Eiser, handelend in tweedehands auto's, vordert een voorschot van €350.252,12 van gedaagde, een administratiekantoor dat hem adviseerde de margeregeling btw toe te passen. Dit advies bleek onjuist, waardoor naheffingsaanslagen van de Belastingdienst volgden en beslag werd gelegd op gelden en voertuigen van eiser.
Gedaagde erkent een schadebedrag van circa €206.000, maar betwist de rest van de schade en het causaal verband met haar handelen, met name voor de BPM-aanslagen en overige gevolgen. Eiser onderbouwt zijn hogere schade niet voldoende.
De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht heeft op het gevorderde voorschot. Bovendien ligt er beslag op de gelden bij gedaagde en haar verzekeraar, waardoor betaling niet mogelijk is zonder schending van beslagregels.
De vordering wordt daarom afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door rechter K.H.A. Heenk en op 31 december 2025 uitgesproken.