Uitspraak
RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11886895 \ CV EXPL 25-2629
Vonnis van 19 december 2025
in de zaak van
[eiser]
wonende te [woonplaats]
eisende partij
hierna te noemen: [eiser]
gemachtigde: mr. W. van den Broek (Janssen & Janssen c.s. Eindhoven)
tegen
[gedaagde]
wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
hierna te noemen: [gedaagde]
gemachtigde: mr. N.H. Steenkuijl – Van Maanen (ARAG Rechtsbijstand)
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 3;
- de conclusie van antwoord met productie 1;
- de conclusie van repliek met producties 4 en 5;
- de conclusie van dupliek met producties 2 en 3.
- de conclusie van antwoord met productie 1;
- de conclusie van repliek met producties 4 en 5;
- de conclusie van dupliek met producties 2 en 3.
1.2.
Vervolgens is de datum van het vonnis bepaald.
2.De feiten
2.1.
[eiser] is eigenaar van het appartement aan [adres 1] en had de wens zijn buitenterras te voorzien van een nieuwe vlonder van composietplanken. Deze planken heeft [eiser] besteld bij [bedrijf 1] . De planken zijn op 7 juli 2025 op een pallet door [bedrijf 1] afgeleverd en tegen de achtergevel van het appartementengebouw geplaatst.
2.2.
Diezelfde dag is de pallet met composietplanken met een mobiele kraan van [gedaagde] , bestuurd door [naam 1] (hierna te noemen [naam 1] ), naar het terras van [eiser] gehesen. Tijdens de hijswerkzaamheden zijn de composietplanken van de pallet naar beneden gevallen en (grotendeels) beschadigd geraakt. Daarbij is ook schade ontstaan aan het gevelmetselwerk van het appartementengebouw.
2.3.
[eiser] en [naam 1] hebben hierna een schadeformulier ingevuld. Aan de rechterzijde van het formulier is als verzekeringnemer/verzekerde ingevuld:
NAAM: [gedaagde]
Voornaam: [gedaagde]
Adres: [adres 2]
Plaats: [woonplaats]
2.4.
[gedaagde] heeft de schade via zijn assurantietussenpersoon ACAM gemeld bij zijn aansprakelijkheidsverzekeraar.
2.5.
Bij e-mail van 20 juli 2025 heeft [eiser] aan [gedaagde] bericht:
(..)
Inmiddels heeft de VVE van Acam vernomen dat de lading niet verzekerd is, wel de schade aan het pand.
Hoe gaan we dit oplossen?
Ik heb informatie ingewonnen en het blijkt dat de verantwoordelijkheid, dus ook de vergoeding, bij de firma [gedaagde] ligt. (..)
2.6.
Bij e-mail van 24 juli 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de geleden en nog te lijden schade en verzocht binnen een week aansprakelijkheid te erkennen.
2.7.
Bij e-mail van 20 augustus 2025 heeft ACAM de aansprakelijkheid namens [gedaagde] betwist. In die mail staat, voor zover thans van belang (letterlijk):
(..)
De heer [gedaagde] betwist de aansprakelijkheid voor de schade aan de lading. De opdracht was niet duidelijk van de opdrachtgever ( [naam 2] ) alsmede was de lading niet deugdelijk samengepakt.
Op basis hiervan erkend de firma [gedaagde] geen enkele aansprakelijkheid voor de schade aan de lading. (..)
3.Het geschil
3.1.
[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om [gedaagde] te veroordelen aan hem te betalen € 4.948,50 (bestaande uit € 3.672 aan schade, € 490 aan bijkomende kosten en € 786,50 aan buitengerechtelijke kosten), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 september 2025, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, waaronder de nakosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Tijdens de hijswerkzaamheden zijn de planken en de gevel beschadigd. [gedaagde] is aansprakelijk voor de ontstane schade. [eiser] heeft nieuwe planken moeten kopen en een derde moeten inschakelen om de nieuwe planken op zijn terras te laten hijsen en de beschadigde planken te laten afvoeren. Doordat [gedaagde] ondanks sommatie het gevorderde schadebedrag niet heeft betaald, is hij ook de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente verschuldigd.
3.3.
[gedaagde] stelt dat [eiser] de verkeerde partij heeft gedagvaard en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4.De beoordeling
4.1.
De kantonrechter zal zich eerst uitlaten over de vraag of [eiser] ontvankelijk is in zijn vordering of dat de vordering moet worden afgewezen omdat de verkeerde partij zou zijn gedagvaard, zoals [gedaagde] stelt.
4.2.
Vooropgesteld wordt dat een besloten vennootschap een afgescheiden vermogen heeft van het privévermogen van haar bestuurder(s). Wanneer er schade ontstaat bij de uitvoering van een opdracht, verstrekt aan de besloten vennootschap, dan dient de schadevordering verhaald te worden op het vermogen van de besloten vennootschap. Wanneer zou blijken dat sprake is van onbehoorlijk bestuur, dan zou de bestuurder in privé aansprakelijk kunnen worden gesteld voor een schuld van de besloten vennootschap. Gelet op het voorgaande heeft [gedaagde] , die in persoon is gedagvaard en meent dat [gedaagde] de aan te spreken partij is, belang bij het niet-ontvankelijkheidsverweer, anders dan [eiser] stelt.
4.3.
[eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van de afgesproken hijswerkzaamheden, als gevolg waarvan schade is ontstaan. Van belang is om te beoordelen wie partij zijn bij de overeenkomst van opdracht. Immers, de partij die daadwerkelijk een contractuele relatie heeft met [eiser] kan op grond van wanprestatie binnen deze contractuele relatie worden aangesproken.
4.4.
[gedaagde] betwist dat hij persoonlijk contractpartij is bij de overeenkomst door aan te voeren dat [eiser] de opdracht aan [gedaagde] heeft verstrekt en dat de B.V. daarom de aan te spreken partij is voor de ontstane schade. [gedaagde] trad in deze op als bestuurder van de B.V. en in die hoedanigheid is zijn naam in de correspondentie vermeld. [eiser] heeft deze betwisting onvoldoende weerlegt. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [eiser] de opdracht voor de hijswerkzaamheden heeft verstrekt aan [gedaagde] en vast staat dat de betreffende hijswerkzaamheden niet voor [gedaagde] zelf zijn uitgevoerd maar door zijn werknemer, [naam 1] . Uit de e-mail van 20 juli 2025 blijkt dat [eiser] [gedaagde] als zijn contractspartij zag nu hij daarin heeft meegedeeld dat ‘de verantwoordelijkheid en dus de vergoeding bij de firma [gedaagde] ligt.’ In de daaropvolgende afwijzing van de aansprakelijkheid is ook meegedeeld dat de firma [gedaagde] geen enkele aansprakelijkheid voor de schade aan de lading erkent. Op grond van het voorgaande is dan ook de conclusie dat [eiser] een overeenkomst met [gedaagde] heeft gesloten en dat dat de aan te spreken partij is voor de gestelde schade. Dat op het schadeformulier (slechts) de naam [gedaagde] is vermeld en in correspondentie vanuit de naam van [gedaagde] is geschreven, maakt dat oordeel niet anders, nu dat geen grondslag kan bieden voor een persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde] .
Een en ander kan, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, dan ook niet tot de conclusie leiden dat sprake is van onbehoorlijk bestuur of een persoonlijk ernstig verwijt.
4.5.
Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] de verkeerde partij in procedure heeft betrokken, als gevolg waarvan de vordering van [eiser] moet worden afgewezen.
4.6.
Omdat [eiser] in het ongelijk wordt gesteld, moet hij de proceskosten dragen. De kantonrechter ziet in het door [eiser] gestelde geen aanleiding om de proceskosten voor rekening van [gedaagde] te laten komen.
4.7.
De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
677,00
5.De beslissing
De kantonrechter
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 677,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.
40140 \ 560