ECLI:NL:RBGEL:2025:11616

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
458464
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing naar kantonrechter in huurovereenkomst geschil met ontruimingsvorderingen

In deze zaak heeft de Rechtbank Gelderland op 24 december 2025 een tussenuitspraak gedaan in een civiele procedure tussen [eiseres] en de gedaagden [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3]. De rechtbank heeft de vraag behandeld of de zaak, gezien de aard van het geschil, verwezen moest worden naar de kantonrechter. De eiseres, eigenaar van een woning, vordert ontruiming van de woning door de gedaagden, die zonder recht of titel in de woning verblijven. De gedaagden hebben zich verweerd door te stellen dat de rechtbank niet bevoegd is en dat de zaak naar de kantonrechter moet worden verwezen, omdat het geschil huurrechtelijke aspecten bevat. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vorderingen van de eiseres betrekking hebben op huurovereenkomsten die door de gedaagden zijn aangegaan met de overleden vader van de eiseres. De rechtbank concludeert dat de vorderingen van de eiseres, die onder andere ontruiming en gebruiksvergoeding betreffen, huurovereenkomsten zijn en dat de zaak daarom door de kantonrechter moet worden behandeld. De rechtbank heeft de zaak verwezen naar de rolzitting van de kantonrechter op 7 januari 2026, waarbij partijen niet hoeven te verschijnen. De beslissing over de proceskosten is aangehouden tot de verdere behandeling van de zaak.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/458464 / HA ZA 25-441
Vonnis in incident van 24 december 2025
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. S. van der Linde,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. S. Snoeijen,
2.
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. C. ter Braack,
3.
[gedaagde 3],
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. R.B. Rouwen,
gedaagde partijen in de hoofdzaak en in het incident,
hierna samen te noemen: gedaagden, en afzonderlijk: [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding tevens houdende vordering tot voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv,
  • de conclusie van antwoord in het incident van [gedaagde 1] ,
  • de conclusie van antwoord in het incident van [gedaagde 2] ,
  • de conclusie van antwoord in het incident van [gedaagde 3] .
1.2.
Op 13 november 2025 heeft de rechtbank aan partijen een e-mailbericht gestuurd, waarin staat dat in deze zaak de vraag is gerezen of de zaak, vanwege zijn aard, verwezen moet worden naar de kamer voor kantonzaken. In dit e-mailbericht heeft de rechtbank gedaagden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben dit vervolgens bij akte gedaan. [gedaagde 3] had zich hierover in haar conclusie van antwoord in het incident al uitgelaten.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten, voor zover van belang in het incident
2.1.
[eiseres] is eigenaar van de onroerende zaak gelegen aan het [adres 1] (hierna: de woning). [eiseres] heeft de woning in 1981 in eigendom verkregen van haar ouders. [eiseres] was op dat moment 10 jaar oud. Op het moment van levering is tevens een recht van gebruik en bewoning gevestigd ten behoeve van de ouders van [eiseres] .
2.2.
De ouders van [eiseres] zijn gescheiden en de moeder van [eiseres] heeft de woning verlaten. [eiseres] is toen bij haar vader in de woning blijven wonen. De vader van [eiseres] (hierna: [naam 1] ) is hertrouwd met [gedaagde 1] en zij heeft de woning betrokken. [eiseres] heeft nog enige tijd met haar vader en [gedaagde 1] in de woning gewoond, maar heeft de woning toen zij 21 jaar oud was (in 1991) verlaten.
2.3.
[naam 1] heeft met ingang van 15 juni 2015 een deel van de woning aan [gedaagde 3] verhuurd. Met ingang van 15 januari 2021 heeft hij een deel van de woning verhuurd aan [gedaagde 2] .
2.4.
[naam 1] is op 17 december 2024 overleden, waarmee het recht van gebruik en bewoning eindigde. [gedaagde 1] is de erfgename van [naam 1] . Na het overlijden van [naam 1] zijn [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in de woning blijven wonen.
2.5.
[gedaagde 1] heeft de woning in juli 2025 verlaten. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] wonen daar momenteel nog steeds. In maart 2025 heeft [eiseres] aan [gedaagde 2] en [gedaagde 3] een huurovereenkomst aangeboden tegen een hogere huurprijs, maar [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben geweigerd deze te tekenen, omdat zij menen dat ze elk al een geldige huurovereenkomst hebben.
2.6.
[eiseres] heeft medio september 2025 een maandelijks opzegbaar energiecontract afgesloten ten behoeve van de woning omdat anders het gas en elektra zouden worden afgesloten.

3.Het geschil

De vorderingen in de hoofdzaak

3.1.
[eiseres] vordert, verkort weergegeven, uitvoerbaar bij voorraad:
primair
voor recht te verklaren dat [gedaagde 1] zonder recht of titel gebruikmaakt van de woning en dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zonder recht of titel verblijven in de woning;
gedaagden ieder te veroordelen tot het ontruimen en het ontruimd houden van de woning binnen een termijn van zes maanden;
gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot het betalen aan [eiseres] van een gebruiksvergoeding van € 1.720,51 per maand vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van algehele ontruiming;
subsidiair
4. voor recht te verklaren dat [gedaagde 1] als erfgenaam van [naam 1] de woning onbevoegd heeft verhuurd tot en met 31 juli 2025;
5. voor recht te verklaren dat de huurovereenkomsten van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] eindigen op 31 december 2025;
6. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] te veroordelen tot het ontruimen het ontruimd houden van de woning per einddatum van de huurovereenkomst, met inachtneming van een ontruimingstermijn van zes maanden;
7. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] (hoofdelijk) te veroordelen tot het betalen aan [eiseres] van een gebruiksvergoeding van € 1.720,51 per maand vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van algehele ontruiming;
primair en subsidiair
8. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
De vorderingen in het incident
3.2.
[eiseres] vordert, verkort weergegeven, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden voor zover mogelijk hoofdelijk te veroordelen:
tot vergoeding van de door [eiseres] betaalde kosten voor gas en elektra vanaf 1 september 2025 tot en met de dag waarop gedaagden zelf een contract afsluiten voor gas en elektra;
tot het afsluiten van een energiecontract met een energiemaatschappij voor de levering van gas en elektra voor de duur van de procedure;
tot het afsluiten van een leveringscontract met Vitens voor de duur van de procedure;
tot het beëindigen en afsluiten van de bestaande internetaansluiting voor zover daar geen contract voor bestaat, met het recht voor gedaagden om gedurende de procedure een nieuw contract te sluiten met een telecomprovider voor de levering van internet;
tot betaling van een dwangsom van € 1.000,00 voor ieder(e) dag(deel) dat gedaagden niet aan de vordering onder 1 tot en met 4 voldoen, met een maximumperiode van 30 dagen, dus een maximum van € 30.000,00;
tot het vrijwaren van [eiseres] voor aanspraken van derden, waaronder nutsbedrijven en telecomproviders;
in de kosten van dit incident;
3.3.
[eiseres] stelt zich bij dagvaarding op het standpunt dat de rechtbank, sector civiel, bevoegd is om te oordelen over dit geschil. Volgens [eiseres] heeft zij géén huurrechtelijke verhouding met [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en/of [gedaagde 3] . Als [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zich beroepen op de huurovereenkomsten, dan kunnen zij dat alleen tegen hun verhuurder doen. Dat is in dit geval [gedaagde 1] , omdat zij de verplichtingen uit de huurovereenkomsten van [naam 1] na diens overlijden als erfgenaam onder algemene titel heeft voortgezet. [eiseres] is niet gebonden aan enige huurovereenkomst. Het geschil valt daarmee onder de competentie van de rechtbank, sector civiel, aldus [eiseres] .
3.4.
[gedaagde 3] stelt zich in haar conclusie van antwoord in het incident op het standpunt dat de rechtbank de zaak ambtshalve moet verwijzen naar de kantonrechter. Volgens [gedaagde 3] betreft de voorliggende rechtsvraag het huurrecht en bestaan in dit geval géén aanwijzingen dat de vorderingen tot ontruiming een waarde van méér dan € 25.000,00 vertegenwoordigt (artikel 93 sub b Rv).
3.5.
Volgens [gedaagde 1] hoort de zaak thuis bij de rechtbank, sector civiel, en moet deze niet worden verwezen naar de kantonrechter. Zij legt daaraan, in haar akte, het volgende ten grondslag. [gedaagde 1] heeft met geen van de betrokken partijen, niet met [eiseres] en ook niet met [gedaagde 2] of [gedaagde 3] , enige huurrechtelijke verhouding. Het standpunt van [gedaagde 1] in deze procedure is dat het verhuurderschap van rechtswege op [eiseres] is komen te rusten bij het overlijden van [naam 1] en de beëindiging van diens recht van gebruik en bewoning. Artikel 3:217 lid 5 BW bepaalt dat na het einde van het vruchtgebruik de hoofdgerechtigde (in dit geval [eiseres] ) verplicht is de verhuur van woonruimte voort te zetten met de huurder die op het tijdstip van beëindiging van het vruchtgebruik zijn hoofdverblijf in de woning heeft. Aan beide vereisten is voldaan. Hieruit volgt dat onmiddellijk bij het overlijden van [naam 1] , [eiseres] zélf de positie van verhuurder heeft verkregen ten aanzien van de lopende huurovereenkomsten. De rechtsverhouding tussen [eiseres] en [gedaagde 1] betreft derhalve géén huurrechtelijke verhouding, maar een goederenrechtelijke afwikkeling van het einde van een beperkt recht (gebruik en bewoning). Dit geschil valt daarmee niet onder de competentie van de kantonrechter op grond van artikel 93 sub c Rv, aldus [gedaagde 1] .
3.6.
[gedaagde 2] refereert zich in zijn akte aan het oordeel van de rechtbank wat betreft de vraag of de kantonrechter bevoegd is.

4.De beoordeling in het incident

4.1.
De rechtbank dient ambtshalve te beoordelen of verwijzing naar de kantonrechter nodig is (artikel 71 lid 2 Rv). De rechtbank neemt het volgende tot uitgangspunt. In artikel 93 aanhef en onder c Rv is onder meer bepaald dat zaken betreffende een huurovereenkomst, ongeacht het beloop of de waarde van de vordering, door de kantonrechter worden behandeld en beslist. Artikel 71 lid 2 Rv bepaalt dat indien een zaak, in behandeling bij een kamer voor andere zaken dan kantonzaken, verder moet worden behandeld en beslist door de kantonrechter, die zaak op verlangen van een van de partijen of ambtshalve wordt verwezen naar een kamer voor kantonzaken. Die beoordeling geschiedt aan de hand van een voorlopig oordeel over het onderwerp van het geschil (artikel 71 lid 3 Rv). Artikel 94 lid 2 Rv bepaalt dat indien een zaak meer vorderingen heeft en tenminste één daarvan een vordering is als bedoeld in artikel 93 onder c of d, alle vorderingen (ongeacht de omvang daarvan) door de kantonrechter worden behandeld en beslist, voor zover de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat [naam 1] in 2015 en 2021 huurovereenkomsten heeft gesloten met [gedaagde 3] en [gedaagde 2] . De primaire vorderingen van [eiseres] betreffen onder meer ontruiming door [gedaagde 2] en [gedaagde 3] van de woning van [eiseres] . Deze primaire vorderingen van [eiseres] zijn gegrond op de stellingen dat de huurovereenkomsten van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] nietig zijn, althans niet rechtsgeldig tot stand zijn gekomen, omdat [naam 1] onbevoegd was om de huurovereenkomsten aan te gaan (en geen sprake is van de schijn van volmacht of bekrachtiging door [eiseres] ). Daarnaast zijn de primaire vorderingen van [eiseres] gegrond op de stelling dat het verhuurderschap bij het overlijden van [naam 1] is overgegaan op [gedaagde 1] als erfgename, althans niet is overgegaan op [eiseres] , zodat de huurovereenkomsten haar niet binden. Daarmee zijn de primaire vorderingen ten aanzien van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] vorderingen betreffende een huurovereenkomst. Ook de subsidiaire vorderingen (tot ontruiming) zijn vorderingen betreffende een huurovereenkomst. Deze vorderingen zijn immers mede gegrond op de stelling van [eiseres] dat de huurovereenkomsten op grond van artikel 7:269 lid 2 BW dienen te eindigen en gedaagden na beëindiging tot ontruiming zijn gehouden. Ook dit zijn dus aardvorderingen in de zin van artikel 93 sub c Rv.
4.3.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat deze zaak verder moet worden behandeld en beslist door de kantonrechter. De vorderingen ten aanzien van [gedaagde 1] zijn zodanig nauw verbonden met de vorderingen ten aanzien van de bewoners van de woning, dat de samenhang ertussen zich verzet tegen afzonderlijke behandeling. Ook ten aanzien van deze vorderingen is de rechtbank dus niet bevoegd.
4.4.
Dit betekent dat het gehele geschil zal worden verwezen naar de kantonrechter. Dat betreft zowel het geschil in de hoofdzaak als het geschil in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv.
4.5.
De rechtbank zal de beslissing omtrent de proceskosten aanhouden, totdat op de vordering zal worden beslist.

5.De beslissing

De rechtbank
in de hoofdzaak en in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening
5.1.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Arnhem, kanton, op
woensdag 7 januari 2026om 10:00 uur,
5.2.
wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren,
5.3.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
5.4.
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge artikel 8 lid 4 WGBZ zal worden verlaagd en dat het eventueel teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort,
5.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.