Uitspraak
1.De procedure
- de akte overlegging producties van werkgeefster
Rechtbank Gelderland
Werknemer trad op 5 februari 2024 in dienst bij werkgeefster op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die meerdere malen werd verlengd. Op 4 maart 2025 is mondeling overeengekomen de arbeidsovereenkomst te verlengen, hetgeen later schriftelijk werd vastgelegd met een administratieve fout in de begindatum. Werknemer werkte na afloop van het contract feitelijk door en was vanaf 18 april 2025 arbeidsongeschikt.
Werknemer vorderde in kort geding loon vanaf 31 maart 2026, stellende dat de arbeidsovereenkomst onbepaalde tijd is geworden op grond van de cao en de ketenregeling. Werkgeefster betwistte dit en stelde dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, met een latere schriftelijke vastlegging door computerproblemen.
De kantonrechter oordeelde dat werknemer een spoedeisend belang had, maar dat voorshands aannemelijk is dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd geldt tot 31 maart 2026. De cao laat ruimte voor latere schriftelijke vastlegging van een mondeling overeengekomen contract. De ketenregeling is niet van toepassing omdat er geen vierde overeenkomst is gesloten. De loonvordering en nevenvorderingen werden afgewezen en werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De loonvordering wordt afgewezen omdat voorshands sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 31 maart 2026.