ECLI:NL:RBGEL:2025:11551

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
11942493 \ VV EXPL 25-75
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Loonvordering in kort geding en kwalificatie arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd

In deze zaak heeft de kantonrechter op 24 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen een werknemer en zijn werkgever, CE REPAIR SERVICES DORDRECHT B.V. De werknemer vorderde betaling van zijn loon, stellende dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, terwijl de werkgever betoogde dat het een overeenkomst voor bepaalde tijd betrof die eindigde op 31 maart 2026. De werknemer was in dienst getreden op 5 februari 2024 en zijn contract was op 8 augustus 2024 verlengd. De werkgever had op 4 maart 2025 mondeling een verlenging van het contract besproken, maar de schriftelijke bevestiging was pas op 4 mei 2025 opgesteld. De kantonrechter oordeelde dat er voorshands sprake was van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, eindigend op 31 maart 2026, en wees de vorderingen van de werknemer af. De werknemer werd ook veroordeeld in de proceskosten van de werkgever, die op € 678,00 werden begroot.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11942493 \ VV EXPL 25-75
Vonnis in kort geding van 24 december 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: werknemer,
gemachtigde: mr. S.A. van Snippenburg,
tegen
CE REPAIR SERVICES DORDRECHT B.V.,
gevestigd te Dordrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: werkgeefster,
gemachtigde: mr. M. Ruijssenaars.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties
- de akte overlegging producties van werkgeefster
1.2.
De zaak is mondeling behandeld op 9 december 2025. Werknemer is verschenen, bijgestaan door mr. Van Snippenburg. Namens werkgeefster zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door mr. Ruijssenaars. Beide gemachtigden hebben pleitaantekeningen voorgedragen en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder is besproken.
1.3.
Tot slot is bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.

2.De feiten

2.1.
Werknemer, geboren op [geboortedatum] , is op 5 februari 2024 in dienst getreden bij werkgeefster als ‘Service Technician External’ op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van zeven maanden (eindigend op 4 september 2024). De arbeidsomvang bedraagt 38 uur per week, tegen een salaris van € 3.461,00 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten. Werknemer begint en eindigt zijn werkdag structureel bij het depot van werkgeefster in Nijmegen.
2.2.
Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Metaal en Techniek (deel Technisch Installatiebedrijf) (hierna: de cao) van toepassing.
Artikel 12 lid 1 van de cao bepaalt:
Standaard is een arbeidsovereenkomst voor ‘onbepaalde tijd’.
Artikel 13 lid 1 van de cao bepaalt:
Anders dan in artikel 12.1 is geregeld, kan een arbeidsovereenkomst alleen maar tijdelijk zijn als dat schriftelijk is afgesproken. Deze arbeidsovereenkomst voor ‘bepaalde tijd’ kan voor een bepaalde periode of voor een bepaalde taak zijn.
2.3.
De arbeidsovereenkomst is op 8 augustus 2024 schriftelijk verlengd met zeven maanden (tot 3 april 2025).
2.4.
Op 3 maart 2025 heeft [naam 3] , werkzaam als Head of Service bij werkgeefster, aan [naam 2] (HR operations manager en leidinggevende van werknemer, hierna: [naam 2] ) en (in cc) aan [naam 1] (HR manager, hierna: [naam 1] ) gemaild:
Zoals besproken, beide contracten met één jaar verlengen.
[naam 2] heeft diezelfde dag, onder verwijzing naar bovenstaande e-mail, gemaild aan het HR-team van werkgeefster:
Zie mailcommunicatie hieronder.
Graag de contracten van […] en [eiser] (4-4-2025) verlengen met 1 jaar.
De reactie van het HR-team aan [naam 2] is als volgt:
Zou jij dit tegeb beide heren alvast willen zeggen (liefst via de mail). HR stuurt nog een officiele brief maar dan weten ze het in al.
2.5.
Op 4 maart 2025 heeft een WhatsApp-videogesprek plaatsgevonden tussen werknemer en [naam 2] , waarin [naam 2] aan werknemer te kennen heeft gegeven dat zijn contract zal worden verlengd.
2.6.
Werknemer heeft na 3 april 2025 feitelijk doorgewerkt bij werkgeefster.
2.7.
Vanaf 18 april 2025 is werknemer volledig arbeidsongeschikt.
2.8.
Op 4 mei 2025 is een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voorgelegd aan werknemer, die deze op 7 mei 2025 (digitaal) heeft ondertekend. De in dit contract opgenomen ingangsdatum is 4 mei 2025 en de einddatum 31 maart 2026.
2.9.
Vanaf juli 2025 hebben (de gemachtigden van) partijen gecommuniceerd over de looninschaling van werknemer en de kwalificatie van de tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst.
3. Het geschil
3.1.
Werknemer vordert - samengevat - dat de voorzieningenrechter werkgeefster bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt om aan werknemer te betalen het tussen partijen geldende (bruto) maandloon (te vermeerderen met de gebruikelijke emolumenten) vanaf 31 maart 2026 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf de respectievelijke vervaldata, en werkgeefster veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
Werknemer legt aan de vordering ten grondslag dat partijen discussiëren over de aard van de thans tussen hen geldende arbeidsovereenkomst; werknemer stelt dat sprake is van een overeenkomst voor onbepaalde tijd, terwijl werkgeefster van een bepaalde tijdscontract uitgaat dat eindigt op 31 maart 2026. Ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van een onbepaalde tijdscontract beroept werknemer zich primair op artikel 12 en 13 van de cao en subsidiair op de ketenregeling van artikel 7:668a van het Burgerlijk Wetboek (BW). Omdat aannemelijk is dat hij per 31 maart 2026 nog steeds arbeidsongeschikt is, is het voor hem van belang te weten wat zijn arbeidsrechtelijke positie per die datum is, aldus werknemer.
3.3.
Werkgeefster voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van werknemer, met veroordeling van werknemer in de proceskosten.
3.4.
Werkgeefster voert aan dat het geschil tussen partijen zich niet leent voor een kortgedingprocedure, het spoedeisend belang ontbreekt en de loonvordering niet toewijsbaar is in kort geding. Inhoudelijk betwist werkgeefster dat sprake is van een onbepaalde tijdsovereenkomst. Volgens haar zijn partijen mondeling een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd overeengekomen en is deze overeenkomst alleen door computerproblemen pas later schriftelijk vastgelegd. Daarnaast voert werkgeefster aan dat sprake is geweest van een administratieve fout, omdat in die schriftelijke overeenkomst als begindatum 4 mei 2025 in plaats van 4 april 2025 is opgenomen. Voor beide partijen was echter duidelijk dat zij een bepaalde tijdscontract waren overeengekomen die aansloot op de eerdere arbeidsovereenkomst, aldus werkgeefster.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Het toetsingskader
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of werknemer ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
4.2.
Daarnaast is volgens vaste jurisprudentie ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden. Zo zal niet alleen moeten worden onderzocht of het bestaan van de vordering in kwestie voldoende aannemelijk is - hetgeen betekent dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrechter haar zal toewijzen -, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl in de afweging van de belangen van partijen de (on)mogelijkheid van eventuele terugbetaling betrokken dient te worden.
Werknemer heeft een spoedeisend belang
4.3.
Werkgeefster heeft aangevoerd dat deze kortgedingprocedure niet de juiste route is die werknemer heeft bewandeld. Volgens haar had werknemer een bodemprocedure kunnen starten en heeft hij daarom geen spoedeisend belang. Werknemer heeft daar tegenin gebracht dat partijen weliswaar al sinds juli 2025 met elkaar in discussie zijn, maar dat het inhoudelijke standpunt van werkgeefster pas later duidelijk is geworden. Bovendien was het volgens hem ook op het moment van het starten van deze kortgedingprocedure te laat om vóór 31 maart 2026 een uitspraak in een bodemprocedure te kunnen verwachten.
4.4.
Werknemer heeft onweersproken gesteld dat aannemelijk is dat hij op 31 maart 2026 nog arbeidsongeschikt is. Het is daarom voor hem van belang te weten wat zijn arbeidsrechtelijke positie per die datum is. Gelet op de huidige doorlooptijden acht de kantonrechter de kans reëel dat werknemer in een bodemprocedure daarover niet tijdig duidelijkheid zou hebben verkregen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft werknemer daarom een spoedeisend belang bij zijn vordering. Hier komt nog bij dat werknemer onweersproken heeft aangevoerd dat de arbeidsrechtelijke verhouding ook invloed zal (kunnen) hebben op de wijze waarop in de tussentijd door partijen, bijvoorbeeld in het kader van de re-integratie, wordt gehandeld.
De kwalificatie van de arbeidsovereenkomst; voor bepaalde of onbepaalde tijd?
Op basis van de cao
4.5.
Ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd beroept werknemer zich primair op de cao. Hij stelt zich op het standpunt dat artikel 13 lid 1 van de cao, gelezen in samenhang met lid 1 van artikel 12 van de cao, aldus moet worden uitgelegd dat, indien geen sprake is van een schriftelijke overeenkomst, dat automatisch betekent dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan. De cao biedt volgens werknemer geen ruimte voor herstel achteraf of voor het alsnog met terugwerkende kracht schriftelijk vastleggen van een contract voor bepaalde tijd nadat de werknemer al is blijven doorwerken.
Werkgeefster betwist deze uitleg van de cao. Volgens haar is het schriftelijkheidsvereiste bedoeld om de werknemer duidelijkheid te verschaffen over de aard en duur van het dienstverband in het geval dat een door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst voor de nieuwe periode ontbreekt. In dit geval is de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 4 maart 2025 via een WhatsApp-videogesprek mondeling overeenkomen en - door omstandigheden - later schriftelijk vastgelegd. Voor werknemer moet duidelijk zijn geweest dat partijen een bepaalde tijdscontract hebben afgesloten, zoals ook blijkt uit de later opgemaakte schriftelijke overeenkomst.
4.6.
De kantonrechter volgt werknemer vooralsnog niet in zijn standpunt dat op basis van de cao sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Hierbij is ten eerste van belang dat in dit geval wel degelijk sprake is van een schriftelijke overeenkomst. Deze is weliswaar niet vóór de einddatum van de voorgaande overeenkomst (eindigend op 3 april 2025) opgemaakt, maar feit is dát er een nieuwe schriftelijke overeenkomst is. Er is in dit geval geen sprake van het volledig ontbreken van een schriftelijke overeenkomst voor een nieuwe periode. Daarnaast is van belang dat partijen op 4 maart 2025 hebben gesproken over de verlenging van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat de cao niet zo strikt moet worden uitgelegd dat in een geval als dit, waarin aannemelijk is dat mondeling (tijdig, vóór het eindigen van de op dat moment geldende overeenkomst) een nieuwe arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, maar deze overeenkomst pas later schriftelijk wordt vastgelegd, automatisch sprake is van een overeenkomst voor onbepaalde tijd.
Op basis van de ketenregeling
4.7.
Subsidiair stelt werknemer dat op 4 mei 2025 een vierde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is ontstaan en dat deze op grond van de ketenregeling van artikel 7:668a BW van rechtswege geldt als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Omdat werknemer in de periode tussen 3 april 2025 tot 4 mei 2025 feitelijk heeft doorgewerkt en loon heeft ontvangen, is in die periode aan de voorwaarden voor een arbeidsovereenkomst voldaan en geldt de op 4 mei 2025 opgemaakte overeenkomst als vierde overeenkomst en daarmee een voor onbepaalde tijd.
Werkgeefster stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van vier, maar van drie overeenkomsten. Volgens haar hebben partijen op 4 maart 2025 mondeling de derde arbeidsovereenkomst gesloten en is deze overeenkomst later alleen nog schriftelijk vastgelegd. Per abuis is een typefout in die overeenkomst geslopen, waardoor 4 mei 2025 in plaats van 4 april 2025 als begindatum is vermeld, aldus werkgeefster. De op 4 mei 2025 opgemaakte overeenkomst is daarom niet te beschouwen als een vierde overeenkomst.
4.8.
Vast staat dat werknemer op 4 maart 2025 via een WhatsApp-videogesprek met [naam 2] heeft gesproken over de verlenging van zijn contract. [naam 2] heeft verklaard dat zij in dat gesprek heeft gezegd dat het een bepaalde tijdscontract zou worden, onder dezelfde arbeidsvoorwaarden, en dat werknemer daar positief op heeft gereageerd. Werknemer heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij zich niet meer kan herinneren of gezegd is dat zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde of voor onbepaalde tijd zou worden verlengd. De kantonrechter acht voorshands aannemelijk dat partijen op 4 maart 2025 mondeling een verlenging van de arbeidsovereenkomst zijn overeengekomen, aansluitend op de tweede arbeidsovereenkomst. Dat deze overeenkomst pas op 4 mei 2025 schriftelijk is opgemaakt, betekent niet dat op dat moment een vierde overeenkomst tot stand is gekomen. [naam 1] heeft tijdens de zitting verklaard dat hij bij het invullen van de begindatum van de arbeidsovereenkomst in het betreffende computerprogramma per ongeluk het cijfer 5 in plaats van 4 bij de maand heeft ingevuld, waardoor in de automatisch gegenereerde arbeidsovereenkomst de maand mei in plaats van april is komen te staan. Mede gelet op de door werkgeefster overgelegde interne communicatie [1] en hetgeen in de schriftelijke arbeidsovereenkomst die is opgemaakt op 4 mei 2025 staat, acht de kantonrechter voorshands aannemelijk dat partijen op 4 maart 2025 een bepaalde tijdsovereenkomst hebben gesloten met als einddatum 31 maart 2026..
De conclusie
4.9.
Op basis van hetgeen hiervoor is overwogen acht de kantonrechter voorshands aannemelijk dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, eindigend op 31 maart 2026. Dat betekent dat het bestaan van een loonvordering vanaf die datum voorshands onvoldoende aannemelijk is geworden. De kantonrechter zal de vordering van werknemer daarom afwijzen.
4.10.
De nevenvorderingen betreffende de wettelijke verhoging en wettelijke rente zullen ook worden afgewezen, nog daargelaten dat op dit moment geen sprake is van achterstallig loon en werkgeefster niet in verzuim kan zijn voor toekomstige loonbetalingsverplichtingen. Dit laat uiteraard onverlet dat werkgeefster het loon van werknemer tot 31 maart 2026 gewoon moet blijven betalen (wat zij tot nu toe ook gewoon doet).
Werknemer moet de proceskosten betalen
4.11.
Werknemer is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van werkgeefster worden begroot op:
- salaris gemachtigde
543,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
678,00

5.De beslissing

De kantonrechter
rechtdoende als voorzieningenrechter,
5.1.
wijst de vorderingen van werknemer af,
5.2.
veroordeelt werknemer in de proceskosten van € 678,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als werknemer niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.
41245 \ 560

Voetnoten

1.Zie onder de feiten in 2.4.