ECLI:NL:RBGEL:2025:11768

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
458726
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 BWArt. 2 GwArt. 4 GwArt. 18 GwArt. 255 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen executiegeschil tegen deurwaarderskantoor wegens onbevoegdheid en niet-ontvankelijkheid

In deze kortgedingprocedure vordert eiser onder meer vergoeding van schade en het verbod op executiemaatregelen door het deurwaarderskantoor en de deurwaarder. Eiser stelt dat executiemaatregelen zonder geldige titel en bevoegdheid zijn getroffen en dat documenten omtrent bevoegdheid niet zijn verstrekt.

De rechtbank constateert dat eiser niet-ontvankelijk is jegens het deurwaarderskantoor omdat de gerechtsdeurwaarder als natuurlijk persoon verantwoordelijk is en niet de besloten vennootschap. Tegen de deurwaarder is verstek verleend. De vorderingen tegen de deurwaarder worden afgewezen omdat het arrest waarop executie is gebaseerd niet klaarblijkelijk onjuist is en geen noodtoestand is ontstaan.

De rechtbank oordeelt dat bij het beslag rekening is gehouden met het beslagvrije bedrag en dat de executie niet onrechtmatig is. De proceskosten worden aan eiser opgelegd. Het vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en op 3 december 2025 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Vorderingen van eiser worden afgewezen en eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard jegens het deurwaarderskantoor; proceskosten worden aan eiser opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/458726 / KZ ZA 25-180
Vonnis in kort geding van 3 december 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. B.H.A. Augustin,
tegen
de besloten vennootschap,
1.
[gedaagde 1],
statutair gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
procederend in persoon,

2 2. [gedaagde 2] ,

wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2]
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding inclusief 5 producties
- de producties 1 tot en met 21 van [gedaagde 1]
- de mondelinge behandeling van 26 november 2025.

2.De feiten

2.1.
In een vonnis van 20 september 2023 van de kantonrechter van de rechtbank Midden Nederland, locatie Utrecht is [eiser] veroordeeld tot betaling aan [gedaagde 2] van een bedrag van € 4.818,00.
2.2.
[gedaagde 2] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof). [eiser] is niet verschenen voor de zitting van het hof en het hof heeft tegen hem verstek verleend. In een arrest van 11 juni 2024 heeft het hof [eiser] veroordeeld tot betaling aan [gedaagde 2] van een bedrag van € 10.569,01.
2.3.
Het arrest van het hof van 11 juni 2024 is op 8 juli 2024 betekend aan [eiser] door gerechtsdeurwaarder [naam 1] , met gelijktijdig bevel om binnen twee dagen aan de inhoud daarvan te voldoen. [naam 1] is toegevoegd aan gerechtsdeurwaarder [naam 2] . Het kantoor van [naam 2] is [gedaagde 1] .
2.4.
Met een e-mail van 16 oktober 2024 heeft [eiser] [gedaagde 1] verzocht om de volgende documenten te overleggen:
“1. Uw beëdigingsakte op grond van artikel 4 lid Pro 1-2 Gdw volgens het Koninklijk Besluit. Een uittreksel van de KBvG achten wij niet voldoende.
2. Een akte van Cessie, aangezien u de schulden van uw opdrachtgever hebt overgenomen.
3. Van uw kantoor willen wij de volmachten ontvangen van alle medewerkers en bestuurders.”
2.5.
Op 16 oktober 2024 heeft [naam 2] op verzoek van [gedaagde 2] beslag gelegd onder de ING-bank op de zakelijke rekening van [eiser] . Op 30 oktober 2024 heeft de ING-bank verklaard dat het totale tegoed dat op het tijdstip van het beslag aanwezig was € 6.245,45 bedroeg en dat als er een beslagvrij bedrag in het exploot is vermeld dat beslagvrije bedrag al in mindering is gebracht op het totaal getroffen tegoed. Dit bedrag is op 12 november 2024 afgedragen door de ING-bank.
2.6.
Met een brief van 22 oktober 2024 heeft [gedaagde 1] op het verzoek van [eiser] van 16 oktober 2025 gereageerd. Daarin heeft [gedaagde 1] onder meer geschreven in het gestelde geen aanleiding te zien inhoudelijk te reageren, dat [eiser] door de rechter is veroordeeld in de betaling, dat het de wettelijke taak van [gedaagde 1] is om nakoming van de uitspraak te bewerkstelligen en dat de gerechtsdeurwaarder verplicht is om ambtshandelingen te verrichten als daarom wordt gevraagd. [eiser] heeft [gedaagde 1] vervolgens meermaals schriftelijk in gebreke gesteld vanwege het niet het aanleveren van de verzochte documenten.
2.7.
Op 6 december 2024 heeft [naam 1] in opdracht van [gedaagde 2] beslag gelegd onder de Belastingdienst op alle daar gemelde voor beslag vatbare teruggaven. Op 15 januari 2025 heeft [naam 1] in opdracht van [gedaagde 2] nogmaals beslag gelegd onder de ING-bank op de zakelijke rekening van [eiser] . Deze laatste twee beslagen hebben geen doel getroffen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
gedaagde veroordeelt om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 6.325,45 ter vergoeding van de geleden schade als gevolg van de onrechtmatige daad van gedaagde, te vermeerderen met de wettelijke rente en boeterente en gedaagde verbiedt om over te gaan tot enige (voorlopige of definitieve) executiemaatregel jegens [eiser] zolang niet is aangetoond dat a. er een rechtsgeldige titel bestaat, b. gedaagde daartoe bevoegd is; c. er een rechtshandeling heeft plaatsgevonden;
gedaagde veroordeelt om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de volgende documenten te verstrekken: a. de beëdigingsakte en het Koninklijk Besluit conform art. 4 en Pro 18 Gerechtsdeurwaarderswet; b. De akte van cessie en de wilsverklaring van eiser; c de volmachten van bestuurders conform formulieren 18 en 20 van de Handelsregisterwet;
gedaagde veroordeelt tot terugbetaling van het bedrag van € 6.325,45, onrechtmatig geïncasseerd op 12 november 2024, te vermeerderen met de wettelijke rente;
gedaagde veroordeelt in de kosten van dit geding.
3.2.
[eiser] legt aan de vorderingen – verkort weergegeven – ten grondslag dat de executiemaatregelen zijn getroffen zonder overlegging van een geldige executoriale titel, volmacht of onderliggende bevoegdheid. Executie zonder rechtsgeldige titel is nietig. Verder heeft [eiser] zijn prioriteitsrecht laten vastleggen en legaliseren bij een notariskantoor en vervolgens voorzien van een apostille bij de rechtbank. Hierdoor is geen enkele partij bevoegd om enige vordering in te stellen of executiemaatregelen te nemen ten aanzien van de bezittingen van [eiser] . Dit prioriteitsrecht is van internationale aard en prevaleert boven nationale wetgeving. Tot slot blijkt uit de onderliggende stukken dat in alle beslagleggingen geen rekening is gehouden met de beslagvrije voet. Hierdoor wordt in strijd gehandeld met dwingend recht. [eiser] heeft een spoedeisend belang nu de dreiging van onrechtmatige executie leidt tot ernstige, directe en mogelijk onherstelbare schade. [eiser] is door de handelingen van gedaagde financieel uitgeput.
3.3.
[gedaagde 1] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Verstek tegen [gedaagde 2]
4.1.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 2] een schriftelijke reactie ingediend. Gelet op wat is bepaald in artikel 11.2 van het “Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken” zal hierop geen acht worden geslagen, omdat [gedaagde 2] niet is verschenen op de mondelinge behandeling. Het is op namelijk niet mogelijk om schriftelijk in een kort-gedingprocedure te verschijnen. [1] Hierop is [gedaagde 2] ook gewezen in de dagvaarding, waarin is aangezegd dat [gedaagde 2] voorafgaand aan de mondelinge behandeling een schriftelijke reactie kan indienen, maar dat dit hem niet ontslaat van de verplichting in persoon of bij gemachtigde op de mondelinge behandeling te verschijnen en dat als hij niet aan die verplichting voldoet, tegen hem verstek zal worden verleend. Tegen [gedaagde 2] zal dan ook verstek worden verleend. Desalniettemin zal geen verstekvonnis worden gewezen, maar een vonnis op tegenspraak nu [gedaagde 1] als andere gedaagde wel in het geding is verschenen.
Toetsingskader kort geding
4.2.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij de voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
Spoedeisend belang.
4.3.
[eiser] stelt dat hij onrechtmatige executie wil voorkomen. In de aard van die stelling ligt een spoedeisend belang besloten, zodat [eiser] ontvankelijk is in zijn vorderingen.
Vorderingen
4.4.
De voorzieningenrechter stelt vast dat [eiser] in zijn vorderingen geen onderscheid maakt tussen beide gedaagden terwijl het om hier om verschillende eisen en grondslagen gaat. Voor zover de vorderingen zijn gericht tegen [gedaagde 2] , waartegen verstek is verleend, geldt dat een vordering in verstek alleen kan worden toegewezen als de rechtbank de vordering niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
Verbod op executiemaatregelen
4.5.
[eiser] vordert onder meer gedaagde te verbieden om over te gaan tot enige (voorlopige of definitieve) executiemaatregel jegens hem. Een vordering in kort geding tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan in het geval tegen een vonnis geen rechtsmiddelen openstaan en deze kracht van gewijsde hebben zoals hier het geval, alleen worden uitgesproken indien de (verdere) tenuitvoerlegging misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) zou opleveren. Daarvan is sprake als het te executeren vonnis (of in dit geval arrest) klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, of indien na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk een noodtoestand doen ontstaan voor de geëxecuteerde, zodat onverwijlde tenuitvoerlegging onaanvaardbaar is. Misbruik van bevoegdheid is evenwel niet tot deze gevallen beperkt. [2]
4.6.
[eiser] heeft niet gesteld dat het arrest van het hof klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, noch heeft hij gesteld of onderbouwd dat na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk een noodtoestand voor hem doen ontstaan. Dit maakt dat [gedaagde 2] gerechtigd is om het arrest ten uitvoer te (laten) leggen en aan hem terecht het bedrag is overgemaakt dat door het beslag is getroffen.
Hoogte bedrag, beslagvrije voet.
4.7.
[eiser] heeft betoogd dat bij het overmaken van het bedrag geen rekening is gehouden met de beslagvrije voet. [gedaagde 1] heeft ter zitting echter toegelicht dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de beslagvrije voet bij een beslag op inkomen en een beslagvrij bedrag zoals wordt gehanteerd bij bankbeslagen zoals hier het geval. In dit geval is rekening gehouden met het juiste beslag vrije bedrag. [eiser] heeft dit standpunt desgevraagd ter zitting niet bestreden.
Tussenconclusie ten aanzien van de vorderingen voor zover gericht tegen [gedaagde 2]
4.8.
Voor zover de vorderingen tot terugbetaling van het bedrag van € 6.325,45, en het verbieden om over te gaan tot enige executiemaatregel zijn gericht tegen [gedaagde 2] (nu dit niet duidelijk in de dagvaarding is gespecificeerd) kunnen deze vorderingen niet worden toegewezen omdat deze de voorzieningenrechter gelet op het voorgaande ongegrond voorkomen.
Bevoegdheid deurwaarder
4.9.
[eiser] stelt dat hij vragen heeft gesteld aan [gedaagde 1] over diens bevoegdheid om executiemaatregelen te treffen, maar dat hij geen antwoord heeft gekregen op die vragen. Ook heeft [gedaagde 1] de door [eiser] verzochte stukken niet aan hem verstrekt. [gedaagde 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat niet zij als kantoor, maar de deurwaarder in persoon had moeten worden gedagvaard voor zover de onder 3.1. weergegeven vorderingen zich tegen haar richten. [gedaagde 1] kan ook niet over het door [eiser] gevorderde bedrag beschikken, want dat kan alleen de deurwaarder. Dit verweer slaagt. De voorzieningenrechter overweegt daartoe het volgende.
4.10.
De taken en bevoegdheden van gerechtsdeurwaarder zijn beschreven in de Gerechtsdeurwaarderswet (hierna: Gw). De gerechtsdeurwaarder is als natuurlijk persoon een door de Kroon benoemde ambtenaar met een onafhankelijke positie. Als openbaar ambtenaar is hij belast met de uitvoering van een zeer groot aantal, bij diverse wettelijke voorschriften aan hem opgedragen of voorbehouden taken die met name liggen op het gebied van het burgerlijk procesrecht. Een opdracht tot het verrichten van ambtshandelingen wordt niet gegeven aan de gerechtsdeurwaarder als ambtelijk orgaan, maar aan de natuurlijk persoon die het ambt bekleedt. De gerechtsdeurwaarder is de enige die verantwoordelijk is voor zijn handelen en ook de enige die behoort te worden aangesproken. In de onderhavige procedure gaat het om de ambtelijke taak van de gerechtsdeurwaarder als openbaar ambtenaar in de zin van artikel 2 van Pro de Gw. Ten aanzien van die taak kan geen sprake zijn van delegatie aan en/of uitvoering door enigerlei besloten vennootschap. [eiser] kan een vordering tot terugbetaling van een bedrag uit onrechtmatige daad of het opvragen van documenten die zien op de bevoegdheid van de deurwaarder dan ook niet instellen jegens [gedaagde 1] als besloten vennootschap, maar had dat moeten doen tegen de persoon van de deurwaarder. [eiser] is daarom niet ontvankelijk in zijn vorderingen jegens [gedaagde 1] .
Proceskosten
4.11.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde 1] worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
892,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] voor zover gericht tegen [gedaagde 2] af,
5.2.
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen voor zover gericht tegen [gedaagde 1] ,
5.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde 1] B.V van € 892,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025.
1518

Voetnoten

1.Zie artikel 255 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2.Zie het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 en het arrest van de Hoge Raad van 22 april 1983 (ECLI:NL:HR:1983:AL4575).