ECLI:NL:RBGEL:2025:11770

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
459537
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot schorsing ontruiming voormalige echtelijke woning na echtscheiding

Partijen zijn in 1985 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en bezitten gezamenlijk een woning. Na het verzoek tot echtscheiding door gedaagde in maart 2024 is bepaald dat de woning aan eiser wordt toegedeeld, mits hij deze binnen zes maanden koopt en levert. Bij het niet slagen van aankoop moet de woning worden verkocht en ontruimd.

Eiser heeft de woning niet binnen de gestelde termijn kunnen kopen. Gedaagde heeft daarop de verkoop in gang gezet en eiser bevolen de woning te ontruimen. Eiser vordert in kort geding uitstel van ontruiming en het recht om alsnog binnen twee maanden de woning te kopen tegen de eerder vastgestelde prijs.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij de financiering rond heeft en dat hij onvoldoende inspanningen heeft verricht om de termijn na te komen. Het belang van gedaagde om de woning te verkopen en uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te worden ontslagen weegt zwaarder dan het belang van eiser bij uitstel.

De vorderingen van eiser worden afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vorderingen van eiser tot schorsing van de ontruiming worden afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/459537 / KZ ZA 25-187
Vonnis in kort geding van 24 december 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A.W. Hooijen,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. W.H. Boer.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de producties van [eiser]
- de conclusie van antwoord
- de producties van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 11 december 2025
- de pleitnota van [eiser]
- de pleitnota van [gedaagde] .

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op [datum] 1985 met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Tot die gemeenschap behoort onder meer de gezamenlijk in eigendom toebehorende woning aan [adres 1] (hierna: de woning).
2.2.
Namens [gedaagde] is op 28 maart 2024 een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend. [gedaagde] heeft daarbij te kennen gegeven dat zij de woning niet toebedeeld wenst te krijgen. [gedaagde] heeft [eiser] verzocht aan te geven of en zo ja welke onroerende zaken hij toegedeeld zou willen krijgen en welke onroerende zaken eventueel verkocht zouden kunnen worden. [eiser] heeft in een e-mail van 7 juni 2024 aangegeven dat hij graag in de woning zou willen blijven wonen als dat haalbaar is. Hij heeft vervolgens geen concrete voorstellen voor verdeling gedaan.
2.3.
Op 26 juli 2024 heeft [gedaagde] een aanvullend verzoekschrift bij de rechtbank ingediend. Hierin is namens haar onder meer verzocht te bepalen dat de volgende tot de huwelijksgoederengemeenschap behorende onroerende zaken dienen te worden verkocht aan een derde waarbij de verkoopopbrengst verminderd met de restant hypothecaire geldleningen bij helfte dient te worden verdeeld:
een perceel grond gelegen aan [adres 2] ;
het woonhuis, met ondergrond, erf, tuin, weiland en weggetje staande en
gelegen aan [adres 1] ;
een weiland gelegen aan [adres 3] ;
een weiland gelegen aan [adres 4] .
2.4.
Op 6 februari 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden in de echtscheidingsprocedure. In het dictum van de beschikking van de rechtbank van 20 maart 2025 is over de verdeling van de onroerende zaken onder meer het volgende opgenomen:
“4.4. gelast de wijze van verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen van
partijen als volgt:
Een perceel grond, het woonhuis, de weilanden en de hypothecaire geldleningen
(posten a tot en met d.):
- aan de man worden toegedeeld de woning, perceel grond, de kelder en de weilanden
voor de totale waarde van € 1.047.000, waarbij:
o de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen;
o de man de helft van de overwaarde van de woning van € 851.000
(€ 1.047.000 - € 196.000) op het moment van de notariële overdracht, aan de
vrouw zal vergoeden, te weten een bedrag van € 425.500;
o de notariële levering van het eigenaarsdeel van de vrouw aan de man
uiterlijk binnen zes maanden na de datum van inschrijving van de
echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand
plaatsvindt;
o de weilanden worden verkocht en de verkoopopbrengst daarvan op de
derdenrekening in depot bij de notaris blijven ten behoeve van de
vergoeding aan de vrouw voor de levering van haar eigenaarsdeel in de
echtelijke woning;
o de man de woonlasten van de echtelijke woning voor zijn rekening neemt;
- in het geval dat het de man niet lukt om binnen zes maanden na de datum van
inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke
stand de echtelijke woning geleverd te krijgen onder voornoemde voorwaarden,
brengt hij de vrouw daarvan onmiddellijk op de hoogte en geldt het volgende:
o de woning, perceel grond, de kelder en de weilanden dienen te worden
verkocht aan een derde, waarbij de verkoopopbrengst verminderd met de
restant hypothecaire geldleningen bij de ING Bank met leningnummers [nummer 1]
en [nummer 2] tussen partijen bij helfte dient te worden verdeeld;
o de man dient, binnen 14 dagen nadat bekend is dat het de man niet lukt om
de woning geleverd te krijgen en hij de vrouw daarvan bericht heeft gedaan,
aan [de makelaar] onvoorwaardelijk opdracht
te geven om als makelaar de hiervoor genoemde onroerende zaken te
taxeren, de vraagprijs, de laatprijs en bodemprijs vast te stellen en deze
onroerende zaken in de verkoop te nemen en te houden;
o wanneer de man niet binnen 14 dagen nadat bekend is dat het de man niet
lukt om de woning geleverd te krijgen en hij de vrouw daarvan bericht heeft
gedaan, een opdracht tot verkoop aan [de makelaar]
verstrekt, treedt deze beschikking in de plaats van de
noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de
man tot het in de verkoop geven en het in de verkoop houden van de hiervoor genoemde onroerende zaken bij [de makelaar]
, conform de door die makelaar vast te stellen vraagprijs en
bodemprijs;
o (…)
o de man dient de tot de huwelijksgoederengemeenschap van partijen
behorende onroerende zaken te ontruimen, ontruimd te houden en te verlaten
en deze leeg en schoon op te leveren, onder overhandiging van de sleutels
aan [de makelaar] en/of de betrokken notaris
uiterlijk 14 dagen na het verstrekken van de opdracht tot verkoop aan [de makelaar]
, dan wel uiterlijk binnen 14 dagen
nadat deze beschikking in de plaats is getreden van de noodzakelijke
toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man tot het in
de verkoop geven van de hiervoor genoemde onroerende zaken aan [de makelaar]
.”
2.5.
Op 1 april 2025 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van [de gemeente] . De echtscheidingsbeschikking en het bewijs van inschrijving zijn op 16 april 2025 in persoon aan [eiser] betekend.
2.6.
Op 30 september 2025 had de notariële levering gerealiseerd moeten zijn aan [eiser] . [gedaagde] heeft [de makelaar] (hierna: de makelaar) op de hoogte gesteld van het feit dat de woning niet binnen de in de echtscheidingsbeschikking opgenomen termijn van zes maanden is geleverd aan [eiser] .
2.7.
De makelaar heeft met een e-mail van 15 oktober 2025 aan partijen en hun advocaten een ‘Opdracht tot dienstverlening’ gestuurd. De makelaar heeft daarin een vraagprijs van € 1.100.000,0 opgenomen. [gedaagde] heeft de opdracht tot dienstverlening binnen veertien dagen na 15 oktober 2025 ondertekend. [eiser] heeft niet binnen veertien dagen na 15 oktober een verkoopopdracht aan de makelaar verstrekt, waardoor de echtscheidingsbeschikking in de plaats is getreden van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [eiser] tot het in verkoop geven van de onroerende zaken door de makelaar.
2.8.
[gedaagde] heeft op 11 november 2025 aan [eiser] laten betekenen de grosse van de echtscheidingsbeschikking van 20 maart 2025, het bewijs van inschrijving van die beschikking in de registers van de burgerlijke stand van 1 april 2025 en het e-mail bericht van de makelaar van 15 oktober 2025. Daarnaast heeft [gedaagde] aan [eiser] bevel gedaan om binnen veertien dagen na 11 november 2025 aan de inhoud van de echtscheidingsbeschikking te voldoen en daarom de tot de huwelijksgoederengemeenschap van partijen behorende onroerende zaken te ontruimen, ontruimd te houden en te verlaten en deze leeg en schoon op te leveren, onder overhandiging van de sleutels aan de makelaar en/of de betrokken notaris.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
3.1.1.
te bepalen dat [eiser] in staat moet worden gesteld om binnen een termijn van twee maanden na datum van dit vonnis, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, de woning alsnog aan te kopen en geleverd te krijgen tegen betaling van primair de in de beschikking vastgestelde verkoopprijs van € 1.047.000,-, subsidiair de door de makelaar geadviseerde verkoopprijs van € 1.048.000,-;
3.1.2.
te bepalen dat indien [eiser] de woning niet aankoopt zoals genoemd onder 3.1.1. hij te allen tijde het recht heeft om de woning te kopen tegen de bij een verkoop in de markt hoogst geboden prijs plus € 1,- met verder gelijkluidende voorwaarden;
3.1.3.
[gedaagde] te verbieden om gedurende:
  • primair – de periode dat de woning nog niet daadwerkelijk verkocht en geleverd is,
  • subsidiair – de onder 3.1.1. genoemde termijn van twee maanden na datum van dit vonnis, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen andere termijn,
gebruik te maken van haar recht om aanspraak te maken op ontruiming en het verlaten van de woning en [gedaagde] te verbieden om gedurende deze termijn de beschikking (voor wat betreft de ontruiming) te executeren;
3.1.4.
de proceskosten tussen partijen te compenseren.
3.2.
[eiser] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. Het is jegens [eiser] onredelijk en levert zelfs misbruik van recht op als hij nu wordt gedwongen de woning te ontruimen en te verlaten. [eiser] is op dit moment in staat de woning te kopen voor € 1.047.000,- en [gedaagde] daarmee uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ten opzichte van de bank te laten ontslaan. [gedaagde] heeft daardoor geen enkel financieel belang meer bij de ontruiming van de woning. Ook heeft zij geen ander belang bij daadwerkelijke ontruiming van de woning omdat [eiser] alle medewerking aan de makelaar zal verlenen aan eventuele bezichtigingen. Nu [gedaagde] geen belang heeft bij ontruiming maakt zij misbruik van recht als zij daaraan vasthoudt. Ook wordt [eiser] in een directe en acute noodsituatie gebracht als hij de woning moet ontruimen. Hij beschikt op korte termijn niet over een andere woning waardoor hij dakloos zal worden. Ook heeft [eiser] geen opslagmogelijkheden voor zijn meubilair, zijn woonraad en alle overige zaken rondom de woning. Hiermee is ook zijn spoedeisend belang gegeven.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde] voert daartoe het volgende aan. [eiser] heeft er lange tijd en in ieder geval vanaf de beschikking van 20 maart 2025 rekening mee moeten houden dat hij [gedaagde] op passende wijze moest uitkopen of dat hij de woning zou moeten verlaten in verband met de verkoop aan een derde. [eiser] heeft bewust ingestemd met de afspraken uit die beschikking en hij heeft een redelijke termijn gehad om die afspraken na komen. Dat [eiser] die fatale termijn – zonder taal of teken – heeft laten verstrijken, komt voor zijn rekening en risico. [gedaagde] betwist dat [eiser] de financiering nu rond zou hebben gelet op zijn leeftijd en huidige inkomen. Ook is niet gebleken van een ondertekende financieringsovereenkomst. Het is voor [gedaagde] niet voordeliger als [eiser] de woning alsnog koopt, omdat de huidige vastgestelde vraagprijs aanzienlijk hoger is dan het bedrag dat hij wil betalen. Ook heeft zij belang bij de ontruiming, omdat [eiser] tot op heden geen enkele medewerking heeft verleend aan de verdeling dan wel de verkoop van de onroerende zaken. [eiser] heeft de makelaar belemmerd om zijn werkzaamheden goed uit te voeren en hem agressief benaderd. Het verkoopproces kan alleen ongestoord verlopen als [eiser] de onroerende zaken daadwerkelijk heeft verlaten. De woning is op dit moment niet verkoop klaar gelet op de chaos in en rondom de woning. Als de onroerende zaken zijn ontruimd, zal dit de verkoop bevorderen en prijsverhogend werken. Ook betwist [gedaagde] dat een noodsituatie voor [eiser] zal ontstaan. Hij kan waarschijnlijk tijdelijk bij zijn zus terecht en ook zijn er voldoende opslagmogelijkheden voor zijn spullen.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het spoedeisend belang bij de vorderingen van [eiser] is gegeven. Niet in geschil is dat hij op grond van de beschikking van 20 maart 2025 de woning al had moeten ontruimen. [gedaagde] heeft het spoedeisend belang ook niet weersproken.
Het toetsingskader
4.2.
De vorderingen van [eiser] komen er op neer dat hij verzoekt om schorsing van voornoemde beschikking. Tegen deze beschikking hebben partijen geen hoger beroep ingesteld. De beschikking heeft dus kracht van gewijsde en is onherroepelijk. [eiser] is in deze beschikking veroordeeld om mee te werken aan verkoop aan een derde als hij de woning niet zelf binnen een half jaar heeft kunnen overnemen en om de woning daartoe te ontruimen binnen veertien dagen nadat (kort gezegd) de opdracht aan de makelaar is verstrekt de woning te verkopen. Vaststaat dat [eiser] de woning niet binnen een half jaar heeft kunnen overnemen, zodat hij in beginsel moet meewerken aan verkoop van de woning aan een derde.
4.3.
In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis (of in dit geval beschikking) slechts schorsen, indien zij van oordeel is dat de executant geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Daarbij moet ook gelet worden op de belangen van de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.
4.4.
[eiser] heeft niets gesteld over een juridische of feitelijke misslag en daarvan is ook niet gebleken. Wat dan resteert is een belangenafweging. [eiser] stelt dat aan zijn kant een noodtoestand ontstaat als hij de woning moet ontruimen.
Belangenafweging
4.5.
De rechtbank heeft in de beschikking van 20 maart 2025 de beslissing over de uitvoerbaar bij voorraadverklaring niet gemotiveerd. Daarom mogen bij de beoordeling van de vraag, of er omstandigheden zijn die meebrengen dat het belang van [eiser] bij het kunnen blijven wonen in de woning zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij de tenuitvoerlegging van de beschikking van 20 maart 2025, eventueel ook omstandigheden worden betrokken die niet nieuw zijn. Deze belangenafweging valt echter in het nadeel van [eiser] uit. Daarvoor acht de voorzieningenrechter het volgende van belang.
4.6.
[eiser] heeft onvoldoende aangetoond dat hij op dit moment daadwerkelijk in staat is om de woning te financieren en [gedaagde] uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van de hypothecaire lening bij de bank te ontslaan. [eiser] heeft gesteld dat hij langere tijd bezig is geweest de financiering rond te krijgen, maar dat dit niet eerder is gelukt omdat het een complexe financiering betreft, waarvoor ook de medewerking van een derde (in dit geval zijn zus) noodzakelijk is. Ondanks deze naar eigen zeggen complexe financieringsconstructie heeft [eiser] alleen een brief van 19 november 2025 van [bedrijf 1] overgelegd gericht aan “Mijne heren” waarin onder meer staat dat [eiser] heeft verzocht om financiering, dat hij daarvoor vier onroerende zaken in onderpand wil geven, dat de cliënt van [bedrijf 1] heeft aangegeven bereid te zijn de lening te verstrekken, dat inmiddels opdracht is verstrekt aan een notaris en dat in het kader van die opdracht meerdere akten moeten worden gemaakt. De cliënt van [bedrijf 1] zou de gevraagde leensom ten behoeve van [eiser] hebben gereserveerd. Daarmee is geen sprake van een financieringsofferte, laat staan een financieringsovereenkomst met voorwaarden. Verder heeft [eiser] een foto overgelegd van een betalingsbewijs door of aan de notaris dat enkel meer vragen oproept omdat niet duidelijk is of de notaris dat bedrag heeft ontvangen of juist heeft uitgegeven en door of aan wie de betaling is verricht. In het kader van een complexe financieringsconstructie mag op zijn minst worden verwacht dat [eiser] beschikt over een door partijen ondertekende overeenkomst tot geldlening.
4.7.
Ondanks dat [eiser] dus al op 20 maart 2025 bekend was met de in de beschikking genoemde fatale termijn is onvoldoende gebleken dat hij in de tussenliggende periode daadwerkelijk financiers heeft benaderd om de aankoop van de woning voor elkaar te krijgen. Ook is niet gebleken dat [eiser] heeft geprobeerd vervangende woonruimte te zoeken voor het geval dit hem niet binnen de gestelde fatale termijn zou lukken. Daartegenover staat het belang van [gedaagde] om op korte termijn over de overwaarde van de onroerende zaken te kunnen beschikken omdat zij al langere tijd is aangewezen op een voor haar relatief dure huurwoning en zij niet in staat is een andere woning te kopen zolang zij hoofdelijk aansprakelijk is voor de hypothecaire geldlening bij de bank. Ook heeft [gedaagde] voldoende onderbouwd dat het voor verkoop van de woning van belang is dat [eiser] niet meer in de woning woont omdat hij in het verleden de werkzaamheden van de makelaar heeft belemmerd. Dat het voor [eiser] ingrijpend is als hij de woning moet verlaten, is een evident gevolg van de in de beschikking uitgesproken ontruiming waarmee hij nog een termijn van ruim zes maanden heeft gekregen en waarmee hij bewust heeft ingestemd. Dat [eiser] om dit moment (nog) geen andere geschikte woonruimte heeft is weliswaar vervelend, maar gelet op het voorgaande kan niet Van [gedaagde] worden verlangd dat zij nog langer moet wachten op de tenuitvoerlegging van de afspraken in de beschikking.
Conclusie
4.8.
In dit geval wegen de belangen van [eiser] bij behoud van de bestaande toestand dan ook niet zwaar genoeg om af te wijken van de hoofdregel dat [gedaagde] een onherroepelijke en uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking direct ten uitvoer mag leggen. Zoals hiervoor overwogen weegt haar belang om de beschikking nu ten uitvoer te leggen, zodat zij ontruiming van de woning en verkoop daarvan aan een derde kan bewerkstelligen, in dit geval zwaarder. De conclusie is daarom dat zowel de primaire, als de subsidiaire vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
Proceskosten
4.9.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [gedaagde] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [eiser] niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.375,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.375,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.
1518