseres aangevoerde richtlijn voor het maatmanloon kon niet worden toegepast op de dagloonberekening. Het beroep werd ongegrond verklaard, en eiseres kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt dat eiseres geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat het ziekengeld hoger is dan de uitkering en er slechts één WIA-uitkering kan bestaan.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/9035

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. E. Yilmaz),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. R.V. Gerritsen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan eiseres per 15 juni 2024. De hoogte van de uitkering is daarbij vastgesteld op € 0 per maand. Eiseres is het niet eens met de hoogte van de uitkering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van het UWV.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de hoogte van de uitkering terecht op € 0 per maand heeft vastgesteld. Eiseres krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet WIA. Het UWV heeft met het besluit van 16 mei 2024 een uitkering toegekend per 15 juni 2024. De hoogte van de uitkering is daarbij vastgesteld op € 0 per maand. Met het bestreden besluit van 5 november 2024 op het bezwaar van eiseres heeft het UWV het besluit gehandhaafd.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft een rapport overgelegd van J.A.M. Houberg, arbeidsdeskundige, van 25 november 2025.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het beroep in de zaak met zaaknummer AWB 24/9121, op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV. De gemachtigde van eiseres heeft tijdens de zitting telefonisch contact gehad met de deskundige Houberg, en op die wijze heeft de deskundige Houberg enige toelichting gegeven op zijn rapport van 25 november 2025.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres is sinds 2015 werkzaam als logopedist bij [naam bedrijf]. Omdat eiseres van 31 januari 2022 tot en met 3 februari 2022, en van 16 februari 2022 tot en met 13 augustus 2022 wegens ziekte niet in staat was om deze werkzaamheden te verrichten, heeft zij gedurende deze perioden ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. Van 13 augustus 2022 tot en met 16 december 2022 heeft eiseres een zwangerschaps- en bevallingsuitkering ontvangen op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO). Vanaf 17 december 2022 heeft eiseres weer ziekengeld ontvangen.
3.1.
Op 15 februari 2022 is eiseres in dienst getreden bij de Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie (NVLF) voor 24 uur per week. Omdat eiseres van 16 februari 2022 tot en met 22 augustus 2022 wegens ziekte niet in staat was om deze werkzaamheden te verrichten, heeft zij gedurende deze periode ziekengeld op grond van de ZW ontvangen. Van 23 augustus 2022 tot en met 16 december 2022 heeft eiseres een zwangerschaps- en bevallingsuitkering ontvangen op grond van de WAZO. Vanaf 17 december 2022 heeft eiseres weer ziekengeld ontvangen. Het dienstverband van eiseres bij de NVLF is beëindigd per 15 februari 2024.
3.2.
Eiseres heeft een WIA-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 16 mei 2024 heeft het UWV aan eiseres een loongerelateerde uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering) toegekend per 15 juni 2024. De hoogte van de uitkering is daarbij op € 0 per maand vastgesteld. Met het bestreden besluit van 5 november 2024 op het bezwaar van eiseres heeft het UWV het besluit gehandhaafd.
3.3.
Bij besluit van 20 juni 2024 heeft het UWV het ziekengeld dat eiseres ontving in verband met haar dienstverband bij [naam bedrijf] beëindigd per 15 juni 2024. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Bij besluit van 5 november 2024 heeft het UWV het bezwaar gegrond verklaard en beslist dat het ziekengeld ongewijzigd doorloopt vanaf 15 juni 2024. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 5 november 2024. Dat beroep is bij deze rechtbank in behandeling onder nummer AWB 24/9121.
Omvang van het beroep
4. Aanvankelijk heeft eiseres aangevoerd dat zij per 15 juni 2024 recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op basis van de Inkomensvoorziening voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA-uitkering). In het aanvullend beroepschrift van 27 november 2025 heeft eiseres deze beroepsgrond ingetrokken.
Standpunt van het UWV
4. Aan het bestreden besluit ligt het volgende ten grondslag.
De samengestelde wachttijd voor de WIA is aangevangen op 31 januari 2022 en liep tot en met 14 juni 2024.
Het refertejaar voor het dagloon liep van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021. In het refertejaar heeft eiseres geen loon ontvangen, in verband met haar dienstverband bij de NVLF. Het dagloon is dus alleen gebaseerd op het loon dat eiseres ontving bij [naam bedrijf].
Na afloop van het zwangerschaps- en bevallingsverlof werd het ziekengeld, dat eiseres ontving in verband met ongeschiktheid voor haar werkzaamheden bij [naam bedrijf] en de LNVF, voortgezet vanaf 17 december 2022. Deze ziekengelduitkeringen liepen tot 15 juni 2024, de datum waarop de wachttijd voor de WIA was voltooid.
Per 17 december 2022 is een zelfstandig recht op ziekengeld ontstaan op grond van artikel 29a, vierde lid, van de ZW, omdat eiseres op die datum arbeidsongeschikt was als rechtstreeks gevolg van de voorafgaande bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap. Dit geldt voor het dienstverband bij [naam bedrijf] en het dienstverband bij de NVLF. Het ziekengeld dat eiseres op 15 juni 2024 ontving wordt in mindering gebracht op de WIA-uitkering. Omdat het ziekengeld hoger was dan de WIA-uitkering is de hoogte van de WIA-uitkering per 15 juni 2024 vastgesteld op € 0.
De wachttijd voor de WIA
5. Het rapport van de deskundige Houberg bevat een berekening van de wachttijd. Hieruit blijkt dat Houberg de ziekteperioden voor en na de WAZO-uitkering meetelt bij de berekening van de wachttijd. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen dus niet in geschil is dat de ziekteperioden voor en na de WAZO-uitkering meetellen bij de berekening van de wachttijd.
5.1.
Het rapport van Houberg bevat een berekening van de wachttijd uitgaande van de ziekmelding bij [naam bedrijf] op 31 januari 2022. Volgens deze berekening loopt de wachttijd tot en met 2 juni 2024. De rechtbank heeft op 3 december 2025 een brief aan eiseres gestuurd, waarin een berekening van de wachttijd is opgenomen. Volgens deze berekening van de rechtbank is 14 juni 2024 de laatste dag van de wachttijd. Tijdens de zitting heeft eiseres meegedeeld dat zij, voor wat betreft de ziekmelding bij [naam bedrijf], akkoord is met deze berekening.
5.2.
Eiseres stelt zich echter op het standpunt dat met de ziekmelding bij de NVLF op 16 februari 2022 een aparte wachttijd voor de WIA is gaan lopen, en dat aan het einde van die wachttijd een apart recht op WIA ontstaat, namelijk in verband met arbeidsongeschiktheid voor het werk bij de NVLF.
5.2.1.
Deze beroepsgrond treft geen doel.
Tijdens de zitting heeft het UWV er terecht op gewezen dat uit artikel 43, onder a, onder 1, van de Wet WIA volgt dat geen sprake kan zijn van twee naast elkaar bestaande WIA-uitkeringen. Dat betekent dat ook geen sprake kan zijn van meerdere wachttijden. De rechtbank voegt daar nog het volgende aan toe. De systematiek van de Wet WIA houdt in dat na het doorlopen van de wachttijd wordt beoordeeld of recht bestaat op een WIA-uitkering. Voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid na afloop van de wachttijd worden alle verzekerde werkzaamheden in aanmerking genomen, ook de werkzaamheden waarvoor tijdens de wachttijd geen ongeschiktheid is ontstaan, of waarvoor pas na aanvang van de wachttijd arbeidsongeschiktheid is ontstaan. Ook bij de berekening van het dagloon worden, onverminderd de regels van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit), alle verzekerde werkzaamheden in aanmerking genomen. Deze systematiek betekent dus dat er op enig moment slechts één WIA-uitkering kan zijn.
Het dagloon voor de WIA
6. De arbeidsongeschiktheid van eiseres is ingetreden op 31 januari 2022, dus in het aangiftetijdvak januari 2022. De rechtbank is daarom van oordeel dat het UWV met inachtneming van artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit de referteperiode voor de berekening van het dagloon terecht heeft vastgesteld op de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021. Het is de rechtbank niet gebleken dat er in het Dagloonbesluit een bepaling is opgenomen die zou moeten leiden tot een andere referteperiode.
6.1.
Toepassing van de referteperiode leidt ertoe dat voor de berekening van het dagloon alleen de inkomsten meetellen die eiseres bij [naam bedrijf] had. Omdat eiseres in 2021 nog geen inkomsten had uit haar dienstverband bij de NVLF tellen die inkomsten niet mee bij de berekening van het dagloon.
6.2.
Voor zover eiseres zich op het standpunt stelt dat in verband met arbeidsongeschiktheid voor de werkzaamheden bij de NVLF een andere referteperiode zou gelden, volgt de rechtbank dit niet. De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor onder 5.2.1 is overwogen. Omdat in verband met arbeidsongeschiktheid voor de werkzaamheden bij de NVLF geen sprake is van een apart WIA-recht, is ook geen sprake van een aparte referteperiode voor de bepaling van het dagloon.
6.3.
Eiseres heeft maar één dag gewerkt bij de NVLF, namelijk op 15 februari 2022. Op 16 februari 2022 is zij uitgevallen. Onder verwijzing naar het rapport van Houberg heeft eiseres – samengevat – het volgende aangevoerd.
Eiseres verwijst naar een richtlijn in het Handboek SMZ van het UWV van april 2023. Diezelfde richtlijn is ook opgenomen in het Handboek SMZ Noord-Holland Noord van het tweede halfjaar van 2014. Volgens die richtlijn moet, als geen referteperiode is aan te wijzen, worden uitgegaan van het loon dat de verzekerde verdiend zou hebben als hij wel de maatgevende arbeid in de maatgevende omvang zou hebben verricht.
6.3.1.
Deze beroepsgrond treft geen doel. De rechtbank beschikt niet over het Handboek SMZ van het UWV van april 2023, maar uit hetgeen Houberg in zijn rapport heeft weergegeven begrijpt de rechtbank dat de richtlijn betrekking heeft op de vaststelling van het maatmanloon, en dus niet op de vaststelling van het dagloon. Bij het rapport van Houberg zijn kopieën gevoegd van het Handboek SMZ Noord-Holland Noord van het tweede halfjaar van 2014. Uit die kopieën blijkt dat het ook in dat handboek gaat om de vaststelling van het maatmanloon.
6.3.2.
Tijdens de zitting heeft eiseres nog aangevoerd dat de richtlijn voor het maatmanloon naar analogie moet worden toegepast op de vaststelling van het dagloon. De rechtbank volgt dat niet. De regels die in het Dagloonbesluit zijn opgenomen voor de vaststelling van het dagloon bieden geen ruimte om daarvan af te wijken.
De hoogte van de WIA-uitkering
7. Bij besluit van 16 mei 2024 heeft het UWV per 15 juni 2024 de WIA-uitkering aan eiseres toegekend. In dit besluit (pagina 4) is het WIA-maandloon vastgesteld op
€ 2.850,56. De inkomsten per 15 juni 2024 zijn vastgesteld op € 5.843,34 per maand. De rechtbank begrijpt dat die inkomsten bestaan aan de ziekengelduitkeringen die eiseres op grond van artikel 29a, vierde lid, van de ZW ontvangt vanaf 17 december 2022. Omdat de inkomsten hoger zijn dan het WIA-maandloon, bedraagt de WIA-uitkering € 0.
7.1.
Eiseres heeft niet bestreden dat zij per 15 juni 2024 ziekengelduitkeringen ontving van € 5.843,34 per maand, en ook niet dat deze ziekengelduitkeringen als inkomsten verrekend worden met de WIA-uitkering.

Conclusie en gevolgen

8. Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat het UWV de WIA-uitkering per 15 juni 2024 terecht op € 0 heeft vastgesteld, en dat de beroepsgronden geen doel treffen.
9. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.