Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
3.Het verzoek en de tegenverzoeken
- te verklaren voor recht dat [verzoeker] heeft ingestemd met het ontslag op staande voet op 16 september 2025,
- de loondoorbetalingsverplichting te matigen als bedoeld in artikel 7:680a BW,
- de wettelijke verhoging te matigen tot nihil,
- [verzoeker] te veroordelen in de proceskosten,
4.De beoordeling
“aan ernstig wangedrag door met een buitenstaander in een conflictsituatie te komen en hierdoor andere collega’s in gevaar te brengen”. De hier bedoelde conflictsituatie ziet op het conflict met een gemeentemedewerker. In het verweerschrift is nog melding gemaakt van andere incidenten die dag, waaronder een incident waarbij [verzoeker] op een gevaarlijke manier en in de buurt van kinderen een bosmaaier heeft gebruikt, maar die worden in de ontslagbrief niet genoemd en kunnen daarom niet worden meegenomen in de beoordeling of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven.
“ [verzoeker] ruzie had met een gemeentemedewerker”en dat de gemeentemedewerker
“zichtbaar aangeslagen”was. Zij heeft niet zelf gezien dat
“ [verzoeker] hem uit zijn auto wilde trekken”.Op het moment dat [betrokkene 3] en [verweerder] bij [verzoeker] arriveerden, was [verzoeker] al in de auto gestapt om weg te rijden. Zij zijn dus geen getuige geweest van het ontstaan van het conflict. [betrokkene 3] heeft verklaard dat sprake was van een
“ruzie”. De gemeentemedewerker was volgens hem
“vriendelijk, maar boos”en
“als [betrokkene 2] er niet was geweest, was het waarschijnlijk uit de hand gelopen”. Dit is niet zonder meer te rijmen met dat [verweerder] ter zitting heeft verklaard dat hij met gevaar voor zichzelf tussen [verzoeker] en de gemeentemedewerker is moeten komen omdat beiden in opgewonden toestand waren en hij ze uit elkaar moest halen en tot rust moest brengen.
Tegen dit ontslag kunt u zich wenden tot de kantonrechter”. Dit geeft er blijk van dat geen sprake is van een duidelijke en onvoorwaardelijke instemming van [verzoeker] met het ontslag. De ondertekening kan daarom niet aan [verzoeker] worden tegengeworpen. De arbeidsovereenkomst is dan ook niet geëindigd met instemming van [verzoeker] . De verzochte verklaring voor recht wordt daarom afgewezen.
“mogelijk ook psychotische kenmerken”, en dat [verzoeker] zich rustig gedroeg en normaal aanspreekbaar was, maar deze feiten en omstandigheden leiden niet tot een ander oordeel. Uit de verklaring van Pro Persona blijkt genoegzaam dat het stoppen met medicatie bij [verzoeker] een proces van ontregeling op gang heeft gebracht. Volgens [verweerder] zelf heeft [verzoeker] bovendien op 1 september 2025 in een gesprek aangegeven dat hij zich ‘in de gaten gehouden/achtervolgd’ voelde. Hoewel dat toen wellicht voor [verweerder] onvoldoende signaal is geweest dat er iets met [verzoeker] aan de hand was, kan nu worden vastgesteld dat een dergelijke uitlating past bij een psychotische ontregeling. De stelling dat - kort gezegd - [verweerder] in de periode na het ontslag geen signalen heeft gekregen die wezen op arbeidsongeschiktheid geeft evenmin aanleiding voor een ander oordeel. Voor zover daarbij is verwezen naar correspondentie tussen [verweerder] en het UWV in oktober 2025, wordt daarbij nog opgemerkt dat de gemachtigde van [verzoeker] ter zitting heeft aangegeven dat [verzoeker] op 3 december 2025 bericht heeft ontvangen dat aan hem met terugwerkende kracht een ziektewetuitkering is toegekend.
bij wijze van voorlopige voorziening”is verzocht, leest de kantonrechter dit verzoek aldus dat dit verzoek ook in de bodemzaak is gedaan.
omtrent de verhindering van de werknemer om de bedongen of andere passende arbeid te verrichten (…)’. Hierop bestaat slechts een uitzondering indien de arbeidsongeschiktheid niet wordt betwist of van de werknemer in redelijkheid niet verlangd kan worden dat een second opinion wordt overgelegd.