ECLI:NL:RBGEL:2025:11504

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
11852734
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot terugbetaling van een geldlening door de kantonrechter

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Gelderland op 12 december 2025 uitspraak gedaan in een civiele procedure tussen [eiseres] en [gedaagde]. [Eiseres] vorderde een bedrag van € 2.300,00 van [gedaagde], bestaande uit een hoofdsom van € 2.000,00 en € 300,00 aan buitengerechtelijke kosten, plus wettelijke rente vanaf 20 mei 2023. De vordering was gebaseerd op een geldleningsovereenkomst die volgens [eiseres] tot stand was gekomen toen zij op 17 december 2018 € 2.000,00 naar de rekening van [gedaagde] overmaakte. [Eiseres] stelde dat er afspraken waren gemaakt over de terugbetaling in twee termijnen, maar [gedaagde] betwistte dit en voerde aan dat het bedrag niet als lening was bedoeld.

De kantonrechter heeft de procedure beoordeeld en vastgesteld dat er onvoldoende bewijs was voor het bestaan van een geldleningsovereenkomst. De rechter oordeelde dat de omschrijving van de overboeking 'volgens afspraak' niet voldoende was om aan te nemen dat er een terugbetalingsverplichting was ontstaan. Bovendien had [gedaagde] de overeenkomst van geldlening niet ondertekend, wat een essentieel element voor de geldleningsovereenkomst was. Aangezien [eiseres] geen concrete feiten of bewijs had aangedragen om haar vordering te onderbouwen, werd de vordering afgewezen.

De kantonrechter heeft [eiseres] ook veroordeeld in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] op nihil zijn vastgesteld. Dit vonnis benadrukt het belang van bewijsvoering in civiele zaken, vooral bij het stellen van vorderingen op basis van overeenkomsten.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11852734 \ CV EXPL 25-2359
Vonnis van 12 december 2025
in de zaak van
[eiseres]
wonende te [woonplaats]
eisende partij
hierna te noemen: [eiseres]
gemachtigde: J.A.I. van Haaren (AUB Administraties)
tegen
[gedaagde]
wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
hierna te noemen: [gedaagde]
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 5;
- de conclusie van antwoord met 2 ongenummerde producties;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Vervolgens is de datum van het vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] heeft op 17 december 2018 € 2.000 overgemaakt naar de rekening van [gedaagde] met de omschrijving ‘volgens afspraak’.
2.2.
Na de overboeking heeft [eiseres] aan [gedaagde] het document ‘Overeenkomst van geldlening’ overhandigd. [eiseres] heeft deze overeenkomst ondertekend, [gedaagde] niet.
2.3.
In het Whatsappbericht van 9 juni 2022 heeft [eiseres] [gedaagde] verzocht tot terugbetaling over te gaan.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.300,00 (bestaande uit € 2.000 aan hoofdsom en € 300 aan buitengerechtelijke kosten), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2023, en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Tussen partijen is een geldleningsovereenkomst tot stand gekomen op grond waarvan [eiseres] € 2.000 naar de rekening van [gedaagde] heeft overgemaakt. Partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] dit bedrag in twee termijnen zou terugbetalen, namelijk € 1.000 op 31 oktober 2019 en hetzelfde bedrag op 31 augustus 2020. Ondanks aanmaning is [gedaagde] niet tot terugbetaling overgegaan. Zij is daarom ook de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiseres] .
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De vraag is of er tussen [eiseres] en [gedaagde] een geldleningsovereenkomst tot stand is gekomen. Uit artikel 7:129 lid 1 BW volgt dat sprake is van een overeenkomst van geldlening wanneer de ene partij, de uitlener, zich verbindt aan de andere partij, de lener, een som geld te verstrekken en de lener zich verbindt aan de uitlener een overeenkomstige som geld terug te betalen. Beoordeeld moet worden of [gedaagde] zich heeft verbonden aan [eiseres] om een som geld terug te betalen, nu [gedaagde] dit gemotiveerd betwist.
4.2.
Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op [eiseres] de stelplicht en eventuele bewijslast van feiten waaruit volgt dat [eiseres] en [gedaagde] een geldleningsovereenkomst zijn aangegaan, aangezien zij zich op de rechtsgevolgen hiervan beroept. Dat [gedaagde] zich in het kader van haar betwisting op het standpunt heeft gesteld dat zij het bedrag heeft betaald, brengt niet mee dat zij de bewijslast heeft ten aanzien van het (niet) bestaan van de geldleningsovereenkomst. [eiseres] moet de lening onderbouwen en zo nodig bewijzen, en als zij daarin slaagt, komt de terugbetaling aan de orde, waarvan [gedaagde] dan de bewijslast heeft. Volgens genoemde hoofdregel is het aan [eiseres] om voldoende gemotiveerd te stellen en bij betwisting te bewijzen dat zij het door haar gestelde aan [gedaagde] in de vorm van een geldlening heeft verstrekt.
4.3.
[eiseres] stelt dat zij op verzoek van [gedaagde] € 2.000 aan haar heeft geleend en verwijst ter onderbouwing naar de bankafschrift die als productie 1 bij de dagvaarding is overgelegd. Volgens [eiseres] hebben partijen afgesproken dat [gedaagde] het geleende bedrag in twee termijnen zou terugbetalen hetgeen ook blijkt uit de door [eiseres] aan [gedaagde] overhandigde overeenkomst van geldlening (productie 2 bij dagvaarding). [eiseres] heeft [gedaagde] meerdere malen verzocht tot terugbetaling over te gaan, maar zij heeft daar niet op gereageerd. Ook niet met de mededeling dat er geen sprake zou zijn van een geldlening.
4.4.
[gedaagde] heeft de stellingen van [eiseres] gemotiveerd betwist, door aan te voeren dat partijen een zeer lange vriendschappelijke relatie hebben gehad en dat [eiseres] het bedrag naar haar rekening heeft overgemaakt om zodoende het saldo van haar rekening te laten slinken in verband met de financiële afwikkeling van een relatiebreuk. In de omschrijving van de overboeking wordt niet gesproken over een geldlening maar is de mededeling ‘volgens afspraak’ vermeld. [gedaagde] erkent dat zij de als productie 2 overgelegde overeenkomst heeft ontvangen, maar begreep op dat moment van [eiseres] dat zij die niet hoefde te tekenen. [gedaagde] betwist dat partijen een afspraak hebben gemaakt over terugbetaling van het bedrag of de termijnen waarin dit zou gebeuren.
4.5.
Dat tussen partijen een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen is de kantonrechter onvoldoende gebleken. Uit de overboeking met omschrijving ‘volgens afspraak’ volgt niet dat partijen de bedoeling hebben gehad een terugbetalingsverplichting overeen te komen voor het bedrag van € 2.000. Daar komt bij dat [gedaagde] het overhandigde document ‘overeenkomst van geldlening’ niet heeft ondertekend, zodat dit stuk ook niet als bewijs kan dienen dat [gedaagde] zich heeft verbonden aan [eiseres] om een som geld terug te betalen. Voorts is niet vast komen te staan dat partijen overeenstemming hebben bereikt over (de voorwaarden van) de terugbetalingsverplichting, hetgeen een essentialia voor een geldleningsovereenkomst is. Aangezien [eiseres] voor het overige geen concrete feiten en omstandigheden heeft aangedragen en geen bewijsaanbod heeft gedaan, zal de vordering van [eiseres] als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.
4.6.
Hetzelfde geldt voor de meegevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten nu die daarmee samenhangen.
4.7.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op nihil.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vordering van [eiseres] af;
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [gedaagde] vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025.
40140 \ 560