ECLI:NL:RBGEL:2025:11771

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
459893
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 475 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering voorschot schadevergoeding wegens onjuist btw-advies margeregeling

Eiser, handelend in tweedehands auto's, vordert een voorschot van €350.252,12 van gedaagde, een administratiekantoor dat hem adviseerde de margeregeling btw toe te passen. Dit advies bleek onjuist, waardoor naheffingsaanslagen van de Belastingdienst volgden en beslag werd gelegd op gelden en voertuigen van eiser.

Gedaagde erkent een schadebedrag van circa €206.000, maar betwist de rest van de schade en het causaal verband met haar handelen, met name voor de BPM-aanslagen en overige gevolgen. Eiser onderbouwt zijn hogere schade niet voldoende.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht heeft op het gevorderde voorschot. Bovendien ligt er beslag op de gelden bij gedaagde en haar verzekeraar, waardoor betaling niet mogelijk is zonder schending van beslagregels.

De vordering wordt daarom afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door rechter K.H.A. Heenk en op 31 december 2025 uitgesproken.

Uitkomst: De vordering tot betaling van een voorschot op schadevergoeding wordt afgewezen wegens beslag op gelden en onvoldoende aannemelijkheid van hogere schade.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/459893 / KZ ZA 25-193
Vonnis in kort geding van 31 december 2025
in de zaak van
[eiser] HANDELEND ONDER DE NAAM [eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. E. van der Maal,
tegen

1.de vennootschap onder firma [gedaagde 1] ,

te [plaats] ,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats] ,
3.
[gedaagde 3],
te [plaats] ,
4.
[gedaagde 4],
te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaten: mr. S.H Eman en mr. F.E. Rijpkema.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding inclusief 28 producties van [eiser]
- de producties 29 tot en met 36 van [eiser]
- de conclusie van antwoord inclusief 7 producties van [gedaagden]
- de mondelinge behandeling van 18 december 2025
- de pleitnota van [eiser]
- de pleitnota van [gedaagden] .

2.De feiten

2.1.
[eiser] richt zich op de in- en verkoop van tweedehands auto’s, die veelal in het buitenland worden aangekocht. Tot 20 mei 2020 stond de eenmanszaak op naam van [naam 1] die de onderneming heeft overgedragen/verkocht aan zijn neef [eiser] . [naam 1] verricht nog steeds werkzaamheden voor [eiser] .
2.2.
Sinds 2020 verzorgde [gedaagden] administratieve werkzaamheden voor [eiser] . Tot die werkzaamheden behoorden onder meer het opstellen en indienen van jaarrekeningen en de aangiften omzetbelasting (btw) en vennootschapsbelasting. Op 2 oktober 2025 heeft [gedaagden] zich uitgeschreven als belastingconsulent en is de dienstverlening aan [eiser] geëindigd.
2.3.
Gedurende de dienstverlening heeft [gedaagden] [eiser] geadviseerd om de margeregeling toe te passen op ingekochte tweedehands auto’s. Dit houdt in dat de btw niet wordt berekend over de omzet, maar over de winstmarge (het verschil tussen de verkoop- en de inkoopprijs). Alleen bij een positieve winstmarge moet in dat geval btw worden betaald. Achteraf is gebleken dat de margeregeling ten onrechte is toegepast.
2.4.
Medio april 2024 heeft een medewerker van de Belastingdienst aangekondigd in gesprek te willen gaan voor wat betreft het instellen van administratief onderzoek omdat er een mismatch was ontstaan in de aangifte. Op 30 april 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden met medewerkers van de belastingdienst en [gedaagde 4] en [naam 1] namens [eiser] . Daarna is het onderzoek van de Belastingdienst uitgebreid en is onderzoek gedaan naar de btw-aangiften en de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) over de periode 1 januari 2023 tot en met 30 juni 2024.
2.5.
De belastingdienst heeft geconstateerd dat er onjuiste aangiften btw en BPM zijn gedaan in 2023 en deels in 2024. De gevolgen van dit onderzoek zijn op 27 juni 2024 besproken met [eiser] . Naar aanleiding van de onjuiste aangiften btw en BPM heeft de belastingdienst naheffingsaanslagen opgelegd aan [eiser] . Over 2023 is een naheffingsaanslag voor de btw opgelegd van € 257.586,00 en over 2024 van € 269.649,00. Daarnaast is voor de BPM een naheffingsaanslag opgelegd van € 361.062,00.
2.6.
[gedaagden] heeft vervolgens berekend welke schade door haar advies is veroorzaakt. Daarbij heeft zij aan de hand van facturen berekend welk btw-bedrag door [eiser] – na haar advies om de margeregeling toe te passen – niet aan klanten in rekening is gebracht, terwijl dit bedrag wel aan de belastingdienst moest worden voldaan. Daarbij kwam [gedaagden] uit op een bedrag van ongeveer € 206.000,00. [gedaagden] heeft deze schade gemeld bij haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar (hierna: de verzekeraar), die de fout eveneens heeft erkend en de schadeafwikkeling ter hand heeft genomen.
2.7.
De belastingdienst heeft naar aanleiding van de naheffingsaanslagen onder meer op 22 augustus 2025 beslag gelegd onder de verzekeraar voor een bedrag van € 672.754,59 en op 27 november 2025 onder [gedaagden] voor een bedrag van € 299.047,00. Ook heeft de belastingdienst diverse voertuigen van [eiser] in beslag genomen en geveild.
2.8.
De verzekeraar heeft in een derdeverklaring aangegeven dat zij niets onder zich heeft van [eiser] nu er geen directe aanspraak bestaat van [eiser] op de verzekeraar. Naar aanleiding daarvan heeft de belastingdienst een brief gestuurd aan de verzekeraar met het verzoek het gelegde beslag alsnog te respecteren.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat – [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om aan [eiser] een voorschot op de geleden en nog te lijden schade te voldoen van € 350.252,12, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiser] legt – kort weergegeven – het volgende aan de vordering ten grondslag. [eiser] heeft enorme schade geleden en lijdt nog steeds schade door een verkeerd advies van [gedaagden] . Het schadebedrag dat [gedaagden] heeft berekend en erkend is niet juist. [gedaagden] gaat uit van een te beperkte periode en laat 2023 ten onrechte buiten beschouwing. Verder ontbreken zeven auto’s in de berekening van het eerste kwartaal van 2024 en houdt [gedaagden] ten onrechte geen rekening met de aanslagen bpm, rente en kosten en de in beslag genomen voorraad auto’s. Het advies om de margeregeling toe te passen is door [eiser] ook doorgevoerd in de BPM-aangiften. Hierdoor klopten ook die aangiften niet en is te weinig BPM afgedragen, met alle gevolgen van dien. Door de foute advisering van [gedaagden] zijn aanzienlijke bedragen ingevorderd, zijn beslagen gelegd, is de handelsvoorraad auto’s van [eiser] in beslag genomen en geveild en is een huurachterstand ontstaan van 18 maanden. De verhuurder dreigt met rechtsmaatregelen als [eiser] niet tijdig betaalt. De verhuurder heeft auto’s van [eiser] ontvreemd en tot op heden niet vrijgegeven. Door al deze omstandigheden is [eiser] in een (financiële) noodsituatie terecht gekomen, waarmee direct het spoedeisend belang bij de vordering is gegeven. Voor een bedrag van € 206.000,00 hoeft [gedaagden] geen rekening te houden met een restitutierisico want dat bedrag heeft zij erkend. Ook voor het meerdere hoeft geen rekening te worden gehouden met een restitutierisico omdat zeer aannemelijk is dat die vordering stand houdt in een bodemprocedure.
3.3.
[gedaagden] voert verweer. [gedaagden] concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagden] voert – kort weergegeven – het volgende aan. [gedaagden] heeft de omvang van de schade zorgvuldig berekend. Daartegenover maakt [eiser] de door hem geleden schade niet inzichtelijk en wordt de gestelde schade niet onderbouwd en wordt het causaal verband met het handelen van [gedaagden] niet aannemelijk gemaakt. [gedaagden] erkent dat een schadebedrag van € 206.000,00 in causaal verband staat met haar handelen, maar voor de overige schade geldt dit niet. [gedaagden] heeft geen enkele rol gespeeld bij de advisering over de aangiften van de BPM en dit staat ook geheel los van de margeregeling. De schade als gevolg van het onbetaald laten van de aanslagen is een gevolg van het handelen van [eiser] zelf en ook de schade als gevolg van de vermeende diefstal van de verhuurder staat niet in causaal verband met het handelen van [gedaagden] . De naheffingsaanslagen van de belastingdienst kunnen niet als schade worden aangemerkt omdat [eiser] anders ook btw en BPM verschuldigd zou zijn geweest. Dit is dus alleen anders voor de btw die na het advies van [gedaagden] eind januari 2024 niet aan klanten in rekening is gebracht bij de doorverkoop van auto’s over de periode eind januari 2024 tot april 2024. Hierdoor is niet aannemelijk dat de vordering van [eiser] in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Ook ontbreken aanwijzingen dat een onmiddellijke voorziening is vereist en maakt het restitutierisico dat het belang van [gedaagden] bij afwijzing van de vordering moet prevaleren. Bovendien staat het [gedaagden] gezien de gelegde beslagen niet vrij enig bedrag aan [eiser] te betalen.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[eiser] vordert betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een geldvordering is in kort geding alleen plaats als het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is en daarnaast uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de voorzieningenrechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
4.2.
[eiser] vordert een bedrag van € 350.000,00 als voorschot op de schadevergoeding die [gedaagden] mogelijk zou moeten betalen. Het staat echter vast dat onder [gedaagden] zelf en onder de verzekeraar die een schadebedrag zou moeten uitkeren, beslag ligt voor ruim € 900.000,-. Alleen al op grond van deze feiten kan [gedaagden] in dit kort geding niet worden veroordeeld tot betaling van het gevorderde voorschot. Op grond van artikel 475, tweede lid, wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is [gedaagden] namelijk verplicht het beslagen bedrag onder zich te houden. Indien [gedaagden] toch een bedrag aan [eiser] zou betalen kan de deurwaarder op grond van artikel 475h nog steeds bij haar voldoening van het verschuldigde vorderen. Gelet hierop heeft [eiser] er dan ook geen belang bij om in dit kort geding een voorschot op de schade te vorderen van [gedaagden] . Alleen al hierom moet de vordering worden afgewezen.
4.3.
Los daarvan staat onvoldoende vast dat [gedaagden] een hoger schadebedrag dan de door haar erkende 206.000 aan [eiser] verschuldigd is. De overige schade is door [gedaagden] gemotiveerd betwist. Zo heeft [gedaagden] toegelicht en met stukken onderbouwd dat de btw in 2023 wel aan klanten is doorberekend zodat de naheffing hiervan niet als schade kan worden aangemerkt. Ook heeft [gedaagden] toegelicht en met een Memorandum van 15 december 2025 van Archipel Tax Advice onderbouwd dat de berekening van de BPM los staat van het onjuist toepassen van de margeregeling. [eiser] heeft tegen deze gemotiveerde betwisting van [gedaagden] niets ingebracht. Ook voor de overige gestelde schade heeft [eiser] niet nader onderbouwd hoe die schade in causaal verband staat met de onjuiste advisering door [gedaagden] . Ook heeft [eiser] onvoldoende weersproken dat de naheffingsaanslagen btw en BPM ten dele geen schade betreffen omdat de btw en BPM ook daadwerkelijk aan de belastingdienst verschuldigd zouden zijn geweest.
4.4.
Gelet op het voorgaande wordt de vordering afgewezen.
4.5.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.999,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.
1518